RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37183
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
3. Bij besluit van 9 september 2024 heeft de minister deze opvolgende asielaanvraag afgewezen kennelijk ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem heeft op 18 november 2024 het door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 27 november 2024 heeft de minister de asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen heeft het door eiser ingestelde beroep tegen dit besluit op 4 februari 2025 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
5. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 de opvolgende asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Malwand-Baraki als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas en het bestreden besluit
6. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat zijn broers werkzaam waren bij het leger van het regime, voordat de Taliban aan de macht kwam in Afghanistan. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij niet langer gelooft in de Islam. Eiser heeft verklaard dat hij in Nederland gewend is aan een westerse levensstijl en alcohol en drugs gebruikt.
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst,
- de problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van eisers broers,
- de afvalligheid van de Islam,
- de levensstijl van eiser.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van eisers broers en de afvalligheid van de islam, vindt de minister niet geloofwaardig. Eisers verklaringen over deze asielmotieven, vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister vindt de levensstijl van eiser wel geloofwaardig. De minister volgt dat eiser in Nederland alcohol en softdrugs gebruikt.
Ten aanzien van de geloofwaardig bevonden asielmotieven heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook de door eiser gestelde vrees voor vervolging vanwege toegedichte afvalligheid volgt de minister niet. Nu eisers afvalligheid niet geloofwaardig is, mag er van eiser worden verwacht dat hij zich bij terugkeer naar Afghanistan houdt aan de geldende regels. Verder blijkt uit eisers verklaringen niet, dat eiser zijn gestelde afvalligheid uit. Daarmee acht de minister het niet aannemelijk dat hij in Afghanistan gezien zal worden als afvallige.
De minister heeft zich ook op het standpunt gesteld dat eiser ook geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Enkel verblijf in het westen is onvoldoende om te spreken van een terugkeerrisico. Eiser heeft geen andere geloofwaardige persoonlijke omstandigheden aangedragen die maken dat dat hij wel risico loopt bij terugkeer. Dat eiser een beroep doet op de humanitaire situatie in Afghanistan, maakt dit niet anders. Dit leidt niet tot een vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming. De minister heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het tweede asielmotief: de problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van de broers Het standpunt van eiser
8. Eiser stelt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat het niet geloofwaardig is dat eiser te vrezen heeft als gevolg van de werkzaamheden van zijn broers. Eiser stelt dat het niet tegenstrijdig is dat hij soms heeft verklaard dat zijn broers bij de politie en op een ander moment verklaarde dat zij bij het leger werkten. Eiser heeft hierover benadrukt dat de Afghaanse nationale politie deel uitmaakt van de Afghaanse strijdkrachten. Eiser heeft een brief overgelegd waarin één van de broers uitleg geeft over zijn werkzaamheden. Als hieraan geen waarde kan worden gehecht, dan is het voor eiser onmogelijk om meer (objectieve) informatie te verstrekken over de werkzaamheden van zijn broers. Eiser is van mening dat hij met de overgelegde documenten voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn broers in de jaren voordat de Taliban opnieuw de macht kreeg, voor de politie en het leger hebben gewerkt. Ook wijst eiser op de algemene informatie waaruit blijkt dat mensen die voor de politie en het leger hebben gewerkt in Afghanistan niet veilig zijn en dat dit ook geldt voor hun familie. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een document van Vluchtelingenwerk overgelegd van 27 februari 2026.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst allereest op de eerdere uitspraak van de rechtbank van 18 november 2024. Daarin heeft de rechtbank opgemerkt dat eiser alleen kopieën van documenten heeft overgelegd en foto’s, de rechtbank heeft hierover geoordeeld dat de minister dit onvoldoende heeft kunnen vinden om aan te nemen dat de broers van eiser werkzaamheden hebben verricht voor het vorige regime. Omdat er geen authentieke documenten zijn overgelegd, heeft de minister alleen kunnen uitgaan van de verklaringen die eiser heeft afgelegd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over de werkzaamheden van zijn broers en heeft de verklaringen daarom niet geloofwaardig geacht. Verder heeft de rechtbank in de eerdere uitspraak geoordeeld dat de minister in redelijkheid van eiser heeft mogen verlangen dat hij tijdens de sporadisch telefonische contacten met zijn broer meer navraag had gedaan over welke werkzaamheden zijn broers nu precies hebben verricht en in welke hoedanigheid, nu het verrichten van werkzaamheden voor het vorige regime door zijn broers de kern is van eisers asielrelaas. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijke verklaringen af te leggen.
De rechtbank merkt op dat eiser (naar aanleiding van de vorige uitspraak) in deze procedure een brief heeft overgelegd van zijn broer, waaruit de werkzaamheden zouden blijken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen, dat niet van de inhoud van dit document kan worden uitgegaan, nu het een kopie betreft en de brief niet afkomstig is van een objectieve bron. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat enkel deze toevoeging in deze procedure, onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiser persoonlijke problemen heeft met de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn broers. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het derde asielmotief: afvalligheid van de Islam Het standpunt van eiser
9. Eiser is van mening dat hij overtuigend genoeg heeft verklaard dat het aannemelijk is dat hij afvallig is. De minister betwist niet dat eiser niet meer aan het geloof doet en alcohol en drugs gebruikt. Eiser meent dat alleen daaruit al blijkt dat hij op dit moment geen gelovig moslim is. Eiser stelt dat hij steeds meer van het geloof en God is afgedreven en uiteindelijk is gestopt. Dit is een proces geweest waarbij ook sprake was van een worsteling. Eiser heeft de rituelen afgebouwd, totdat hij emotioneel ver genoeg was om te kunnen stoppen. Volgens eiser zijn de ongerijmdheden in zijn verklaringen onderdeel van deze worsteling en het proces waarin hij langzaam van de Islam wegdreef. Volgens eiser mag van hem niet verwacht worden, dat hij bij terugkeer zich weer zou moeten houden aan de regels van de Islam en dat hij stopt met alcohol en drugs. In tegenstelling tot de jaren voor de terugkeer van de Taliban is het gebruik van drugs nu heel gevaarlijk. Zijn leven zou daarom bij terugkeer in gevaar komen als daar wordt ontdekt dat hij drugs gebruikt. Verder wijst eiser erop dat hij bij zijn opvolgende aanvraag niet direct heeft gezegd dat hij afvallig is, omdat er toen niet naar gevraagd is. Eiser heeft bij het aanvullend gehoor hier meer over uitgelegd.
Het oordeel van de rechtbank 9.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen concluderen dat de afvalligheid van eiser niet geloofwaardig is. De rechtbank vindt hiervoor allereerst van belang dat eiser bij zijn derde asielaanvraag (op 9 september 2021) nergens heeft verklaard over het uiting geven aan zijn geloof en het gestelde proces waarin hij zou zitten, eiser verbleef toen al geruime tijd in Nederland. Eiser heeft een gehoor opvolgende aanvraag gehad op 2 september 2024, heeft correcties en aanvullingen en een zienswijze ingediend, maar heeft nergens verklaard dat er iets zou zijn veranderd in de manier waarop hij uiting geeft aan het geloof. Pas in deze procedure is dit aan de orde gekomen. Namelijk in reactie op de schriftelijke vragen van de minister op 31 maart 2025, naar aanleiding waardoor eiser is uitgenodigd voor een aanvullend gehoor van 13 mei 2025. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister van eiser mogen verwachten dat eiser zijn afvalligheid eerder naar voren zou brengen. Te meer gelet op het feit dat eiser in zijn gehoor aangeeft dat hij door het niet praktiseren problemen verwacht bij terugkeer. De rechtbank volgt eiser daarom niet in het standpunt dat de minister reden had moeten zien om eiser eerder over zijn afvalligheid te bevragen. Verder is de rechtbank met de minister van oordeel dat eiser met zijn verklaringen, het proces en zijn motieven voor afvalligheid onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Eisers verklaringen over het geloven in God, het proces en waarom hij van gedachten is veranderd en zijn gewetensbezwaren blijven algemeen, vaag en summier. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Risico’s bij terugkeer vanuit het westen Het standpunt van eiser
10. Eiser meent dat het op de weg van de minister ligt om nader onderzoek te doen naar de terugkeerrisico’s. Volgens eiser heeft dit onderzoek nog steeds niet op een deugdelijke manier plaatsgevonden. De minister heeft daarom niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank van 18 november 2024. Verder heeft eiser gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 28 februari 2024. Er zal een deugdelijk onderzoek plaats moeten vinden waarbij alle informatie die beschikbaar is over de terugkeer uit het westen verzameld zal worden. Verder benadrukt eiser dat hij zich in Nederland een volledig andere levensstijl heeft aangewend dan hij in Afghanistan had, waarbij hij zich niet aan de regels van het geloof houdt en middelen gebruikt. Bij terugkeer naar Afghanistan zou hij zich wel aan de regels moeten onderwerpen. Na de machtsovername door de Taliban zijn de regels veel strenger geworden en de laatste tijd komen er steeds meer berichten dat de Taliban die regels ook steeds strenger handhaaft. Eiser wijst erop dat hij nog steeds verslaafd is en hij hier ook niet zomaar mee kan stoppen. De minister heeft niet weersproken dat eiser verslaafd is.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende onderzoek gedaan, door middel van onderzoek naar landeninformatie, het stellen van schriftelijke vragen en door eiser aanvullend te horen. De minister wijst er terecht op dat uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een terugkeer naar Afghanistan vanuit het Westen op zichzelf nog niet betekent dat een reëel risico op ernstige schade bestaat, en dat dit risico afhangt van de individuele omstandigheden van de vreemdeling. De rechtbank volgt eiser weliswaar in het standpunt dat het onduidelijk is of de minister uitgaat van een alcohol-/drugsverslaving. De rechtbank vindt hierbij echter van belang dat de door eiser gestelde verslaving niet met (medische) stukken is onderbouwd. Ook is niet gebleken dat eiser voor zijn verslaving al hulp heeft gezocht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet zou kunnen stoppen met het gebruiken van alcohol en drugs en dit daarom bij terugkeer een risico vormt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister van eiser heeft kunnen verwachten dat hij zijn middelengebruik verborgen houdt en hiermee bij terugkeer naar Afghanistan geen risico neemt. Hierbij vindt de rechtbank bovendien van belang dat eiser zelf heeft verklaard in het aanvullend gehoor dat zijn drugs- en alcoholgebruik (in tegenstelling tot de eerdere procedure) onder controle is, hij werkt en dag- en nachtritme heeft. Eiser verklaarde ook dat de omstandigheden zijn veranderd, hij is behandeld voor zijn mentale problemen, voelt zich beter en gebruikt met mate. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers afvalligheid ongeloofwaardig is. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet met zijn individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij in de bijzondere aandacht van de Taliban komt te staan. De verwijzing door gemachtigde van eiser op zitting, naar de jurisprudentie van het Hof, gaat daarom niet op. De beroepsgrond slaagt niet.
Humanitaire situatie Het standpunt van eiser
11. Eiser stelt dat de Taliban weldegelijk verantwoordelijk gehouden kan worden voor de slechte economische situatie, door bewuste keuzes die het Taliban regime heeft gemaakt. De minister gaat hier in het bestreden besluit niet op in, daarom is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Eiser heeft op zitting gesteld dat de minister een beoordeling had moeten maken als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Het oordeel van de rechtbank 11.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister een dergelijke beoordeling op goede gronden achterwege heeft gelaten, uit landeninformatie is namelijk niet gebleken dat in Afghanistan op dit moment sprake is van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft kunnen concluderen dat eiser in zijn specifieke geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.