7. CONSTATERING/SCHOUWING
In aanwezigheid van [partij A] en Mort schouwden wij de onderhavige woning en stelden daarbij het navolgende vast.
[partij A] deelde ons mede dat hij de gebreken/schades aan zijn woning van 25 oktober 2024 had laten afronden door een derde partij. Ten tijde van de expertise waren grote delen van de vermeende gebreken/schades derhalve niet (meer) te zien.
Voor de beoordeling en de vermeende schades/gebreken hebben wij gebruik gemaakt van de ons aangeleverde video-opnames. De video-opname (duur circa 1 uur en 7 minuten) was volgens [partij A] gemaakt op 6 oktober 2024, te weten circa 13 dagen voor de beëindiging van de werkzaamheden door Mort.
De video van 6 oktober 2024 geeft wel een globaal beeld van de nog niet afgeronde werkzaamheden op 6 oktober 2024 maar geeft geen exact beeld van de status van het werk op 25 oktober 2024.
(…)
9. CONCLUSIE
Gelet op het bovenstaande dienen wij vast te stellen dat Mort op de door ons benoemde onderdelen bouwtechnisch/installatietechnisch tekort is geschoten. Wij concluderen dat het door Mort geleverde werk niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk voldoet en dat de renovatiewerkzaamheden op 25 oktober 2024 niet waren afgerond.
Wij hebben onze bevindingen en conclusie gebaseerd op de door [partij A] aan ons overgelegde stukken waaronder video-opnames zoals omschreven bij de bronvermelding en op onze expertise op 9 mei 2025. Zo was onder meer sprake van niet afgeronde en gebrekkig uitgevoerde gevelmetselwerken, nieuwe kozijnen, badkamers, toiletruimtes en allerhande binnenafwerkingen, zoals door ons omschreven bij het antwoord op onderzoeksvraag 1.
(…)”
Bij deurwaardersexploot van 2 oktober 2025 heeft [partij A] aan Mort medegedeeld dat hij de verbintenis van Mort tot nakoming van de aannemingsovereenkomst omzet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.
4. Het geschil
In conventie
[partij A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Mort veroordeelt om binnen 14 dagen na het vonnis € 40.189,50 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
Mort veroordeelt om binnen 14 dagen na het vonnis € 6.268,75 te betalen aan expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
Mort veroordeelt om binnen 14 dagen na het vonnis € 1.500,74 te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
Mort veroordeelt in de proceskosten.
Mort voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
Mort vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[partij A] veroordeelt tot betaling van € 69.850,-, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente daarover vanaf het moment waarop dit bedrag opeisbaar is geworden tot aan de dag van volledige betaling;
[partij A] veroordeelt in de proceskosten.
[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Mort in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
In conventie en in reconventie
De rechtbank ziet aanleiding de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk te bespreken.
[partij A] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat Mort tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en op basis van het schrijven van
24 oktober 2024 in verzuim is komen te verkeren. Bij het deurwaardersexploot van
2 oktober 2025 heeft hij zijn nakomingsvordering omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. [partij A] vordert op basis van het expertiserapport van ZNEB van 25 augustus 2025 een bedrag van € 27.980,- aan (vervangende) schadevergoeding. Daarnaast stelt [partij A] dat hij onverschuldigde bedragen heeft betaald aan Mort ten belope van een totaalbedrag van € 12.209,50.
Mort heeft – samengevat – betwist dat zij in verzuim is komen te verkeren met betrekking tot de nakoming van de aannemingsovereenkomst en heeft aangevoerd dat zij haar verbintenis tot nakoming van de aannemingsovereenkomst op 24 oktober 2024 rechtsgeldig heeft opgeschort. Ook heeft zij betwist dat [partij A] onverschuldigd bedragen aan haar heeft betaald. Mort stelt daarentegen dat [partij A] haar nog het restant van de aanneemsom en betaling van meerwerk verschuldigd is.
De rechtbank zal hierna achtereenvolgens bespreken (i) of Mort aansprakelijk is voor schade uit hoofde van een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, (ii) of [partij A] één of meer bedragen onverschuldigd aan Mort heeft betaald, (iii) of [partij A] een restant van de aanneemsom verschuldigd is aan Mort, (iv) of [partij A] betaling van meerwerk verschuldigd is aan Mort en (v) wie de proceskosten moet betalen.
Is Mort aansprakelijk voor schade vanwege een tekortkoming in de nakoming?
Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijke Wetboek (BW) verplicht ieder tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt, te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, is hiervoor vereist dat de schuldenaar in verzuim is.
Op grond van artikel 6:82 lid 1 BW treedt het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.
Op grond van artikel 6:87 lid 1 BW wordt de verbintenis, voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, omgezet in een tot vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk meedeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.
De rechtbank overweegt dat [partij A] in het schrijven van 2 oktober 2025 aan Mort een termijn van vijf dagen heeft gesteld om te reageren en haar in de gelegenheid heeft gesteld om de werkzaamheden uiterlijk op 10 november 2024 te voltooien. Mort heeft gemotiveerd betwist dat haar op basis van dit schrijven duidelijk was voor welke specifieke tekortkoming(en) in de nakoming van de aannemingsovereenkomst zij werd aangesproken of welke herstelwerkzaamheden van haar werden verwacht. De rechtbank stelt vast dat dit inderdaad niet is omschreven in het schrijven van 2 oktober 2025, zoals hiervoor onder 3.7 is geciteerd. [partij A] verwijst weliswaar naar een ‘Quicktime-video’, maar deze is niet in het geding gebracht en Mort heeft onweersproken aangevoerd dat deze video-opname is gemaakt met – samengevat – het doel om af te kaderen welke werkzaamheden binnen de reikwijdte van de aannemingsovereenkomst vallen; niet om één of meer tekortkomingen vast te leggen. Verder heeft [partij A] in het schrijven van 2 oktober 2025 verwezen naar ‘het getekende contract’, maar dit is onvoldoende concreet om vast te kunnen stellen voor welke specifieke tekortkoming(en) Mort wordt aangesproken.
Daarbij komt dat, wat er ook zij van de wijze waarop de tekortkoming(en) in het schrijven van 2 oktober 2025 is (zijn) omschreven, vast is komen te staan dat [partij A] reeds op
26 oktober 2024 – en dus binnen de gestelde reactietermijn van vijf dagen – een andere aannemer had ingeschakeld om de werkzaamheden aan de woning af te ronden. De rechtbank leidt hieruit af dat Mort geen daadwerkelijke herstelmogelijkheid is geboden. Dat betekent dat Mort niet rechtsgeldig in gebreke is gesteld en niet in verzuim is komen te verkeren. Het verweer van Mort dat zij de nakoming van haar verbintenis op het moment van ontvangst van de ingebrekestelling reeds rechtsgeldig had opgeschort, behoeft daarom geen bespreking. De rechtbank concludeert dat Mort niet aansprakelijk is voor schade als gevolg van een eventuele tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst.
Nu Mort niet in verzuim is komen te verkeren, heeft [partij A] zijn nakomingsvordering bij het deurwaardersexploot van 2 oktober 2025 evenmin rechtsgeldig omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.
De door [partij A] gevorderde (vervangende) schadevergoeding zal worden afgewezen.
Ook de door [partij A] gevorderde expertisekosten zullen worden afgewezen.
Heeft [partij A] bedragen onverschuldigd betaald aan Mort?
[partij A] heeft verder gesteld dat hij drie bedragen onverschuldigd aan Mort heeft betaald: € 3.800,00 voor een kozijn, € 4.779,50 voor een trap en € 3.630,00 voor een rekening van een elektricien. Mort heeft dit gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt dat het, gelet op de betwisting door Mort, op de weg van [partij A] had gelegen om zijn stellingen te onderbouwen. Nu [partij A] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat deze bedragen aan Mort zijn betaald, bijvoorbeeld aan de hand van bankafschriften of betaalbewijzen, en niet uiteen heeft gezet in welke zin de rechtsgrond voor deze betalingen ontbreekt, komt niet vast te staan dat één of meer bedragen onverschuldigd aan Mort zijn betaald. De vordering van [partij A] uit hoofde van onverschuldigde betaling zal worden afgewezen.
Is [partij A] een restant van de aanneemsom verschuldigd aan Mort?
Mort stelt dat [partij A] haar uit hoofde van de aannemingsovereenkomst nog een bedrag van € 24.100,- verschuldigd is. [partij A] heeft in de conclusie van antwoord in reconventie aangevoerd dat dit een bedrag van € 15.000,- betreft, dat na de oplevering zou worden betaald. De vordering van Mort zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 15.000,-. De over dit bedrag gevorderde rente zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Is [partij A] betaling van meerwerk verschuldigd aan Mort?
Mort heeft tot slot gesteld dat [partij A] haar nog een bedrag van € 45.750,- vanwege uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend overeengekomen meerwerk is verschuldigd. Subsidiair, voor het geval overeengekomen meerwerk niet kan worden aangenomen, meent Mort dat [partij A] ten koste van haar ongerechtvaardigd is verrijkt.
[partij A] heeft het door Mort gestelde meerwerk betwist en heeft aangevoerd dat deze werkzaamheden deel uitmaakten van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Daarnaast voert [partij A] aan dat dit werk niet is uitgevoerd.
De rechtbank overweegt dat Mort in de conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, het door haar gestelde meerwerk niet heeft onderbouwd. Mort heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij [partij A] een meerwerkfactuur heeft toegestuurd bij de e-mail van 21 oktober 2024 - een e-mail die ook in de dagvaarding is genoemd - en heeft aangeboden deze e-mail met factuur in het geding te brengen. De rechtbank overweegt echter dat ook in de door Mort ingebrachte productie 12 een opsomming van het door haar gestelde meerwerk is gegeven. [partij A] heeft gemotiveerd betwist dat hij een opdracht voor dit meerwerk heeft gegeven en het had, gelet op deze betwisting door [partij A], op de weg van Mort gelegen haar stellingen dienaangaande nader te onderbouwen. Daarbij is van belang dat enkel uit de door Mort als productie 11 ingebrachte foto van handgeschreven aantekeningen van [partij A] geen opdracht tot meerwerk kan worden afgeleid. Ook de door Mort ingebrachte Whatsappcorrespondentie biedt hier, zonder nadere uiteenzetting en concretisering, die niet is gegeven, onvoldoende aanknopingspunten voor. De rechtbank concludeert dat op basis van de ingebrachte stukken niet kan worden vastgesteld dat [partij A] een opdracht tot meerwerk heeft gegeven.
Nu [partij A] heeft aangevoerd dat de betreffende werkzaamheden binnen de reikwijdte van de aannemingsovereenkomst vielen en tevens gemotiveerd heeft betwist dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd, valt zonder nadere onderbouwing door Mort niet in te zien in welk opzicht [partij A] ten koste van Mort is verrijkt. Dat betekent dat ook de subsidiaire grondslag de vordering van Mort niet kan dragen.
De vordering van Mort tot betaling van overeengekomen meerwerk dan wel schadevergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking zal worden afgewezen.
Wie moet de proceskosten betalen?
[partij A] is in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Mort in zowel conventie als in reconventie vergoeden. De proceskosten van Mort worden begroot op:
- griffierecht € 2.995,00
- salaris advocaat € 3.225,00 (2,5 punt X tarief IV ad € 1.290,00)
- nakosten € 296,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.516,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
In conventie
wijst de vorderingen van [partij A] af;
In reconventie
veroordeelt [partij A] tot betaling van € 15.000,- aan Mort, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen tot aan de dag van volledige betaling;
wijst het meer of anders gevorderde af;
In conventie en in reconventie
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van Mort van € 6.516,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen tot aan de dag van volledige betaling. Als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij A] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart 6.2 en 6.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op
22 juli 2026.