RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
Zaak- / rolnummer: C/09/706225 / KG ZA 26-578
Vonnis in kort geding van 14 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. M. Bootsma,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde]
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12;
- het door [gedaagde] overgelegde schriftelijke verweer;
- de door [eiseres] overgelegde producties 13 tot en met 15;
- de op 30 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de advocaat van [eiseres] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
[eiseres] en [gedaagde] hebben vanaf 1999 een affectieve relatie gehad.
Op 30 augustus 2010 zijn [eiseres] en [gedaagde] gezamenlijk, ieder voor de helft, eigenaar geworden van de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). Ze zijn in verband met de financiering van de koopprijs voor de woning een hypothecaire geldlening aangegaan. Partijen woonden samen in de woning.
[eiseres] en [gedaagde] hebben in 2024 besloten de relatie en de samenleving te beëindigen. In april 2024 is [eiseres] verhuisd uit de woning.
[eiseres] en [gedaagde] hebben afgesproken dat de woning wordt verkocht aan een derde. Op 26 november 2024 hebben ze een verkoopopdracht voor de woning verstrekt aan [makelaar] te [plaats] (hierna: de makelaar).
De woning is in januari 2025 te koop gezet voor een vraagprijs van € 835.000,-. In september 2025 is de woning opnieuw te koop aangeboden voor een vraagprijs van € 850.000,-. De woning is nog niet verkocht.
[gedaagde] woont nog in de woning met de (meerderjarige) zoon van partijen.
3. Het geschil
[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:
I. bepaalt dat aan de oorspronkelijke verkoopopdracht aan de makelaar wordt toegevoegd dat de makelaar de vraag en laatprijs bepaalt;
II. bepaalt dat als [gedaagde] binnen één week na betekening van dit vonnis niet meewerkt aan voornoemde uitbreiding van de verkoopopdracht, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van [gedaagde] benodigd voor die rechtshandeling;
III. [gedaagde] veroordeelt om op eerste verzoek van de makelaar al datgene te doen of na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht van de woning te komen en om zijn medewerking te verlenen aan en toegang tot de woning te verschaffen voor bezichtigingen door de makelaar en potentiële kopers en te bepalen dat [gedaagde] een dwangsom van € 500,- verbeurt, voor iedere keer dat hij na betekening van dit vonnis hieraan niet zijn medewerking verleent;
IV. [gedaagde] veroordeelt om op eerste verzoek van de makelaar mee te werken aan de totstandkoming en ondertekening van de verkoopovereenkomst van de woning voor zover die verkoopovereenkomst een verkoopprijs vermeldt die in ieder geval gelegen is tussen de vraag- en de laatprijs en zowel [gedaagde] als [eiseres] akkoord zijn met deze prijs, dan wel [eiseres] akkoord is met deze prijs en de makelaar heeft verklaard dat deze prijs marktconform is;
V. bepaalt dat als [gedaagde] niet op eerste verzoek van de makelaar zijn medewerking verleent dit vonnis op de voet van artikel 3: 300 lid 2 BW in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van [gedaagde] benodigd voor het tot stand komen van de koopovereenkomst;
VI. [gedaagde] veroordeelt om op eerste verzoek van de notaris mee te werken aan de levering van de woning aan de toekomstige koper(s);
VII. bepaalt dat als [gedaagde] niet op eerste verzoek van de notaris aan de levering van de woning zijn medewerking verleent, dit vonnis op de voet van artikel 3: 300 lid 2 BW in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van [gedaagde] benodigd voor de notariële levering van de woning aan de koper(s);
VIII. bepaalt dat de helft van alle met de verkoop samenhangende kosten (eventueel verder verkoop klaarmaken van de woning, kosten makelaar, kosten notaris) voor rekening van [gedaagde] komen.
[eiseres] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiseres] wil dat de woning zo snel mogelijk wordt verkocht en vindt dat [gedaagde] daar niet voldoende aan meewerkt. Ze woont niet meer in de woning, maar is wel nog aansprakelijk voor de hypotheekschuld. De situatie heeft voor haar negatieve financiële consequenties. Haar aandeel in de gezamenlijke woning valt (inmiddels) in box 3. Zij moet daar dus vermogensbelasting over betalen. Daarnaast heeft [eiseres] in verband met de aankoop van haar nieuwe woning een schuld aan haar ouders waarover ze rente moet betalen. Die schuld kan ze aflossen bij verkoop van de woning. De verkoop van de woning is het laatste deel van het einde van de relatie met [gedaagde] dat nog moet worden afgewikkeld. Het voortduren van deze situatie veroorzaakt spanning en stress. [eiseres] wil dit hoofdstuk graag sluiten, maar het ingezette verkooptraject leidt niet tot resultaat. Daarom wil [eiseres] dat het advies van de makelaar wordt gevolgd en dat de vraagprijs wordt verlaagd. Haar verwachting, en die van de makelaar, is dat daardoor alsnog een koper voor de woning zal worden gevonden. Partijen zijn in een impasse geraakt omdat zij het niet eens worden over (het vervolg van) het verkooptraject.
[gedaagde] betoogt dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Inleiding
Deze zaak gaat over de verkoop van de gezamenlijke woning van [eiseres] en [gedaagde] . Ze zijn het met elkaar eens dat de woning moet worden verkocht, maar verschillen van mening over de manier waarop de woning te koop moet worden aangeboden en hoeveel tijd daar nog voor wordt genomen.
Het gaat om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat het voldoende aannemelijk is dat de vordering in een gewone procedure (een bodemprocedure) wordt toegewezen. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vorderingen. [eiseres] heeft voldoende toegelicht dat hoe langer de verkoop duurt, hoe meer negatieve financiële en persoonlijke gevolgen zij daarvan ondervindt (zoals toegelicht in paragraaf 3.2 van dit vonnis). De uitkomst van een gewone procedure (een bodemprocedure) kan zij dus redelijkerwijs niet afwachten.
Uitgangspunt: woning moet worden verkocht
De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen niet zijn gehouden om in een onverdeelde (eenvoudige) gemeenschap te blijven (waar in dit geval sprake van is). Dit betekent dat het uitgangspunt is dat de woning op korte termijn moet worden verkocht. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken als [gedaagde] een zwaarwegend belang heeft om de verkoop uit te stellen.
[gedaagde] voert in dat verband aan dat hij belang heeft bij het uitstellen van de verkoop omdat (i) zo naar zijn idee een hogere verkoopopbrengst kan worden gerealiseerd en (ii) hij en de (meerderjarige) zoon van partijen nog in de woning wonen en het niet makkelijk zal zijn om een nieuwe woning te vinden. Deze belangen worden hierna besproken.
Mogelijk hogere verkoopopbrengst is niet aannemelijk
[gedaagde] stelt voor om de woning deze zomer van de markt te halen, omdat in de zomerperiode minder huizen worden verkocht. Die tijd kan volgens [gedaagde] worden gebruikt om voor een relatief klein bedrag de woning te verbeteren. Vervolgens kan de woning na de zomer opnieuw te koop worden aangeboden voor een vraagprijs van € 850.000,-. Als de woning dan niet wordt verkocht, kan de vraagprijs stapsgewijs worden verlaagd totdat een koper is gevonden.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] in deze procedure echter niet aannemelijk gemaakt dat deze verkoopstrategie op afzienbare termijn tot verkoop zal leiden.
De makelaar adviseert namelijk dat een groot deel van de door [gedaagde] voorgestelde werkzaamheden (zoals schilderwerk, vloer opknappen en verbeteren badkamer) vraagt om aanzienlijke investeringen die zich niet altijd volledig terugverdienen bij verkoop. Kleine verbeteringen (zoals het verhelpen van kleine gebreken, opruimen en schoonmaken) kunnen bijdragen aan een betere eerste indruk en een positievere beleving tijdens bezichtigingen, maar kunnen de gebrekkige onderhoudsstaat niet compenseren. De voorzieningenrechter merkt op dat deze kleine verbeteringen sowieso kunnen worden uitgevoerd als partijen dat willen om de verkoopkansen te vergroten, maar dit moet het verkoopproces niet verder vertragen.
De woning staat bovendien al sinds september 2025 te koop voor de door [gedaagde] gewenste verkoopprijs (van € 850.000,-). Dat heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid. Er is één bod uitgebracht van € 795.000,- Dat was ruim onder de vraagprijs. De makelaar heeft bovendien geschreven dat het risico van het stapsgewijs verlagen van de vraagprijs (zoals [gedaagde] voorstelt) is dat de woning langdurig op de markt blijft staan en dat dit een negatief effect kan hebben op de onderhandelingspositie. De makelaar adviseert dus om de vraagprijs in één keer te verlagen. Hij wijst op een vergelijkbaar huis dat ook sterk in prijs was verlaagd tot € 795.000,- en toen gelijk is verkocht voor die vraagprijs.
Andere belangen wegen ook niet op tegen verkoop op korte termijn
Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij er belang bij heeft om de verkoop nog even uit te stellen. Als (startende) ondernemer zal het voor hem namelijk moeilijker zijn om een nieuwe hypotheek en een nieuwe woning te vinden. Bovendien woont de meerderjarige zoon van partijen bij [gedaagde] , en zal hij waarschijnlijk niet in een nieuwe woning van [gedaagde] kunnen wonen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wegen ook deze belangen niet op tegen het belang van [eiseres] om de woning (op korte termijn) te verkopen. Partijen hebben na het eindigen van de relatie afgesproken om de woning te verkopen aan een derde. Dat [gedaagde] en de (meerderjarige) zoon van partijen als gevolg daarvan moeten verhuizen, is dus inherent aan die afspraak en was van meet af aan de bedoeling. De woning staat sinds januari 2025 te koop en [gedaagde] had (in ieder geval) vanaf toen op zoek kunnen gaan naar een andere woonruimte. Niet is gebleken dat [gedaagde] daartoe initiatief heeft genomen en ook niet is gebleken dat [gedaagde] geen woonruimte zou kunnen vinden. Dat het lastig kan zijn om een woonruimte te vinden, is in deze situatie niet voldoende zwaarwegend om de verkoop langer uit te stellen. Voor de zoon van partijen geldt dat [eiseres] heeft aangeboden dat hij bij haar kan wonen, als hij niet op kamers gaat.
Conclusie
[gedaagde] kan niet van [eiseres] verlangen dat de verkoop van de woning langer wordt uitgesteld. Zijn belangen bij uitstel wegen niet op tegen haar belangen bij snellere verkoop. Omdat het ingezette verkooptraject met de huidige vraagprijs nog niet tot resultaat heeft geleid, ligt het voor de hand dat het advies van de makelaar wordt gevolgd en de vraagprijs wordt verlaagd.
Veroordeling tot meewerken verkopen woning
De vorderingen van [eiseres] die inhouden dat de woning spoedig wordt verkocht en dat [gedaagde] zijn medewerking daaraan moet verlenen, worden toegewezen. Ter toelichting geldt het volgende.
Ten eerste wordt [gedaagde] veroordeeld om medewerking te verlenen aan het aan de verkoopopdracht aan de makelaar toevoegen dat de makelaar de vraagprijs en laatprijs voor de woning bepaalt. [gedaagde] betoogt dat de makelaar te veel de kant kiest van [eiseres] en dat misschien ook een nieuwe makelaar kan worden ingeschakeld of om een ‘second opinion’ kan worden gevraagd. Deze stelling heeft [gedaagde] echter niet onderbouwd. [gedaagde] heeft bijvoorbeeld geen advies van een andere makelaar overgelegd waaruit blijkt dat het advies van de huidige makelaar niet juist is. Ook is niet gebleken dat de door partijen ingeschakelde makelaar niet deskundig is. Partijen hebben gezamenlijk belang bij een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst. Er is dus geen reden om het advies van de makelaar in twijfel te trekken. Partijen hebben deze makelaar – in gezamenlijk overleg – al een verkoopopdracht verstrekt en de voorzieningenrechter ziet geen reden om nu een andere makelaar in te schakelen. Dat leidt alleen maar tot verdere vertraging.
Ten tweede wordt [gedaagde] veroordeeld om medewerking te verlenen aan bezichtigingen van de woning door de makelaar en potentiële kopers. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om deze veroordeling te versterken met een dwangsom als stimulans tot nakoming ervan, zoals gevorderd door [eiseres] . Deze dwangsom zal worden gemaximeerd tot het in de beslissing genoemde bedrag.
Ten derde wordt [gedaagde] veroordeeld om mee te werken aan de totstandkoming en ondertekening van de verkoopovereenkomst van de woning voor zover die verkoopovereenkomst een verkoopprijs vermeldt die in ieder geval gelegen is tussen de vraag- en de laatprijs en beide partijen akkoord zijn met deze prijs, dan wel [eiseres] akkoord is met deze prijs en de makelaar heeft verklaard dat deze prijs marktconform is.
Ten vierde wordt [gedaagde] veroordeeld om mee te werken aan de levering van de woning.
Daarbij wordt bepaald dat dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de verkoopopdracht, de schriftelijke koopovereenkomst en/of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] dat hij opdracht geeft aan het door de makelaar bepalen van de vraag- en laatprijs, de woning (mede) verkoopt respectievelijk (mede) levert aan de koper(s).
Ten slotte zal worden bepaald dat de helft van alle met de verkoop samenhangende kosten voor rekening van [gedaagde] komen. Dat is een gebruikelijke afspraak en [gedaagde] heeft er geen bezwaar tegen gemaakt.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de uitspraak meteen kan worden uitgevoerd, ook als hoger beroep wordt ingesteld. Bij uitvoerbaarverklaring op de minuut (het originele exemplaar van de uitspraak) heeft [eiseres] geen belang omdat van dit vonnis een grosse (een gewaarmerkte kopie) wordt verstrekt. Ook het verzoek om uitvoerbaarverklaring op alle dagen en uren wordt afgewezen, omdat voor toewijzing van dat verzoek onvoldoende is gesteld.
Proceskosten
De voorzieningenrechter zal bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt omdat [eiseres] en [gedaagde] een affectieve relatie hebben gehad. Partijen hebben ook niet om een veroordeling van de andere partij in de proceskosten gevraagd.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] om medewerking te verlenen aan het aan de verkoopopdracht aan de makelaar toevoegen dat de makelaar de vraagprijs en laatprijs voor de woning bepaalt;
bepaalt dat als [gedaagde] binnen één week na betekening van dit vonnis niet meewerkt aan voornoemde uitbreiding van de verkoopopdracht, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van verkoopopdracht waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] benodigd voor die rechtshandeling;
veroordeelt [gedaagde] om op eerste verzoek van de makelaar al datgene te doen of na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht van de woning te komen;
veroordeelt [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan en toegang tot de woning te verschaffen voor bezichtigingen door de makelaar en potentiële kopers en bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verschuldigd is van € 500,- voor iedere keer dat hij na betekening van dit vonnis hieraan niet zijn medewerking verleent, met een maximum van € 10.000;
veroordeelt [gedaagde] om op eerste verzoek van de makelaar mee te werken aan de totstandkoming en ondertekening van de verkoopovereenkomst van de woning voor zover die verkoopovereenkomst een verkoopprijs vermeldt die in ieder geval gelegen is tussen de vraag- en de laatprijs en zowel [gedaagde] en [eiseres] akkoord zijn met deze prijs, dan wel [eiseres] akkoord is met deze prijs en de makelaar heeft verklaard dat deze prijs marktconform is;
bepaalt dat als [gedaagde] niet op eerste verzoek van de makelaar zijn medewerking verleent dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van verkoopovereenkomst waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] benodigd voor het tot stand komen van de verkoopovereenkomst;
veroordeelt [gedaagde] om op eerste verzoek van de notaris mee te werken aan de levering van de woning aan de toekomstige koper(s);
bepaalt dat als [gedaagde] niet op eerste verzoek van de notaris aan de levering van de woning zijn medewerking verleent, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van notariële leveringsakte waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] benodigd voor de notariële levering van de woning aan de koper(s);
bepaalt dat de helft van alle met de verkoop samenhangende kosten voor rekening van [gedaagde] komen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
3557