ECLI:NL:RBDHA:2026:23108

ECLI:NL:RBDHA:2026:23108

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer 12271178 RL EXPL 26-12625
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Loonvordering in kortgeding. Geschil over verblijf van werknemer op Bonaire tijdens ziekte. Het is voldoende aannemelijk dat werkgever terecht een loonstop heeft opgelegd op de grond dat werknemer heeft geweigerd aan te tonen dat hij gestart is met een behandeling (artikel 7:629 lid 3 sub d BW). Het is echter ook voldoende aannemelijk dat per de datum van de mondelinge behandeling in deze procedure geen grond meer bestaat voor werkgever om de loonstop te handhaven. Werkgever wordt daarom veroordeeld om per die datum de loonbetalingen te hervatten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

EiV/cd

Zaak-/rolnr.: 12271178 RL EXPL 26-12625

11 augustus 2026

Vonnis van de kantonrechter in kortgeding in de zaak van:

[eiser] , wonende te [woonplaats] ,eisende partij,

hierna: [eiser] ,gemachtigde: mr. J.C. Fritse,

tegen

De Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Dienst Vervoer en Ondersteuning),

gevestigd te Den Haag,gedaagde partij,

hierna: DV&O,gemachtigde: mr. E. Versloot.

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

de dagvaarding van 17 juli 2026 met producties 1 t/m 17;

de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 46;

de akte van [eiser] van 24 juli 2026 met aanvullende producties 18 t/m 23;

de akte van DV&O van 27 juli 2026 met aanvullende productie 47;

de pleitnota van [eiser] ;

de pleitnota van DV&O.

Op 28 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen. Namens DV&O zijn [naam 1] (operationeel directeur) en [naam 2] (HR-adviseur) verschenen. Partijen zijn bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.

Na afloop van de zitting is de procedure voor één dag aangehouden om de mogelijkheid van een schikking te onderzoeken. Partijen hebben vervolgens aan de kantonrechter laten weten vonnis te wensen. Daarop is de uitspraak van het vonnis bepaald op vandaag.

2. Feiten

[eiser] is sinds 1989 werkzaam bij DV&O. Vanaf 1 januari 2025 is hij aangesteld als [functienaam] . Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Rijk van toepassing.

Vanaf 22 april 2025 is [eiser] door DV&O uitgezonden naar de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland (JICN) te Bonaire om daar de functie van [functienaam] te vervullen. Aanvankelijk zou de uitzending duren tot 1 december 2025, maar de uitzendovereenkomst is door de JICN op 30 september 2025 vroegtijdig opgezegd tegen 1 november 2025. In de uitzendovereenkomst is opgenomen dat [eiser] gedurende de uitzending zijn arbeidsovereenkomst met DV&O behoudt en dat hij na afloop van de uitzending wordt geacht terug te keren naar zijn eigen functie in (Europees) Nederland.

[eiser] is per 3 oktober 2025 ziekgemeld. In de terugkoppeling van de bedrijfsarts van de afspraak van 24 oktober 2025 schrijft de bedrijfsarts dat er zijns inziens geen sprake is van medische beperkingen die [eiser] beletten om met DV&O in gesprek te gaan. Bij brief van de gemachtigde van [eiser] van 3 november 2025 heeft [eiser] aan DV&O laten weten het niet met deze bevinding van de bedrijfsarts eens te zijn en geen noodzaak te zien om eerder dan 1 december 2025 naar Nederland terug te keren. DV&O heeft er vervolgens mee ingestemd dat [eiser] tot 1 december 2025 op Bonaire zou blijven en heeft een gesprek met hem ingepland op 4 december 2025. Dit gesprek is een dag van tevoren door (de gemachtigde van) [eiser] afgezegd.

[eiser] heeft daarna van 8 december 2025 tot 12 januari 2026 verlof gehad. Een dag vóór het einde van het verlof heeft de gemachtigde van [eiser] aan DV&O aangekondigd een second opinion aan te gaan vragen van het advies van de bedrijfsarts, omdat volgens [eiser] de bedrijfsarts er ten onrechte van is uitgegaan dat (kort gezegd) sprake is van enkel werkgerelateerde, situationele arbeidsongeschiktheid en de medische situatie van [eiser] heeft genegeerd. Totdat een second opinion is gegeven dient de re-integratie zich volgens [eiser] te beperken tot alleen een gesprek over ‘het vuurwapenincident’ dat zich tijdens zijn uitzending zou hebben voorgedaan.

Op 12 januari 2026 heeft [eiser] telefonisch aan zijn leidinggevende laten weten dat hij is teruggekeerd naar Bonaire. Vervolgens is er op 30 januari 2026 opnieuw een afspraak geweest met de bedrijfsarts. In de terugkoppeling van die afspraak schrijft de bedrijfsarts:“- na uitleg mijnerzijds is er een dusdanige verduidelijking opgetreden dat een second opinion door u niet meer nodig geacht wordt.

- verder wordt duidelijk dat uw medische toestand helaas niet is verbeterd.

- de opgevraagde medische informatie maakt ook duidelijk dat er is opgeschaald in behandeling en dat deze gelukkig op zeer korte termijn kan plaatsvinden.

- het is belangrijk dat deze behandeling doorgang heeft omdat dit juist uw gezondheid en belastbaarheid kan verbeteren, ook al is het door omstandigheden niet mogelijk om u in Nederland te laten behandelen.

- u hebt ook aangegeven dat het conflict min of meer is opgelost en dat er enkel nog wat plooien gladgestreken moeten worden.

- u bent zoals eerder aangegeven wel in staat om met uw werkgever in dialoog te blijven, dat is niet gewijzigd.

- verder is het advies om over 4 weken op te starten met op bezoek gaan.

(…)

Op 19 maart 2026 is [eiser] fysiek op gesprek geweest bij zijn leidinggevende in Nederland. Aansluitend heeft op 20 maart 2026 een fysiek consult plaatsgevonden bij de bedrijfsarts. De bedrijfsarts schrijft in zijn terugkoppeling: “stagnatie in het herstelproces a.g.v. het nog niet gestart zijn van de behandeling alsmede de werkgerelateerde factoren.” Verder schrijft de bedrijfsarts dat hij meer medische informatie nodig heeft om te beoordelen of het aangaan van de dialoog nog altijd het meest bevorderend zal werken voor het herstel, of dat eerst middels de behandeling draagvlak moet worden gecreëerd. Verder merkt de bedrijfsarts op dat het niet aan hem is om te beoordelen waar de behandeling moet plaatsvinden.

Partijen hebben vervolgens meerdere malen met elkaar gecorrespondeerd over (de noodzaak van) het verblijf van [eiser] op Bonaire, het al dan niet gestart zijn van het behandelingstraject van [eiser] en zijn mogelijkheden om behandeling te ondergaan in Nederland, meer in het bijzonder bij zorgaanbieder HSK.

DV&O heeft bij brief van 21 mei 2026 aangekondigd de loonbetaling van [eiser] per 22 mei 2026 stop te zetten. In de brief schrijft DV&O, voor zover relevant, het volgende:

Uw cliënt stelt dat hij voor een behandeling op Bonaire geen toestemming nodig heeft van de DV&O of de bedrijfsarts. Dit standpunt wordt niet gedeeld door de DV&O omdat het verblijf/behandeling op Bonaire belemmerend kan werken voor enerzijds afspraken bij werkgever en bedrijfsarts en ook gedeeltelijke werkhervatting of het verrichten van passend werk bemoeilijkt door een verblijf aldaar. Ook het persoonlijke contact dat tijdens ziekte van belang is en waarbij de DV&O normaal gesproken gesprekken en contactmomenten fysiek laat plaatsvinden, wordt bemoeilijkt door een verblijf in het buitenland. Contactmomenten vinden nu veelal plaatst op aangepaste tijden, vaak buiten de in Nederland gebruikelijke werktijden. Daarbij is het verder op geen enkele wijze onderbouwd waarom behandeling op Bonaire zou moeten plaatsvinden.

Informatie Re-integratie/ herstel

Tijdens ons gesprek op 16 april jl. heeft uw cliënt toegezegd mee te willen werken aan het voortzetten van zijn behandeling in Nederland en de behandeling bij HSK in Nederland te willen voortzetten en zich daarvoor te zullen inspannen. Uw cliënt gaf daarbij aan terug te zullen keren naar Nederland. (…)

In mijn brief van 24 april jl. heb ik nadere onderbouwing gevraagd van het volgende:

Nadere onderbouwing dat de behandeling op Bonaire op 23 maart jl. is gestart. De bedrijfsarts gaf namelijk aan dat sprake is van stagnatie omdat de behandeling nog niet was gestart. Volgens u was de informatie van de bedrijfsarts onjuist. Daarom het verzoek om de juiste informatie hierover te verschaffen. Echter is hierop geen antwoord gegeven in uw brief van 15 mei jl. Het gaat niet om medische informatie doch alleen om de onderbouwing dat de behandeling reeds was gestart. De DV&O heeft het recht om te weten of uw cliënt alles doet om zijn herstel te bespoedigen.

Verder is verzocht om de nadere onderbouwing van de plaatsing in januari op de wachtlijst bij HSK in Nederland zoals door u aangegeven. Ook deze informatie is niet verstrekt en ook geen andere informatie waaruit blijkt dat uw cliënt zich heeft ingespannen voor een behandeling bij HSK in Nederland.

In de visie van de DV&O is de gevraagde informatie van belang om te kunnen bepalen of uw cliënt meewerkt aan zijn herstel en re-integratie en er geen sprake is van vertraging of belemmeringen ten aanzien hiervan.

Nu deze informatie niet wordt verstrekt, terwijl hiervoor een ruime termijn is gegeven, en uw cliënt gewaarschuwd is voor de gevolgen hiervan, zal de loonbetaling met ingang van vrijdag 22 mei as worden gestopt op grond van artikel 7:629 lid 3 sub b en d tot het moment dat de gevraagde informatie wel wordt verstrekt en beoordeeld kan worden of uw cliënt voldoende meewerkt aan zijn re-integratie en herstel.

Daarbij is nog het volgende van belang. Zoals in ons gesprek van de 16 april jl. is besproken zou ook de DV&O inspanningen doen om te zorgen dat de behandeling op korte termijn in Nederland kon worden overgenomen. Zij heeft contact opgenomen met HSK en daaruit is naar voren gekomen dat er geen aanmelding van uw cliënt in januari van dit jaar bekend is.

Daarnaast heeft HSK de DV&O schriftelijk bericht (zie bijlage) dat zij de aanvraag van de DV&O niet in behandeling neemt en annuleert, omdat uw cliënt niet verblijft in Nederland en daarnaast te kennen heeft gegeven ook niet te willen terugkeren naar Nederland. Deze informatie strookt niet met hetgeen uw cliënt in het gesprek van 15 april jl. heeft aangegeven, namelijk dat hij zou meewerken aan een behandeling in Nederland, en hetgeen u stelt in uw brief van 15 mei jl. dat uw cliënt zou wachten op een intake. Het niet willen meewerken aan een behandeling in Nederland terwijl dit wel mogelijk is (er is geen medische of andere noodzaak tot de behandeling op Bonaire) levert tevens een grond op voor de DV&O om de loonbetaling op grond 7: 629 lid 3 sub b en d BW te staken. Ook hiervoor geldt dat op het moment dat uw cliënt concreet onderbouwt dat hij wel meewerkt aan het overzetten van zijn behandeling naar Nederland, de loonbetaling zal worden hervat. De vraag is verder in hoeverre het niet terugkeren van uw cliënt naar Nederland zich verhoudt tot het invulling geven aan zijn arbeidsovereenkomst.

Voor wat betreft het mogelijk niet kunnen reizen naar de afspraken op 28 mei as bij de leidinggevende en op 29 mei as bij de bedrijfsarts, is het volgende van belang. Door u is nadrukkelijk en meerdere malen gesteld dat het verblijf op Bonaire geen invloed zal hebben op zijn re-integratieverplichtingen. Nu geeft u ook aan dat uw cliënt momenteel een medische beperking heeft waardoor hij mogelijk niet in staat is de fysieke afspraken bij te wonen. U stelt dat als hij in Nederland zijn verblijf had gehad, hij ook niet in staat was geweest om de fysieke afspraak bij te wonen. De vergelijking gaat in de visie van de DV&O niet op want in Nederland had uw cliënt slechts een korte afstand met auto, ov of taxi te overbruggen naar een afspraak en vanaf Bonaire dient hij eerst een lange vliegreis te maken. Daarnaast had de leidinggevende uw cliënt, als hij in Nederland was gebleven, zelf kunnen opzoeken. Dit is binnen de DV&O niet ongebruikelijk.

Los daarvan is duidelijk aan uw cliënt gecommuniceerd dat het niet kunnen reizen om wat voor een reden dan ook, voor zijn rekening en risico komt.

De DV&O is van mening dat het fysiek aanwezig zijn bij de bedrijfsarts en op de afspraak bij de leidinggevende kunnen worden beoordeeld als redelijke re-integratievoorschriften en dat als uw cliënt hieraan niet voldoet, dit ook een grond oplevert voor het stopzetten van de loonbetaling. Niet is in te zien dat zij met dit verzoek handelt in strijd met goed werkgeverschap. (…)

Per e-mail van 11 juni 2026 heeft DV&O aan [eiser] bericht dat de loonbetalingen met ingang van 28 mei 2026 ook zijn stopgezet wegens het niet fysiek verschijnen van [eiser] op zijn afspraak met de bedrijfsarts en zijn leidinggevende die dag.

[eiser] staat sinds juni 2025 ingeschreven bij de gemeente Bonaire. Hij heeft op 14 september 2026 een afspraak bij de gemeente Bonaire om zich weer te laten uitschrijven.

3. Het geschil

[eiser] vordert dat de kantonrechter, bij wijze van voorlopige voorziening en uitvoerbaar bij voorraad, DV&O veroordeelt tot betaling van:

het loon van € 5.212,93 bruto per maand, vermeerderd met IKB-budget en overige emolumenten, vanaf 22 mei 2026 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het voornoemde vanaf 22 mei 2026;

de wettelijke rente over het voornoemde vanaf 22 mei 2026;

de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf twee weken na betekening van dit vonnis;

en met veroordeling van DV&O om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een deugdelijke bruto/netto loonspecificatie te verstrekken.

DV&O concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen, althans afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. DV&O heeft op de zitting haar eis in reconventie ingetrokken.

4. Beoordeling

[eiser] is in zijn vorderingen ontvankelijk

[eiser] kan in kortgeding slechts in zijn vorderingen worden ontvangen indien hij daarbij een spoedeisend belang heeft. De vorderingen van [eiser] hebben betrekking op doorbetaling van het loon, waarvan hij afhankelijk is voor zijn levensonderhoud. Een spoedeisend belang is daarmee aanwezig.

DV&O voert als meest verstrekkende verweer aan dat [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze betrekking hebben op loondoorbetaling bij ziekte, terwijl hij geen deskundigenverklaring van het UWV heeft overgelegd zoals voorgeschreven in artikel 7:629a BW. Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2018 volgt echter dat de in artikel 7:629a BW opgenomen eis niet geldt in kortgeding, maar dat het in kortgeding aan de rechter is overgelaten om te bepalen of het overleggen van een deskundigenverklaring wenselijk is. In dit geval is tussen de eerste aankondiging van de loonstop (22 mei 2026) en de dagvaarding (17 juli 2026) een periode van minder dan twee maanden verstreken. Het is onwaarschijnlijk dat [eiser] in zo korte tijd een deskundigenverklaring van het UWV had kunnen verkrijgen. De spoedeisendheid van de loonvordering verzet zich er verder tegen dat een deskundigenverklaring alsnog wordt afgewacht. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] daarom inhoudelijk beoordelen.

Het niet verrichten van de arbeid komt niet voor eigen rekening van [eiser]

DV&O voert inhoudelijk primair aan dat, los van de op 21 mei en 11 juni 2026 opgelegde loonstop, [eiser] geen aanspraak kan maken op betaling van zijn loon, omdat het niet verrichten van de arbeid in redelijkheid voor zijn rekening behoort te komen, zoals bedoeld in artikel 7:628 BW. Volgens DV&O volgt dit uit het feit dat [eiser] zonder overleg blijvend is verhuisd naar Bonaire, terwijl de bedongen arbeid plaats moet vinden in Nederland, zeker nu zijn uitzending naar Bonaire is beëindigd. Volgens DV&O is de uitvoering van de arbeidsovereenkomst daarmee door toedoen van [eiser] feitelijk onmogelijk geworden. [eiser] betwist dat hij blijvend is verhuisd naar Bonaire en stelt zich op het standpunt dat hij zijn arbeid niet kan uitvoeren als gevolg van arbeidsongeschiktheid en dat daarbij niet relevant is waar hij is ingeschreven.

Het staat niet ter discussie dat [eiser] sinds 3 oktober 2025 volledig arbeidsongeschikt is. Het niet verrichten van de arbeid door [eiser] staat dus los van zijn verblijf op Bonaire, in die zin dat hij als gevolg van arbeidsongeschiktheid hoe dan ook niet in staat is om de arbeid te verrichten. DV&O voert aan dat [eiser] al in april 2025 zijn woning in Nederland heeft verkocht en hij zich in juni 2025 op Bonaire heeft laten inschrijven, zodat volgens DV&O de definitieve verhuizing van [eiser] uit Nederland eerder heeft plaatsgevonden dan zijn ziekmelding en het niet verrichten van de arbeid om die reden voor zijn rekening komt. [eiser] heeft hierover op de zitting verklaard dat zijn oorspronkelijke plan was om na de uitzending aan JICN op Bonaire een sabbatical te nemen, zodat hij verwachtte gedurende langere periode op Bonaire te kunnen verblijven. DV&O heeft niet weersproken dat [eiser] voorafgaand aan zijn uitzending met zijn leidinggevende de mogelijkheid van een dergelijke sabbatical heeft besproken, maar dat daarover geen bindende afspraken waren gemaakt. In dit kortgeding is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] reeds sinds april 2025 het voornemen heeft gehad om definitief niet meer naar Nederland terug te keren. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de primaire oorzaak van het niet verrichten van de arbeid is gelegen in de arbeidsongeschiktheid van [eiser] en niet in zijn verblijf of inschrijving op Bonaire. De kantonrechter verwerpt daarom het standpunt van DV&O dat [eiser] op grond van artikel 7:628 BW geen recht zou hebben op loon.

Voldoende aannemelijk dat de loonstop per 22 mei 2026 terecht is opgelegd

DV&O stelt zich op het standpunt dat de loonstop die zij per 22 mei 2026 aan [eiser] heeft opgelegd en op 11 juni 2026 – op aanvullende gronden – heeft herbevestigd, terecht is opgelegd. Blijkens de brief van 21 mei en de e-mail van 11 juni 2026 legt DV&O aan de loonstop ten grondslag dat [eiser] artikel 7:629 lid 3 sub b en d BW heeft geschonden door:

niet te onderbouwen dat hij op 23 maart 2026 is gestart met een behandeling op Bonaire;

niet te onderbouwen dat hij in januari 2026 op de wachtlijst van zorgaanbieder HSK is geplaatst voor behandeling in Nederland, althans door onvoldoende mee te werken aan het overzetten van zijn behandeling naar Nederland, en;

door op 28 en 29 mei 2026 niet fysiek te verschijnen bij zijn afspraken met respectievelijk zijn leidinggevende en de bedrijfsarts.

In artikel 7:629 lid 3 sub b en d BW is bepaald dat de werknemer geen recht heeft op loondoorbetaling bij ziekte voor de tijd gedurende welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd (sub b), of voor de tijd gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan redelijke voorschriften die erop gericht zijn om hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten (sub d). In lid 7 van artikel 7:629 BW is verder bepaald dat de werkgever geen beroep meer kan doen op enige grond het loon niet te betalen indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen. Daaruit volgt dat de kantonrechter zich voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de loonstop moet beperken tot hetgeen DV&O in haar brief en e-mail aan [eiser] aan de loonstop ten grondslag heeft gelegd. Verder geldt dat in kortgeding geen plaats is voor een uitgebreid feitenonderzoek, zodat het beroep op de loonstop slechts kan worden gehonoreerd indien aan de hand van hetgeen in deze kortgedingprocedure aan de orde is geweest in voldoende mate waarschijnlijk is dat dit ook in een bodemprocedure in gelijke zin zal worden beslist.

De bedrijfsarts heeft in zijn terugkoppeling van het consult van 20 maart 2026 geschreven dat het herstelproces van [eiser] is gestagneerd als gevolg van het nog niet gestart zijn van een behandeling. In het licht van deze terugkoppeling is het redelijk dat DV&O aan [eiser] heeft gevraagd om te onderbouwen dat hij al aan een behandeling is begonnen, zoals hij eerder in zijn correspondentie aan DV&O heeft verteld. [eiser] stelt dat de bedrijfsarts op het moment van het consult wist dat hij al aan een behandeling was begonnen en dat de terugkoppeling van de bedrijfsarts daarom onjuist is, maar [eiser] onderbouwt dat niet, zodat de kantonrechter dat niet kan vaststellen en voor nadere bewijslevering op dit punt is in kortgeding geen plaats. De kantonrechter verwerpt ook de stelling van [eiser] dat DV&O hem om gevoelige medische informatie zou hebben gevraagd, die zij als werkgever niet behoort te weten. Uit de correspondentie blijkt dat DV&O aan [eiser] heeft gevraagd om aan te tonen dat hij met een behandeling is begonnen en niet welke behandeling hij ondergaat of om welke reden. De kantonrechter acht dit verzoek van DV&O dan ook een redelijk voorschrift in de zin van artikel 7:629 lid 3 sub d BW, zeker ook gelet op de omstandigheid dat [eiser] reeds sinds 3 oktober 2025 arbeidsongeschikt is.

Verder staat vast dat [eiser] voorafgaand aan deze procedure richting DV&O niet, dan wel afwijzend op dat verzoek heeft gereageerd en pas bij dagvaarding de verzochte onderbouwing heeft aangeleverd middels een overzicht van zijn afspraken bij Mental Health Caribbean. Daarmee acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de door DV&O opgelegde loonstop in een bodemprocedure in ieder geval stand zal houden op de grond dat [eiser] tot aan het overleggen van dat overzicht niet heeft voldaan aan een redelijk voorschrift van DV&O in de zin van artikel 7:629 lid 3 sub d BW.

Ook voldoende aannemelijk dat de loonstop weer moet worden opgeheven

Het voorgaande laat onverlet dat [eiser] het bedoelde overzicht dus bij zijn dagvaarding heeft overgelegd, zodat de loonstop inmiddels niet meer op deze grond door DV&O kan worden gehandhaafd. Voorts volgt uit het overgelegde overzicht dat [eiser] in ieder geval sinds 9 maart 2026 een behandeling ondergaat, zodat de loonstop ook geen stand kan houden op de grond dat hij zijn genezing zou belemmeren door na te laten een behandeling te ondergaan.

DV&O heeft aangegeven de loonstop verder te willen handhaven totdat [eiser] bewijs overlegd dat hij sinds januari 2026 op de wachtlijst staat voor een behandeling bij HSK in Nederland, althans tot hij meewerkt aan voortzetting van zijn behandeling in Nederland. [eiser] heeft op de zitting toegelicht dat hij in januari 2026 telefonisch contact heeft gehad met HSK, waaruit bleek dat hij een huisartsverwijzing nodig heeft om zich op de wachtlijst te laten plaatsen. Uit de door [eiser] overgelegde nadere producties van 24 juli 2026 blijkt dat hij die verwijzing inmiddels heeft gekregen en dat hij per e-mail van 2 juli 2026 akkoord heeft gegeven op een door HSK verstrekte offerte en heeft gevraagd hem in te plannen voor een intakegesprek. Gelet hierop valt niet in te zien welke informatie DV&O – na deze toelichting ter zitting – redelijkerwijs nog meer van [eiser] kan verlangen betreffende een eventuele behandeling bij HSK. In het licht van de overgelegde correspondentie tussen [eiser] en HSK is door DV&O ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] de overzetting van zijn behandeling naar Nederland op dit moment bewust frustreert. De loonstop kan daarom niet op deze gronden gehandhaafd blijven. Daarmee kan de vraag of DV&O als werkgever redelijkerwijs mag voorschrijven dat behandeling in Nederland dient plaats te vinden verder onbeantwoord blijven.

Ten aanzien van het niet fysiek verschijnen van [eiser] op de afspraken bij de leidinggevende en de bedrijfsarts van 28 en 29 mei 2026 geldt verder het volgende. [eiser] is in deze procedure fysiek verschenen op de mondelinge behandeling van 28 juli 2026. Hij is dus in ieder geval sindsdien medisch in staat om naar Nederland af te reizen. Op de zitting heeft [eiser] aangegeven een nieuwe datum voor een afspraak bij de bedrijfsarts en/of zijn leidinggevende af te wachten. Nu daarom niet is gebleken dat [eiser] (op dit moment) weigert om fysiek op een afspraak bij de bedrijfsarts of leidinggevende te verschijnen, kan de loonstop ook op die grond niet in stand worden gelaten.

Conclusie

De slotsom van de voorgaande overwegingen is dat voldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat DV&O de loonstop per 22 mei 2026 terecht aan [eiser] heeft opgelegd, in ieder geval op de grond dat hij zonder deugdelijke grond heeft geweigerd te voldoen aan het verzoek van DV&O om aan te tonen dat hij gestart is met een behandeling. Verder is echter ook voldoende aannemelijk geworden dat per de datum van de mondelinge behandeling van 28 juli 2026 geen grond meer bestaat voor DV&O om de opgelegde loonstop te handhaven. De kantonrechter zal daarom de vordering slechts toewijzen voor zover deze betrekking heeft op het loon over de periode vanaf 28 juli 2026.

Kosten

Nu niet is gesteld of gebleken dat DV&O op dit moment achterstallig is met het betalen van het loon over de periode vanaf 28 juli 2026, worden de vorderingen met betrekking tot de wettelijke rente en wettelijke verhoging afgewezen. Ook bestaat geen aanleiding om DV&O reeds te veroordelen tot verstrekking van een bruto/netto-specificatie over dit loon.

De kantonrechter zal de proceskosten compenseren, gelet op de tussen partijen bestaande arbeidsverhouding – die ook na dit vonnis blijft bestaan – en het feit dat partijen in deze procedure over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld. De kantonrechter zal de veroordeling tot loondoorbetaling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het gaat om het levensonderhoud van [eiser] en daartoe niet de uitkomst van een nog te voeren bodemprocedure kan worden afgewacht.

5. Beslissing

De kantonrechter in kortgeding:

veroordeelt DV&O om aan [eiser] te betalen het loon van € 5.212,93 bruto per maand plus IKB-budget en emolumenten vanaf 28 juli 2026 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordeling onder rechtsoverweging 5.1 in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand