ECLI:NL:RBDHA:2026:23078

ECLI:NL:RBDHA:2026:23078

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer SGR 26/968
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vovo afgewezen i.v.m. ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

CAK, verweerder

(gemachtigde: J. van Doorn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 27 januari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Bij het besluit van 13 januari 2026 heeft verweerder meegedeeld dat verzoeker per maand een eigen bijdrage van € 780,17 is verschuldigd voor het verkrijgen van zorg in een instelling. Bij besluit van 27 januari 2026 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat hij door zijn zorgverzekeraar OHRA Ziektenkostenverzekering N.V. (Ohra) is aangemeld bij het CAK en dat vanaf februari 2026 de zorgpremie zal worden ingehouden op de uitkering van verzoeker. Daaraan ligt ten grondslag dat verzoeker gedurende tenminste een half jaar de premie die hij is verschuldigd aan zijn zorgverzekeraar niet heeft voldaan.

Verzoeker heeft tegen de besluiten van 13 januari 2026 en 27 januari 2026 bezwaar gemaakt. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om de inhouding van de Wlz-bijdrage op te schorten en de premie-inhouding tijdelijk te stoppen totdat alle bezwaar- en klachtprocedures inhoudelijk zijn beoordeeld.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er sprake van spoedeisend belang?

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

3. Verzoeker voert aan dat hij op dit moment leeft van een uitkering onder het minimumniveau. Verder stelt verzoeker dat er door de cumulatie van maatregelen op één moment een inhouding van circa € 950 per maand ontstaat. Deze hoge kosten leiden volgens verzoeker tot het structureel overschrijden van zijn bestaansminimum en een situatie waarin hij niet langer kan voorzien in primaire levensbehoeften.

4. De voorzieningenrechter heeft verzoeker meerdere malen in de gelegenheid gesteld het spoedeisend belang te onderbouwen, laatstelijk bij brief 28 mei 2026. Verzoeker heeft op 8 juni 2026 gereageerd dat hij momenteel niet in staat is zijn standpunt nader te onderbouwen. Verzoeker heeft daarbij verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van de gevraagde stukken dan wel om de zaak aan te houden.

5. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dateert van 28 januari 2026. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de zaak aan te houden of nog weer uitstel te verlenen. Verzoeker heeft reeds geruime tijd de gelegenheid gehad om de spoedeisendheid aan te tonen en verdere aanhouding verhoudt zich niet goed tot het karakter van de spoedprocedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker dan ook niet aangetoond dat een acute financiële noodsituatie dreigt. Hoewel voorstelbaar is dat verzoeker zich zorgen maakt om zijn financiële situatie, kan niet geoordeeld worden dat de situatie op dit moment dusdanig klemmend is dat hij de bezwaarprocedure niet kan afwachten.

6. Nu verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

Conclusie en gevolgen

7. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.C.M. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand