Beschikking op het op 10 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Haasjes te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 26 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] .
- Zoals blijkt uit de Basisregistratie Personen (BRP), staat [minderjarige 1] ingeschreven op het adres van de vader en staat [minderjarige 2] ingeschreven op het adres van de moeder.
- De kinderen zijn door de vader erkend.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
Verzoek en verweer
De vader heeft kort gezegd verzocht – zoals dat na wijziging luidt – :
te bepalen dat de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] aan de man zullen worden toevertrouwt en bij hem hun hoofdverblijf zullen hebben en op zijn adres ingeschreven mogen blijven staan;
dat de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende de oneven weken voor een hele week bij moeder zullen zijn en in de even weken voor een hele week bij vader, waarbij het wisselmoment op maandagmorgen om 8:30 uur zal zijn, en in de beschikking de vakantieregeling op te nemen zoals overgelegd als productie 16.
te bepalen dat de ouder bij wie de kinderen het laatst verbleven de kinderen op zondag om 16:00 uur naar de andere ouder brengt, zonder bijzijn van derden.
Primair de vrouw te veroordelen met ingang van 1 april 2025, subsidiair datum indiening verzoekschrift de vrouw te veroordelen om maandelijks aan de man te betalen een bedrag van € 127,- per kind per maand, waarbij ieder de eigen kosten van de kinderopvang zal voldoen. Subsidiair de vrouw te veroordelen met ingang van 1 april 2025, subsidiair datum indiening verzoekschrift de vrouw te veroordelen om maandelijks aan de man te betalen een bedrag van € 247,- per kind per maand, waarbij de man de kosten van de kinderopvang zal voldoen.
in de beschikking de informatie- en beslissingenregeling op te nemen zoals
overgelegd als productie 15;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de moeder zelfstandig kort gezegd verzocht – zoals dat naar de rechtbank begrijpt na wijziging ten aan zien van de zorgregeling luidt – :
I. te bepalen dat de minderjarige kinderen van de vrouw hun hoofdverblijfplaats
zullen hebben bij de vrouw en op haar adres ingeschreven zullen staan;
een zorgregeling vast te stellen waarbij de regeling verschilt in de periode van
1 maart tot en met week 46 op zondag te 17:00 uur en de periode van week 46 op zondag te 17:00 uur tot 1 maart, althans gedurende strooidiensten, waarbij deze regeling vervalt, zodra de man stopt met de uitvoering van strooidiensten, en dan direct de hiervoor genoemde zorgverdeling voor het gehele jaar ingaat;
II. om een vakantieregeling alsmede een regeling van de feestdagen te bepalen;
III. ten aanzien van de zorgregeling en vakantieregeling te bepalen dat de ouder bij wie
de kinderen verblijven de kinderen naar de andere ouder brengt bij een
wisselmoment;
IV. te bepalen dat partijen elkaar minimaal twee maanden van tevoren informeren over
de over de vakanties met de kinderen;
te bepalen dat de man niet rookt in het bijzijn van de kinderen.
te bepalen dat de man met ingang van 1 april 2025, althans de datum van indiening van het verzoekschrift, een kinderalimentatie dient te voldoen een bedrag van € 98,00 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De rechtbank heeft ter terechtzitting een vergelijk tussen partijen beproefd.
Hoofdverblijfplaats
Standpunten vader
De vader verzoekt te bepalen dat beide kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben en op zijn adres ingeschreven zullen staan. Dit is een vertrouwde plek voor de kinderen.
Daarnaast is het inkomen van de vader lager dan het inkomen van de moeder, zodat bij inschrijving de vader de toeslagen en financiële tegemoetkomingen voor een alleenstaande ouder ontvangt. De vader acht dit in het belang van de kinderen.
Standpunten moeder
De moeder is van mening dat zij tijdens de relatie een groter aandeel had in de zorg voor de kinderen. Ook nu zijn de kinderen iets meer bij de moeder en zij regelt nog steeds alles.
De moeder verzoekt te bepalen dat beide kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben en op haar adres ingeschreven zullen staan. Dit sluit aan bij de feitelijke situatie.
Inhoudelijke beoordeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253a lid 2 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan de rechter, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, waaronder de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de rechtbank, zoals hierna zal blijken, een
co-ouderschapsregeling zal vaststellen, gaat het bij de bepaling van de hoofdverblijfplaats voornamelijk om een administratieve kwestie en financiële belangen. Het is de rechtbank gebleken dat [minderjarige 1] ingeschreven staat op het adres van de vader en [minderjarige 2] ingeschreven staat op het adres van de moeder. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de bestaande situatie. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De rechtbank zal daarom de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader bepalen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder bepalen. Het meer of anders verzochte ten aanzien van zal de rechtbank afwijzen.
Wijzigen zorgregeling
Standpunten vader
Op dit moment hebben partijen een zorgregeling, waarbij de kinderen de helft van de tijd bij de moeder verblijven en de helft van de tijd bij de vader verblijven. De kinderen zijn iedere week van maandag tot woensdagmiddag bij de moeder en van woensdagmiddag tot vrijdagmiddag bij de vader. De weekenden worden om en om verdeeld tussen de ouders. De vader is van mening dat deze regeling te veel wisselmomenten heeft. Daarnaast zijn er veel spanningen tussen de ouders, waardoor de wisselmomenten belastend zijn voor de kinderen. De vader vindt de huidige zorgregeling daarom niet in het belang van de kinderen.
Sinds 23 november 2025 hebben de ouders voor de winterperiode een week op week af regeling afgesproken in verband met het werk, in het bijzonder de strooidiensten, van de vader. Deze regeling verloopt goed volgens de vader. De vader verzoekt een week op week af regeling vast te stellen.
Standpunten moeder
De moeder verzoekt de huidige zorgregeling vast te stellen. Dit sluit volgens de moeder aan bij de zorgverdeling zoals de ouders tijdens en ook na de relatie hebben uitgevoerd.
De moeder acht de week op week af regeling, die de ouders voor de winterperiode van 2025-2026 zijn overeengekomen, niet in het belang van de kinderen. De kinderen zijn nog jong en hebben de behoefte om de andere ouder vaker te zien. Sinds 1 maart 2026 verblijven de kinderen weer volgens de reguliere zorgregeling bij de ouders. De moeder vindt deze regeling in het belang van de kinderen.
De moeder kan zich vinden in een week op week af regeling tijdens de strooidienstweken van de vader, onder de voorwaarde dat als de vader stopt met de strooidiensten, de reguliere zorgregeling direct weer ingaat.
Inhoudelijke beoordeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders, een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.
De rechtbank constateert dat beide ouders een co-ouderschap willen. Zij verschillen van mening over de invulling daarvan. Het is de rechtbank gebleken dat voor beide ouders bij het vaststellen van de zorgregeling de strooiregeling van de vader een belangrijk punt is. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, acht de rechtbank de door de moeder verzochte zorgregeling op dit moment het meest in het belang van de kinderen. Het is de rechtbank gebleken dat deze regeling goed verloopt en dat de kinderen hier aan gewend zijn. De strooiweken van de vader vinden maar een aantal maanden in het jaar plaats. De regeling van de moeder houdt hier ook rekening mee. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vader afwijzen en het verzoek van de moeder toewijzen.
Regeling halen en brengen
Het is de rechtbank gebleken dat de ouders het er over eens zijn dat de ouder bij wie de kinderen verblijven de kinderen naar de andere ouder brengt bij een wisselmoment.
De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en het meer of anders verzochte afwijzen.
Vakantie- en feestdagenregeling
Tijdens de zitting heeft de vader aangegeven dat hij zich kan vinden in de door de moeder voorgestelde vakantie- en feestdagenregeling. Ten aanzien van de vakantie- en feestdagenregeling zijn de ouders de in het dictum vermelde regeling overeengekomen.
De rechtbank zal conform de bereikte overeenstemming tussen de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich tegen deze afspraken verzet; het meer of anders verzochte beschouwt de rechtbank als ingetrokken.
Informatie- en beslissingenregeling
De vader verzoekt daarom in de beschikking een informatie- en beslissingenregeling op te nemen.
De moeder verzoekt te bepalen dat de ouders elkaar minimaal twee maanden van tevoren informeren over de vakanties met de kinderen.
De rechtbank heeft ter zitting geconstateerd dat partijen in staat zijn om afspraken te maken.
De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om ten aanzien van de diverse punten in dit verband een beslissing te nemen. De omstandigheden zullen zich steeds wijzigen en partijen dienen, conform het wettelijk uitgangspunt het gezag samen uit te oefenen.
Verzoek niet roken in het bijzijn van de kinderen
De moeder verzoekt te bepalen dat de vader niet rookt in het bijzijn van de kinderen. Ten aanzien van dit verzoek overweegt de rechtbank dat dit niet valt onder een gezagsgeschil in de zin van artikel 1:253a BW. De rechtbank zal zich daarom hier niet over uitlaten. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.
Kinderalimentatie
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 848,- per kind per maand bedraagt in 2025. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 887,- per kind per maand.
Draagkracht vrouw
Partijen verschillen van mening over van welk inkomen van de vrouw moet worden uitgegaan voor de berekening van haar draagkracht.
Volgens de vader is er aan de kant van de moeder sprake van verwijtbaar inkomensverlies, nu zij, zonder overleg en zonder noodzaak, er voor heeft gekozen om minder te gaan werken door het opnemen van ouderschapsverlof.
De moeder heeft aangegeven dat zij al vanaf 2023 gebruik maakt van ouderschapsverlof. Zij heeft de afgelopen jaren betaald en onbetaald ouderschapsverlof opgenomen en betaald zorgverlof in verband met de zorg voor een familielid. Momenteel neemt de moeder onbetaald ouderschapsverlof op om meer bij de kinderen te kunnen zijn. Als het ouderschapsverlof op is, dan gaat zij naar een nieuw dienstverband voor drie dagen per week en blijft haar inkomen hetzelfde als in 2025.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft tijdens de relatie weliswaar drie dagen per week gewerkt, maar, gelet op de gelijke zorgverdeling, is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw verwacht kan worden dat zij een halve dag per week extra werkt, en indien de vrouw ervoor kiest dit niet te doen, dit niet voor rekening van de man behoeft te komen. De rechtbank zal daarom bij de berekening van de draagkracht van de vrouw ervan uitgaan dat zij een halve dag per week extra zou kunnen werken, hetgeen uitkomt op een werkweek van dertig uur.
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank alsdan in redelijkheid uit van een inkomen van € 62.821,- bruto per jaar. De rechtbank heeft hierbij het uurloon van de vrouw, zoals blijkt uit de overgelegde salarisspecificaties in aanmerking genomen.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 4.334,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.168,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 51.360,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2025.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.933,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 972,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.140,- per maand (€ 1.168,- + € 972,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 972 / 2.140 x 1.774 = € 806,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.168 / 2.140 x 1.774 = € 968,-
samen € 1.774,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt een gedeelte van € 806,- per maand, wat neerkomt op € 403,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 968,- per maand, wat neerkomt op € 484,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 35 %. De zorgkorting bedraagt dan € 310,- per maand per kind (35% van € 887,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel.
De door de man te betalen bijdrage ten aanzien van [minderjarige 2] bedraagt dan € 93,- per maand (€ 403,- -/- € 310,-).
De door de vrouw te betalen bijdrage ten aanzien van [minderjarige 1] bedraagt dan € 174,- per maand (€ 484,- -/- € 310,-).
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid de ingangsdatum bepalen op de datum van deze beschikking, nu partijen reeds geruime tijd een co-ouderschap uitvoeren en uit dien hoofde al geruime tijd kosten hebben voldaan en zij eerst per datum van deze beschikking rekening konden houden met de uiteindelijk te bepalen onderhoudsverplichtingen.
Conclusie
Omdat [minderjarige 1] de hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben, dient de moeder een bedrag van € 174,- per maand aan de vader te betalen.
Omdat [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben, dient de vader een bedrag van € 93,- per maand aan de moeder te betalen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
*
bepaalt dat ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de volgende zorgregeling geldt, waarbij de kinderen verblijven:
in de periode van 1 maart tot en met week 46 op zondag te 17:00 uur:
- in de even weken:
vanaf maandag tot woensdag 17:00 uur bij moeder;
vanaf woensdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij vader, waarna de kinderen naar
moeder gaan;
- in de oneven weken:
vanaf maandag tot woensdag 17:00 uur bij moeder;
vanaf woensdag 17:00 uur tot vrijdag 17:00 uur bij vader;
vanaf vrijdag 17:00 uur tot en met zondag bij moeder;
in de periode van week 46 op zondag te 17:00 uur tot 1 maart:
- in de even weken:
vanaf maandag 0:00 uur tot maandag 17:00 uur bij moeder;
vanaf maandag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij vader,
vanaf zondag 17:00 uur bij moeder;
- in de oneven weken: bij moeder;
waarbij deze regeling vervalt, zodra de man stopt met de uitvoering vanstrooidiensten, en dan direct de hiervoor genoemde zorgverdeling voor het gehelejaar ingaat;
*
stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de ouder bij wie de kinderen verblijven brengt de kinderen naar de andere ouder bij een wisselmoment;
*
stelt vast dat partijen het volgende zijn overeengekomen ten aanzien van de vakantie- en feestdagenregeling:
- in de zomervakantie: in de even jaren de eerste twee weken en de vijfde week bij vader en de derde, vierde en zesde week bij moeder en in de oneven jaren de eerste twee weken en de vijfde week bij moeder en de derde, vierde en zesde week bij vader;
- in de herfstvakantie: in de even jaren bij vader, in de oneven jaren bij moeder;
- in de voorjaarsvakantie: in de oneven jaar bij moeder, in de even jaren bij vader;
- in de meivakantie: in de even jaren: de eerste week bij vader, de tweede week bij moeder;
in de oneven jaren: de eerste week bij moeder, de tweede week bij vader;
- tijdens kerstavond en eerste kerstdag: in de even jaren bij vader, in de oneven jaren bij moeder, waarbij de kinderen om 15:00 uur op kerstavond naar de betreffende ouder toegaan en op eerste kerstdag uiterlijk 21:00 uur teruggaan naar de andere ouder;
- op tweede kerstdag: in de even jaren bij moeder, in de oneven jaren bij vader, waarbij de kinderen de dag na tweede kerstdag uiterlijk 11:00 uur teruggaan naar de andere ouder;
- op oudejaarsdag en nieuwjaarsdag: in de even jaren bij vader, in de oneven jaren bij moeder;
- op Koningsdag: in de oneven jaren bij moeder, in de even jaren bij vader;
- op Vaderdag: bij vader en op Moederdag: bij moeder;
- op de verjaardag van moeder, ingeval de kinderen die dag bij vader verblijven:
op een schooldag: uit school tot 19:00 uur bij moeder en op een niet-schooldag: van 11:00 uur tot 19:00 uur bij moeder.
- op de verjaardag van vader, ingeval de kinderen die dag bij moeder verblijven:
op een schooldag: uit school tot 19:00 uur bij vader en op een niet-schooldag: van 11:00 uur tot 19:00 uur bij vader.
*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 174,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] van € 93,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.