RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2026 in de zaak tussen
Comité Betere Aanpak EMK-gifterrein, uit Krimpen aan den IJssel, verzoekster
het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, het college
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden, de Staat
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3651
en
(gemachtigde: mr. P. Blom).
(gemachtigden: mr. K. Winterink en mr. X. de Vries).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van het verzoek van verzoekster om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van AVI-slakken in de bodem van het EMK-terrein aan de Stormpolderdijk in Krimpen aan den IJssel. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar handhavingsverzoek. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 13 februari 2026 heeft verzoekster het college verzocht om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van AVI-slakken in de bodem van het EMK-terrein aan de Stormpolderdijk in Krimpen aan den IJssel.
Met het bestreden besluit van 29 april 2026 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] namens verzoekster, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 4] (werkzaam bij DCMR), en de gemachtigden van de derde-partij, vergezeld door [naam 5] (projectleider).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op het EMK-terrein aan de Stormpolderdijk in Krimpen aan den IJssel waren tot en met 1980 meerdere industriële bedrijven gevestigd. In 1980 ging het laatste op dit terrein gevestigde bedrijf, afvalverwerker Exploitatie Maatschappij Krimpen (EMK), failliet. Na het faillissement van EMK is uit bodemonderzoek gebleken dat de bodem van het terrein door de bedrijfsactiviteiten op dit terrein verontreinigd is geraakt. Het gaat daarbij om verontreiniging met olie- en teerproducten. Om te voorkomen dat de verontreiniging zich verder zou verspreiden, is het terrein gesaneerd volgens de IBC-methode (isoleren, beheersen en controleren). Daarbij is het terrein opgehoogd door AVI-slakken te storten, dit zijn reststoffen die vrijkomen bij de verbranding van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafval in een afvalverbrandingsinstallatie. De AVI-slakken zijn afgedekt met een schone zandlaag met daarbovenop asfalt. Het terrein is omringd door damwanden en het grondwater langs de randen van het terrein wordt gezuiverd, voordat het op de riolering wordt geloosd. De gestorte AVI-slakken bevatten zware metalen en PFAS. Daarnaast bevat een gedeelte van de AVI-slakken olie- en/of teerverontreinigingen, omdat die AVI-slakken in contact zijn gekomen met het plaatselijke, verontreinigde grondwater.
De gemeente Krimpen aan den IJssel is voornemens om het EMK-terrein te bestemmen als bedrijventerrein. Daarvoor is een hersanering noodzakelijk. Hiertoe is op 22 januari 2016 het “Raamsaneringsplan EMK-terrein Krimpen aan den IJssel” (het raamsaneringsplan) opgesteld. Met het besluit van 28 april 2016 heeft het college met het raamsaneringsplan ingestemd. In het “Uitvoeringsplan Bodemsanering” (het uitvoeringsplan) wordt vervolgens beschreven hoe invulling wordt gegeven aan de bodemsanering binnen de in het raamsaneringsplan vermelde kaders. Met het besluit van 27 mei 2019 heeft het college met het uitvoeringsplan ingestemd. Het raamsaneringsplan en het uitvoeringsplan zijn onherroepelijk geworden en staan daarmee in rechte vast.
Met het besluit van 12 juni 2023 heeft het college met het “Uitvoeringsplan Bodemsanering 2.0 Bodemsanering, Bouwrijp maken, Verbeterde damwandconstructie, Beheersfase en Nazorg — EMK-terrein te Krimpen aan den IJssel” van 15 december 2022 (uitvoeringsplan 2.0) ingestemd.
Een onderdeel van de hersanering aan de hand van het raamsaneringsplan, het uitvoeringsplan en het uitvoeringsplan 2.0 is het herschikken van de AVI-slakken die in het gedeelte van het EMK-terrein liggen dat wordt gesaneerd. Dit houdt in dat het grootste gedeelte van de ter plaatse gestorte AVI-slakken wordt opgegraven en vervolgens visueel wordt geïnspecteerd op olie- en/of teerverontreinigingen. De AVI-slakken met olie- en/of teerverontreinigingen worden afgevoerd. De overige AVI-slakken worden teruggebracht in de bodem op bepaalde locaties op het EMK-terrein en weer afgedekt met een schone zandlaag.
Verzoekster, bestaande uit omwonenden en eigenaren van omliggende bedrijven, vreest voor de risico’s van de AVI-slakken voor mens, dier en milieu, omdat deze AVI-slakken zware metalen en PFAS bevatten. Volgens verzoekster zijn de AVI-slakken illegaal aanwezig in de bodem van het terrein en moeten alle AVI-slakken daarom in het kader van de hersanering permanent worden verwijderd. Verzoekster wijst er daarbij onder meer op dat voor het storten van de AVI-slakken in 1989 een vergunning is verleend op grond van de toen geldende Afvalstoffenwet en dat deze vergunning in 1999 is verlopen.
Verzoekster heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het uitvoeringsplan 2.0. Hangende deze bezwaarprocedure heeft zij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is met de uitspraak van 23 april 2024 afgewezen.Op 26 september 2023 heeft verzoekster het college verzocht om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de AVI-slakken in de bodem van het terrein.
Het college heeft het bezwaar van verzoekster tegen het uitvoeringsplan 2.0 met het besluit van 8 februari 2024 ongegrond verklaard. Het college heeft het handhavingsverzoek van 26 september 2023 met het besluit van 4 december 2023 afgewezen en is met het besluit van 2 oktober 2024 bij dat besluit gebleven.
Verzoekster heeft tegen de besluiten van 8 februari 2024 en 2 oktober 2024 beroep ingesteld bij de Afdeling. Deze beroepen zijn nog in behandeling bij de Afdeling.
Op 13 februari 2026 heeft verzoekster het college opnieuw verzocht om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de AVI-slakken in de bodem van het terrein.
Met het bestreden besluit van 29 april 2026 heeft het college dit handhavings-verzoek eveneens afgewezen. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het handhavingsverzoek een met het handhavingsverzoek van 26 september 2023 gelijk te stellen strekking heeft en dat het handhavingsverzoek van 13 februari 2026 moet worden aangemerkt als een herhaald verzoek in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet bodembescherming (Wbb) vervallen. Op grond van het overgangsrecht in artikel 11:3 van de Awb is de rechtbank vanaf 1 januari 2024 bevoegd in na dit tijdstip aanhangig gemaakte geschillen met betrekking tot bodemverontreiniging. De reden daarvoor is dat de Wbb per 1 januari 2024 is geschrapt uit artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, waarin de besluiten zijn opgenomen waartegen, in afwijking van de hoofdregel van de Awb van beroep in twee instanties, beroep in eerste en enige aanleg openstaat bij de Afdeling.
Nu het handhavingsverzoek op 13 februari 2026 is ingediend en het bestreden besluit op 29 april 2026 is genomen, is de rechtbank – en niet de Afdeling – bevoegd in dit geschil.
Nu het college zijn zetel heeft binnen het rechtsgebied van de rechtbank Den Haag, is de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van verzoekster.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich brengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op 27 juli 2026 is gestart met bodemsanering in halfase 5. Dit betreft de laatste saneringsfase en deze fase zal ongeveer drie maanden duren. Daarna is de sanering geheel afgerond. Gelet hierop heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter spoedeisend belang bij haar verzoek.
Heeft het college het handhavingsverzoek terecht op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen?
6. Het college heeft het handhavingsverzoek van 13 februari 2026 aangemerkt als een herhaald verzoek in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Volgens het college heeft verzoekster geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeld, zodat het college het handhavingsverzoek van 13 februari 2026 onder verwijzing naar het besluit op het handhavingsverzoek van 26 september 2023 heeft afgewezen. Dat betekent dat het college in het bestreden besluit niet inhoudelijk op de gronden van verzoekster is ingegaan.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beoordeling van het verzoek van verzoekster niet verder kan gaan dan de beantwoording van de vraag of het college het handhavingsverzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb mocht afwijzen.
Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag het verzoek ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afwijzen als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan in dat geval de herhaalde aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek desondanks inhoudelijk te behandelen.
Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
Is sprake van een herhaald handhavingsverzoek?
7. De voorzieningenrechter dient eerst de vraag te beantwoorden of sprake is van een herhaald handhavingsverzoek. Het moet dan gaan om een gelijk handhavingsverzoek door dezelfde aanvrager aan hetzelfde bestuursorgaan dat eerder op dezelfde rechtsgrondslag een geheel of gedeeltelijk afwijzend besluit heeft genomen. Bij een herhaald handhavingsver-zoek moet het gaan om een verzoek tot het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg als waarop het eerdere handhavingsverzoek zag.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het handhavingsverzoek van 13 februari 2026 aan te merken als een herhaald handhavingsverzoek, omdat met de handhavingsverzoeken van 13 februari 2026 en 26 september 2023 hetzelfde doel wordt nagestreefd. In beide handhavingsverzoeken wordt verzocht om op te treden tegen de onrechtmatige aanwezigheid van AVI-slakken op het EMK-terrein en om deze AVI-slakken allemaal te verwijderen. Het handhavingsverzoek van 13 februari 2026 is daarmee op hetzelfde rechtsgevolg gericht als het handhavingsverzoek van 26 september 2023. Dat de argumentatie op verschillende punten enigszins afwijkt van de argumentatie in het eerste handhavingsverzoek en dat verzoekster haar betoog met drie nieuwe stukken heeft onderbouwd, brengt geen wijziging in het beoogde rechtsgevolg teweeg.
Is sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden?
8. De voorzieningenrechter dient vervolgens de vraag te beantwoorden of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.
Verzoekster heeft de aanvraag om een afvalstoffenvergunning uit 1988, een advies van de landsadvocaat uit 1988 en een intern memo van de DCMR uit 1989 overgelegd. Volgens verzoekster leidt het samenstel van de drie nieuwe stukken ertoe dat sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden die maken dat het college niet had mogen afzien van handhavend optreden tegen de aanwezigheid van AVI-slakken. Uit de aanvraag om een afvalstoffenvergunning blijkt dat er een verschil bestaat tussen hetgeen is aangevraagd – namelijk een vergunning voor één jaar – en hetgeen is vergund – namelijk een vergunning voor tien jaar. Hieruit volgt volgens verzoekster dat de verleende afvalstoffenvergunning in afwijking van de aanvraag is verleend en dat de aanwezigheid van de AVI-slakken na het eerste jaar onrechtmatig geacht moet worden. Uit het advies van de landsadvocaat uit 1988 leidt verzoekster af dat de AVI-slakken ook toen al als chemisch afval werden beschouwd en dat de landsadvocaat heeft ontraden om deze op het terrein te storten. Tot slot voert verzoekster aan dat uit de interne memo van de DCMR uit 1989 blijkt dat de stort van de AVI-slakken al voor de vergunningverlening had plaatsgevonden.
Het college heeft zich in het bestreden besluit en in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de door verzoekster overgelegde nieuwe stukken geen blijk tonen van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat op basis van deze drie nieuwe stukken niet gesproken kan worden van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe het volgende. Ten aanzien van de aanvraag om een afvalstoffenvergunning overweegt de voorzieningenrechter dat deze vergunning formele rechtskracht heeft en dat de inhoud of strekking van de aanvraag om deze vergunning daar geen verandering in kan brengen.
Het advies van de landsadvocaat ziet naar het oordeel van de voorzieningenrechter uitsluitend op de stort van extra verontreinigde grond, die mogelijk te beschouwen is als chemisch afval. Naar voorlopig oordeel is in de tekst geen aanwijzing te vinden dat de passage over chemisch afval betrekking heeft op de AVI-slakken, aangezien deze nergens in dit advies ter sprake komen. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter ten aanzien van de interne memo van de DCMR uit 1989 dat – nog daargelaten of de stort al had plaatsgevonden voorafgaand aan de vergunningverlening – niet uit de memo blijkt dat AVI-slakken daarin als gevaarlijk dan wel chemisch afval worden beschouwd, aangezien een daartoe strekkende vermelding ontbreekt.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gesproken worden van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan het college alsnog had moeten besluiten tot handhaving over te gaan.
9. Voor zover verzoekster betoogt dat zij door de afwijzing van haar tweede handhavingsverzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb in een ‘juridisch vacuüm’ terechtkomt waarbij deze nieuwe stukken in geen enkele procedure naar voren kunnen worden gebracht, geeft de voorzieningenrechter verzoekster in overweging deze stukken ter onderbouwing van haar beroepsgronden in de procedure bij de Afdeling tegen het eerste handhavingsverzoek naar voren te brengen.
Is het bestreden besluit evident onredelijk?
10. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de Staat ter zitting heeft toegelicht dat gemonitord wordt of sprake is van stofvorming vanuit de AVI-slakken en dat hieruit blijkt dat daarvan geen sprake is. Bovendien zijn AVI-slakken ingedeeld in de laagste stuifklasse. Weliswaar kan het aanwezige zand sporadisch stuiven, maar daartegen worden maatregelen getroffen en bovendien gaat het in dat geval om schoon zand, aldus de Staat. De voorzieningenrechter zien geen aanleiding hieraan te twijfelen, nu verzoekster niet concreet heeft onderbouwd dat de aangetroffen verwaaide stoffen inderdaad afkomstig zijn van de AVI-slakken. Verder overweegt de voorzieningenrechter – met de voorzieningenrechter van de Afdeling – dat dat niet is gebleken van feitelijke belemmeringen om in de bodem teruggebrachte AVI-slakken alsnog permanent te verwijderen indien verzoekster in één van haar procedures gelijk krijgt. Ook is niet gebleken dat de teruggebrachte AVI-slakken zullen leiden tot grondwaterverontreinigingen buiten EMK-terrein. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat dit uitgebreid wordt gemonitord. In het licht van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een evident onredelijk besluit.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verwacht de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit bij de heroverweging in bezwaar stand zal houden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit niet zal schorsen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: