Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09-121280-26 en 09-001198-25 (tul)
Datum uitspraak: 17 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Hoogstraaten en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.S.M. Nolte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 22 april 2026 te Leiden, althans in Nederland, een bromfiets en/of een kentekenplaat, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2
hij op of omstreeks 22 april 2026 te Leiden een voertuig, te weten een bromfiets, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 99 microgram cocaïne per liter bloed en/of 0,26 milligram ethanol/alcohol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de bewezenverklaring geen standpunt ingenomen.
De gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van feit 1 redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Op 22 april 2026 is de verdachte, als bestuurder van een bromfiets, staande gehouden door de politie. Een bekende van de verdachte zat op dat moment achter op de bromfiets. Op vragen van de verbalisant werd verklaard dat de bromfiets eigendom zou zijn van ene [naam 1] . Die naam kwam niet overeen met de tenaamgestelde van het kenteken van de bromfiets. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de bromfiets eerder die dag was gestolen in Leiden. Van die diefstal is aangifte gedaan.
De kentekenplaat die op de bromfiets zat, bleek weer afkomstig te zijn van een andere bromfiets, en eveneens te zijn gestolen. Van de diefstal van de kentekenplaat is ook aangifte gedaan.
De verdachte heeft tijdens het onderzoek en ter terechtzitting wisselend verklaard over de herkomst van de bromfiets. Aanvankelijk verklaarde de verdachte dat de bromfiets eigendom zou zijn van [naam 1] . In zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij dacht dat de bromfiets eigendom was van de persoon die achterop zat. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat de persoon die achterop zat, de bromfiets had gestolen ergens in Merenwijk, in Leiden. Dat komt overeen met de plaats van de diefstal, zoals die blijkt uit de aangifte.
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de motor van de bromfiets liep terwijl er geen sleutel in het contactslot zat en dat het sleutelgat van het contactslot volledig was verwijderd. Het is een feit van algemene bekendheid dat voor het starten van een bromfiets een sleutel nodig is. De bromfiets is dus kennelijk gestart zonder sleutel. De verdachte heeft de motor, bij de politiecontrole, uitgeschakeld door bij het achterwiel een filter los te halen, waardoor de motor stopte. Hieruit blijkt dat de verdachte ook wist dat er geen sleutel in het contactslot zat.
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bromfiets waar hij op reed, en daarmee ook de daarop bevestigde kentekenplaat, door een misdrijf was verkregen. De rechtbank acht schuldheling dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank zal voor het onder feit 2 ten laste gelegde, het rijden onder invloed, volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit en de officier van justitie heeft voor dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Voor de bewezenverklaring van feit 2 gebruikt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting;
Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL1500-2026141191-3, opgemaakt op 22 april 2026;
Een geschrift, te weten de uitslag van het bloedonderzoek, van Eurofins Forensics, d.d. 22 mei 2026;
Het proces-verbaal rijden onder invloed, proces-verbaalnummer PL1500-2026141157-1, opgemaakt op 4 juni 2026.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 22 april 2026 te Leiden een bromfiets en een kentekenplaat voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;
2
hij op 22 april 2026 te Leiden een voertuig, te weten een bromfiets, heeft bestuurd na gebruik van in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol 99 microgram cocaïne per liter bloed en 0,26 milligram ethanol/alcohol per milliliter bloed bedroeg, een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van een straf of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet passend is aangezien de verdachte niet open staat voor begeleiding en behandeling in het kader van een ISD-maatregel, en dat de beoogde doelen van de ISD-maatregel ook kunnen worden bereikt door oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf of een voorwaardelijke ISD-maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling door op een bromfiets te rijden, waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die van diefstal afkomstig was. Hierdoor heeft hij meegewerkt aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit die door de maatschappij als zeer ergerlijk wordt ervaren, namelijk de diefstal van vervoermiddelen. De verdachte heeft daarmee een gebrek aan respect voor andermans eigendom laten zien. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol en cocaïne. Het is algemeen bekend dat de concentratie, de waarneming en het reactievermogen door het gebruik van alcohol en verdovende middelen negatief worden beïnvloed. Daarmee heeft de verdachte in het verkeer een potentieel gevaarlijke situatie voor zichzelf en voor anderen in het leven geroepen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 juni 2026. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 30 april 2026 (reclasseringsadvies raadkamerzitting voorlopige hechtenis) en van 3 juli 2026 (reclasseringsadvies rechtszitting). Tijdens de terechtzitting is mevrouw [naam 2] , de opsteller van het reclasseringsadvies van 3 juli 2026, gehoord als getuige-deskundige. Zij heeft het advies en de conclusies daarvan bevestigd.
De reclassering ziet op nagenoeg elk leefgebied van de verdachte risicofactoren die het risico op recidive hoog maken. De bewezenverklaarde feiten maken onderdeel uit van een delictpatroon, wat vermoedelijk in relatie staat met zijn middelengebruik, sociaal netwerk en houding. Er is sprake van een schuldenlast. De verdachte heeft geen structurele dagbesteding, begeeft zich in een negatief netwerk en er is sprake van problematisch middelengebruik en een persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is verdachte recent zijn huisvesting kwijtgeraakt omdat hij te vaak gedetineerd zit en doelen (daardoor) niet worden behaald.
De reclassering adviseert het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-criteria van artikel 38m Wetboek van Strafrecht voldoet. Feit 1 zoals bewezenverklaard kwalificeert als schuldheling, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 29 juni 2026 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan het dit feit ten minste drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd. Het thans bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. De verdachte voldoet aan de definitie van een ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. De verdachte is in het verleden vaak veroordeeld voor vermogensdelicten en ook meermalen voor rijden onder invloed. Tegen de verdachte zijn in de afgelopen vijf jaar processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
De reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. De rechtbank deelt die inschatting en naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van personen of goederen in het geding is.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
De reclassering heeft gerapporteerd dat de eerdere justitiële interventies niet hebben geleid tot het uitblijven van delictgedrag. De verdachte heeft een negatieve houding ten aanzien van begeleiding en hulpverlening. Door de structureel niet-meewerkende en ambivalente houding van de verdachte stagneerde de uitvoering van bijzondere voorwaarden, en wordt een dergelijk kader door de reclassering dan ook niet uitvoerbaar geacht. De verdachte heeft zich eerder niet aan voorwaarden en afspraken met de reclassering gehouden. De reclassering heeft in juni 2025 het schorsingstoezicht teruggemeld en in november 2025 de voorwaardelijke veroordeling teruggemeld. De reclassering heeft aangegeven geen vertrouwen te hebben dat de verdachte zich wel gaat houden aan toekomstige afspraken en voorwaarden. Gebleken is dat ambulante behandelingen moeizaam van de grond zijn gekomen, abstinentie is mislukt en recidive niet is voorkomen.
Net als de verdediging neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel als ultimum remedium moet worden ingezet. Uit de adviezen van de reclassering blijkt dat er momenteel geen mogelijkheden zijn om met voorwaarden en/of toezicht binnen een voorwaardelijk kader de risico’s (op recidive) te beperken. Gezien de reclasseringsadviezen, het strafblad van de verdachte en de houding van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat er momenteel geen reële alternatieven zijn, en dat de onvoorwaardelijke ISD-maatregel als ultimum remedium moet worden ingezet.
De rechtbank verwerpt het standpunt van de verdediging dat een ISD-maatregel niet zinvol en doelmatig is omdat de verdachte heeft aangegeven niet te willen meewerken aan behandeling. Uit de wet en de wetsgeschiedenis volgt immers dat het (primaire) doel van een ISD-maatregel is om, vanuit het oogpunt van bescherming van de samenleving, de vicieuze cirkel van opsluiten-vrijlaten-veroordelen-opsluiten te doorbreken, mede door het plegen van nieuwe delicten feitelijk onmogelijk te maken. Die situatie doet zich hier voor.
Conclusie
Alles afwegende acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. Voor een optimale bescherming van de maatschappij acht de rechtbank het belangrijk om voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.
7. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de terechtzitting een vordering aangebracht tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 44 dagen, opgelegd bij vonnis van de Rechtbank Den Haag van 28 juli 2025 met parketnummers 09-001198-25 en 09-174376-25. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gerekwireerd tot afwijzing van deze vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging verzocht. Daartoe is aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf al is bevolen bij vonnis van de politierechter van 25 juni 2026 in de zaak met parketnummer 09-001198-25.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie af. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat toewijzing van die vordering op dit moment niet opportuun is, mede gelet op de op te leggen maatregel.
8. De toepasselijke wetsartikelen
9. De beslissing
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 38 m, 38n, 57 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht;
- 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1
schuldheling;
ten aanzien van feit 2
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op:
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet bij de tenuitvoerlegging van deze maatregel in mindering gebracht zal worden.
vordering tot tenuitvoerlegging
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-001198-25.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.Y. van Gameren, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. G. Kuijper, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen en mr. E. Six, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 augustus 2026.