RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.6335 en NL26.13419
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
Procesverloop
1. Eiseres heeft op 14 juni 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Op 26 november 2025 heeft eiseres een ingebrekestelling ingediend en op 5 februari 2026 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.6335.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 maart 2026 de aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.13419.
Verweerder heeft op 9 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank was voornemens om het beroep op 10 juni 2026 op zitting te behandelen. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
De rechtbank heeft eiseres in staat gesteld om op het verweerschrift te reageren. Bij brief van 16 juni 2026 heeft eiseres gereageerd. Op 4 augustus 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
2. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Haar ooms en broer wilde haar uithuwelijken. Eiseres is vervolgens met hulp van haar moeder naar Maleisië gegaan om te studeren. Daar heeft ze haar hoofddoek af kunnen doen. Ze wil die ook af houden. Ze vreest bij terugkomst in Jemen voor haar broer en ooms.
Eiseres is in 2016 naar Maleisië gegaan. Daar is ze gebleven tot 2022. Vervolgens is ze 8 á 9 maanden in Jemen gebleven. Daarna is ze naar Egypte en Saudi-Arabië gegaan. Vanuit Saudi-Arabië is eiseres naar Nederland gekomen.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1) identiteit, nationaliteit en herkomst, 2) problemen met de familie vanwege uithuwelijking en 3) vereenzelviging met de met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht en de andere twee niet.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Eiseres wil kunnen controleren of er sprake is geweest van een registertolk. Dat kan nu niet, omdat verweerder de naam en/of het tolkennummer niet wil prijsgeven. Dat is in strijd met het beginsel van gelijkheid der wapenen.
Verder voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig acht dat ze uitgehuwelijkt zou worden. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat eiseres niet wist aan wie ze werd uitgehuwelijkt, omdat haar dit niet werd verteld. Daarbij moet ze zich schikken aan de kandidaat die haar ouders in gedachten hebben. Voor zover eiseres niets heeft gehoord van haar ooms en broers terwijl zij in Maleisië was, heeft verweerder summier toegelicht waarom dit haar asielrelaas ongeloofwaardig maakt. Verder heeft verweerder het paspoort waaruit blijkt dat eiseres meerdere reizen naar Jemen heeft gemaakt, pas laat in de procedure overlegd en bovendien niet besproken met eiseres tijdens het nader gehoor. Over de periode van uithuwelijking gaat verweerder voorbij aan wat in de correcties en aanvullingen is aangevoerd. Eiseres heeft niet tegenstrijdig verklaard. Vanaf haar dertiende jaar is geprobeerd haar uit te huwelijken, maar het huwelijk waar zij voor gevlucht is, kwam op latere leeftijd. Over het latere verblijf bij opa en oma, voert eiseres aan dat verweerder verschillende periodes door elkaar haalt. Ten aanzien van de stelling dat eiseres haar paspoort probleemloos heeft verkregen, voert eiseres aan dat dit haar juist veel moeite kostte. Over haar laatste asielmotief voert eiseres aan dat zij geen hijab meer wil dragen. In Maleisië heeft ze het soms gedragen en alleen vanwege negatieve opmerkingen als zij de hijab niet droeg.
Verder gaat verweerder voorbij aan individuele omstandigheden die het risico op willekeurig geweld vergroten. Eiseres is een alleenstaande jonge vrouw die al geruime tijd niet meer in Jemen is geweest. Daarnaast is zij lange tijd uit mannelijk gezag en seksueel actief geweest. Dit maakt haar extra kwetsbaar bij terugkeer.
Ten aanzien van het terugkeerbesluit voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij gevaar loopt bij terugkeer in Jemen. Er wordt geen rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en het feit dat zij al geruime tijd niet meer in Jemen is geweest.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Beroep-niet tijdig beslissen
5. De rechtbank stelt vast dat de geldigheid van de ingebrekestelling van 26 november 2025 niet in geding is. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld en verweerder heeft op 6 maart 2026 een besluit genomen. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiseres geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk.
Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreden en verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Tolk
6. Verweerder heeft toegelicht dat uit interne stukken van verweerder volgt dat een registertolk Arabisch-Jemenitisch is ingezet. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier aan te twijfelen, temeer omdat eiseres tijdens het gehoor heeft verklaard dat zij de tolk goed heeft kunnen verstaan. Verder is er geen rechtsregel die verweerder ertoe verplicht om de identiteit van de tolk prijs te geven aan eiseres.
Asielmotief uithuwelijking
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom hij de problemen vanwege uithuwelijking ongeloofwaardig acht. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
De kern van het asielrelaas is dat eiseres uitgehuwelijkt dreigde te worden. Dit speelde voor het eerst toen zij dertien jaar oud was en de druk werd groter toen zij begon te menstrueren, zo rond haar veertiende of vijftiende levensjaar. Haar moeder heeft een deal kunnen sluiten met familieleden om te wachten met huwelijkskandidaten tot eiseres was afgestudeerd aan de secundaire school. Na het afronden hiervan is eiseres naar Maleisië vertrokken. De rechtbank constateert met verweerder dat eiseres niet altijd duidelijk verklaart over wanneer de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Als haar tijdens het nader gehoor wordt gevraagd hoe oud zij was toen de problemen begonnen, verklaart eiseres dat de problemen begonnen na haar studie en benoemt zij de afspraak die haar moeder had gemaakt, namelijk dat haar moeder haar naar de familie van haar vaders kant zou sturen als zij haar studie had afgerond. Als vervolgens (opnieuw) aan eisers wordt gevraagd wanneer deze problemen begonnen, zegt zij dat zij 15 jaar oud was, of 14 jaar. De rechtbank is het met verweerder eens dat deze verklaringen tegenstrijdig lijken. Eiseres was immers al ongeveer negentien of twintig jaar oud toen zij haar studie had afgerond. Aan de andere kant is het mogelijk dat eiseres antwoord geeft op de vraag wanneer het probleem begon te spelen waarvoor haar moeder een deal had gemaakt. In dat geval is haar verklaring wel te rijmen met de leeftijd van veertien of vijftien jaar. De rechtbank stelt bovendien vast dat eiseres steeds consistent heeft verklaard over de volgorde van de gebeurtenissen. De rechtbank weegt ook mee dat ze al vooraf heeft aangegeven dat ze moeite heeft met tijdsaanduidingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder te zwaar gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiseres niet altijd duidelijk heeft verklaard over wanneer verschillende gebeurtenissen plaatsvonden.
Verder heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet meer heeft verklaard over de huwelijkskandidaat van haar ooms. Verweerder heeft hier tijdens het nader gehoor namelijk ook niet op doorgevraagd. Nadat eiseres heeft verklaard dat ze zou worden uitgehuwelijkt aan een oude man, vraagt verweerder over het contact met haar ooms. Verweerder komt later in het gehoor niet meer terug op de door de ooms voorgestelde huwelijkskandidaat. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat de familie van eiseres geen druk op haar moeder zou zetten om de verblijfplaats van eiseres te achterhalen. Eiseres heeft immers tijdens het nader gehoor verklaard dat haar broer wel degelijk druk zette op haar moeder tijdens haar verblijf in Maleisië.
Ten aanzien van het verkrijgen van een nieuw paspoort, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit probleemloos is verkregen. Uit het nader gehoor blijkt dat eiseres pas na lang aandringen en met hulp van een goedgezinde ambtenaar een paspoort heeft verkregen. De door verweerder aangehaalde landeninformatie maakt dit oordeel niet anders. Uit de landeninformatie blijkt immers dat er in ‘toenemende mate’ een praktijk bestaat waarbij vrouwen niet zonder mannelijke begeleider een paspoort kunnen krijgen en dat vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken van Jemen druk wordt gezet om het verkrijgen van paspoorten voor vrouwen te vereenvoudigen, dat wil zeggen, zonder dat zij daarvoor een mannelijke voogd nodig hebben. De rechtbank leest deze informatie zo dat het voor vrouwen moeilijk, maar niet onmogelijk of uitgesloten, is om zonder mannelijke voogd een paspoort te verkrijgen. De stelling van verweerder dat het verkrijgen van een paspoort door eiseres niet strookt met landeninformatie, volgt de rechtbank niet.
Verweerder heeft wel tegen mogen werpen dat eiseres meerdere malen, op 11 december 2019 en 24 december 2019, Jemen is ingereisd en daar geen verklaring over heeft gegeven in de zienswijze. Ook in de beroepsgronden geeft eiseres geen uitleg over deze periodes. Daarnaast heeft eiseres vanaf 2022 ongeveer acht of negen maanden in Jemen verbleven. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar legt echter onvoldoende gewicht in de schaal om het asielrelaas ongeloofwaardig te mogen achten.
Asielmotief vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen
8. Verweerder heeft beleidsregels vastgesteld over de beoordeling van dit asielmotief. Uit C3/3.2.5.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat bij de vraag of sprake is van vereenzelviging te denken valt aan het maken van zelfstandige en onafhankelijke keuzes die bepalend zijn voor haar identiteit op gebied van onderwijs en beroepsloopbaan, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze.
Bij de beoordeling of sprake is van vereenzelviging betrekt de IND in ieder geval:
• of de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw;
• aannemelijk is gemaakt dat deze vereenzelviging dermate fundamenteel is, dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft;
• de wijze waarop de vrouw hier in haar dagelijkse leven invulling aan geeft en in het verleden heeft gegeven; en
• de wijze waarop de vrouw hier invulling aan wenst te geven bij terugkeer naar land van herkomst.
De rechtbank constateert dat verweerder niet al deze elementen heeft betrokken en daarmee niet volledig is geweest in de beoordeling van dit asielmotief. Gelet op het beleid van verweerder is bovendien niet uitgesloten dat het oordeel over het eerste asielmotief van belang is voor de beoordeling van het tweede asielmotief. Daarbij zijn met name de keuzes van eiseres op het gebied van haar economische onafhankelijkheid en partnerkeuze van belang. Daarom kan verweerders oordeel over de geloofwaardigheid van dit asielmotief eveneens geen stand houden.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft het asielrelaas van eiseres niet op goede gronden ongeloofwaardig geacht. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het besluit vernietigen vanwege strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat betekent dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat zij onvoldoende informatie heeft om het asielmotief zelf geloofwaardig dan wel ongeloofwaardig te achten. Daarbij betrekt de rechtbank dat de zaak niet op zitting is behandeld en de rechtbank geen vragen heeft kunnen stellen aan partijen. Het is aan verweerder om deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres haar proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het geven van een nadere reactie met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.)
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL26.6335 niet-ontvankelijk.
- verklaart het beroep met zaaknummer NL26.13419 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 maart 2026;
- draagt verweerder op om opnieuw op de asielaanvraag van eiseres te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.