Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 29 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Oedayrajsingh-Varma te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Özdemir-Sahin te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 3 juli 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2022 te [plaats] .
- Bij de rechtbank is de echtscheidingsprocedure bekend onder het kenmerk C/09/700739.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe dat:
- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, eventueel met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de vrouw zelfstandig nog:
-de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen de verzochte, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Beide partijen hebben verzocht het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hen toe te kennen. De rechtbank moet daarom een belangenafweging maken en overweegt hiertoe als volgt.
Partijen wonen nog samen in de echtelijke woning en deze situatie is in de afgelopen periode op scherp komen te staan. Het is daarom van belang dat een van hen de woning verlaat voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
Partijen beschuldigen elkaar over en weer van ernstige gedragingen die de situatie in de woning onhoudbaar maken. Geen van beiden heeft echter zijn/haar beschuldigingen voldoende aannemelijk gemaakt.
Daarnaast hebben beide partijen aangegeven dat zij vanwege hun werk een belang hebben bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De vrouw heeft aangegeven dat zij haar werkzaamheden alleen veilig en volgens de voorschriften van haar opdrachtgever kan uitoefenen vanuit een ruimte die kan worden afgesloten. Zij heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit daadwerkelijk een harde eis is van haar opdrachtgever. Daarnaast heeft zij niet voldoende aannemelijk gemaakt dat er tijdens haar werktijden geen fysieke werkplek beschikbaar is bij haar opdrachtgever. De man heeft aangegeven dat hij zelfstandig ondernemer is en zijn onderneming staat ingeschreven op het adres van de echtelijke woning. Hiermee heeft hij echter nog niet voldoende onderbouwd dat hij een zwaarwegend belang heeft om het uitsluitend gebruik aan hem toe te kennen.
Ook hebben beide partijen aangevoerd de zorg voor de kat te dragen. De zorg voor de kat kan naar het oordeel van de rechtbank geen doorslaggevend argument zijn bij de beoordeling aan wie het uitsluitend gebruik zal worden toegekend.
Tot slot hebben beide partijen aangegeven dat zij niet bij familieleden terecht kunnen, terwijl zij allebei hebben gesteld dat de ander wel terecht kan bij familieleden. Ook van deze stellingen over en weer kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen wat waar en wat niet waar is.
Nu niet is gebleken dat één van partijen bij familie of bekenden terecht kan, zal één van beiden moeten omzien naar een tijdelijke huurwoning. De rechtbank zal daarom beoordelen wie daartoe de meest gerede partij is. De man heeft op de zitting aangegeven dat hij in een betere en stabielere financiële situatie te verkeert dan de vrouw, en dat de inkomenssituatie van de vrouw onzeker is nu haar dienstverband in juni 2026 is beëindigd. Op de zitting is gebleken dat het dienstverband van de vrouw inderdaad is beëindigd en dat zij sinds kort op opdrachtbasis werkzaam is voor een opdrachtgever. Gelet hierop acht de rechtbank de kansen voor de man groter dan voor de vrouw om op korte termijn een tijdelijke huurwoning te kunnen betrekken. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verhuurders eisen kunnen stellen aan de hoogte en de continuïteit van het inkomen van een potentiële huurder. De rechtbank zal daarom aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekennen voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
De rechtbank merkt hierbij op dat deze beslissing een ordemaatregel is met een voorlopig karakter. Het uiteindelijke oordeel over wie de volledige eigendom van de echtelijke woning zal overnemen wordt – indien het partijen niet lukt om hierover onderling afspraken te maken – in de bodemprocedure beslist.
De rechtbank zal aan de man een termijn van twee weken geven om alternatieve woon/verblijfruimte te vinden, zodat het uitsluitend gebruik met ingang van 1 augustus 2026 aan de vrouw zal worden toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van 1 augustus 2026 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning per die datum dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2026.