RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 augustus 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/5495
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
en
(gemachtigde: M. el Hachmioui).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], te [woonplaats] (vergunninghoudster).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een airconditioner aan de zijgevel van de woning [adres] . Verzoekster is het niet eens met de verlening van deze vergunning. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een airconditioner aan de zijgevel van de woning [adres] . Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich brengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
Het college heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat verzoekster niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat zij vanuit haar woning geen zicht heeft op de airconditioner en evenmin relevante milieugevolgen van dit object zal ondervinden.
De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van het college niet. Verzoekster is eigenaar van een naastgelegen woning en woont daar zelf ook, zodat op voorhand niet is uit te sluiten dat zij gevolgen van enige betekenis kan ondervinden van de vergunde airconditioner.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt, en overweegt daartoe het volgende. Mede gelet op de beperkte omvang van de buitenunit van de airconditioner kan ervan worden uitgegaan dat dit bouwwerk betrekkelijk eenvoudig zal kunnen worden verwijderd, mocht de daarvoor verleende omgevingsvergunning in de bezwaarfase geen stand houden. Hierdoor kan de oorspronkelijke situatie worden hersteld en is van onomkeerbare gevolgen dus geen sprake. De door verzoekster gestelde geluidsoverlast van de airconditioner levert ook geen spoedeisend belang op. Verzoekster heeft met de enkele stelling dat de woningen gehorig zijn, niet concreet onderbouwd dat het in werking zijn van de airconditioner tot ernstige geluidsoverlast zal leiden. Daarom is er ook in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: