RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer / rekestnummer: 12079646 \ RP VERZ 26-50118
EVV/MG/C
Beschikking van 11 augustus 2026
in de zaak van
[verzoekende partij] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. A. Cremer,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN, vertegenwoordigd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, meer in het bijzonder de Justitiële uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit en Screening,
te Den Haag,
verwerende partij,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. P.H. de Jongh.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verzoekende partij] , geboren [geboortedatum] 1998, is per 1 november 2024 -op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar- in dienst getreden bij de Staat. De functie van [verzoekende partij] was medewerker verwerken en behandelen S06 met een loon van € 3.246,16 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. Bij goed functioneren zou het dienstverband na een jaar worden omgezet in een vast dienstverband.
Op 11 augustus 2025 heeft de Staat de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] mondeling opgezegd met ingang van 31 oktober 2025.
Bij brief van 22 september 2025 heeft de Staat aan [verzoekende partij] bericht:
“Op 11-08-2025 jl. heeft jouw leidinggevende [naam 1] je laten weten dat we jouw arbeidsovereenkomst niet om zullen zetten naar een vast dienstverband. Dit heeft hij op 15-9-2025 wederom bevestigd. Dit betekent dat jouw arbeidsovereenkomst van rechtswege zal eindigen op 31-10-2025.”.
Bij email van 18 november 2025 heeft de gemachtigde van de Staat aan de gemachtigde van [verzoekende partij] bericht:
“Nog los van de vraag of en aan wie mevrouw [verzoekende partij] haar diagnose van endometriose zou hebben gedeeld, staat hier vast dat deze diagnose geen enkele rol heeft gespeeld in de besluitvorming om de arbeidsovereenkomst van uw cliënte niet te verlengen. U heeft kunnen vaststellen dat Justis, het bevoegd gezag, niet op de hoogte was een dergelijke mededeling. Dat verklaart waarom in de rechtstreekse mailwisseling is aangegeven dat uw cliënte dit nooit heeft gemeld. Zoals eerder is uiteengezet, is het besluit om de arbeidsovereenkomst van uw cliënte van rechtswege te laten eindigen en niet te verlengen genomen op basis van de feitelijke en praktische gevolgen van het frequente kortdurende verzuim van uw cliënte voor de planning en de bedrijfsvoering. Dat het niet verlengen van het contract verband zou houden met een chronische ziekte, is uitgesloten.”.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen. Volgens [verzoekende partij] is de opzegging niet rechtsgeldig. [verzoekende partij] voert, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende aan.
[verzoekende partij] heeft een vaste aanstelling elders opgegeven om in dienst te treden bij de Staat, met de uitdrukkelijke toezegging dat bij goed functioneren na een jaar een vaste aanstelling zou volgen. Tijdens het sollicitatiegesprek met de operationeel manager [naam 1] en coördinator mevrouw [naam 2] , heeft [verzoekende partij] direct aangegeven dat zij lijdt aan de chronische ziekte endometriose.
Tijdens het dienstverband zijn verschillende functioneringsgesprekken gevoerd met [verzoekende partij] . Tijdens die gesprekken is nooit iets opgemerkt over het ziekteverzuim van [verzoekende partij] en/of dat het vermeende frequente kortdurende ziekteverzuim van invloed zou zijn op de planning en bedrijfsvoering van de Staat.
[naam 2] heeft [verzoekende partij] verschillende keren naar huis gestuurd vanwege haar klachten als gevolg van haar chronische ziekte. Als [verzoekende partij] niet kon werken zorgde zij zelf voor vervanging of ruilde zijn van dienst. [verzoekende partij] heeft nooit geweigerd een dienst te draaien, en als zijn niet in staat was op kantoor te werken werkte zijn vanuit huis. Haar afwezigheid heeft dan ook nooit tot problemen voor de bedrijfsvoering geleid.
Tijdens een gesprek op 11 augustus 2025 heeft [naam 2] aan [verzoekende partij] te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd vanwege frequent ziekteverzuim. [verzoekende partij] heeft alsdan te kennen het niet eens te zijn met zijn beslissing.
De Staat heeft zich schuldig gemaakt aan een verboden onderscheid op basis van een chronische ziekte ex artikel 7:646, eerste lid, BW, respectievelijk artikel 4 aanhef en onderdeel b, van de WGBH/CZ, in samenhang met artikel 1. Een besluit om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen geldt als een besluit betreffende het (niet) aangaan van een arbeidsovereenkomst.
[verzoekende partij] lijdt aan endometriose, en adenomyose, chronische ziekten die gepaard gaan met ernstige pijnklachten. Het college van de Rechten van de Mens heeft bevestigd dat endometriose beschouwd wordt als een chronische ziekte in de zin van de WGBH/CZ.
De Staat had op het moment van de aanzegging van het niet verlengen van het dienstverband er kennis van dat de oorzaak van het frequentie ziekteverzuim van [verzoekende partij] was gelegen in de chronische ziekte van [verzoekende partij] . [naam 2] was hier al van op de hoogte tijdens het sollicitatiegesprek. [naam 2] is ook degene die haar in eerste instantie had medegedeeld dat haar dienstverband zou worden verlengd.
Nu de reden van het niet verlengen van het dienstverband is gebaseerd op de chronische ziekte van [verzoekende partij] , hetgeen een indirect discriminatie vormt, handelt de Staat ernstig verwijtbaar. Op grond daarvan maakt [verzoekende partij] aanspraak op een billijke vergoeding. Als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen door de Staat lijdt [verzoekende partij] schade. Had de Staat zich niet schuldig gemaakt aan indirecte discriminatie, dan was de arbeidsovereenkomst van [verzoekende partij] niet geëindigd. [verzoekende partij] functioneerde immers steeds naar behoren en heeft alle targets behaald, ondanks haar chronische ziekte.
De schade die [verzoekende partij] lijdt is gelijk aan het loon over de periode tot 31 oktober 2026, twaalf maanden, per saldo € 46.837,41 bruto. De Staat had immers in eerste instantie aangegeven dat het dienstverband bij goed functioneren zou worden verlengd. Het ligt dan ook in de lijn der verwachting dat het dienstverband zeker nog een jaar in stand zou zijn gebleven.
Verder maakt [verzoekende partij] aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, gebaseerd op de Staffel Buitengerechtelijke incassokosten, ad € 1.243,37.
De Staat voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. De Staat voert ‑ samengevat – het volgende aan.
De Staat betwist dat sprake is van een chronische aandoening in de zin van de WGBH/CZ. Een chronische aandoening in de zin van die wet moet volgens de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie worden opgevat als een beperking die met name het gevolg is van langdurige lichamelijk, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. Waarbij van belang is dat het moet gaan om een beperking met een langdurig karakter. Daarvan is in deze geen sprake, althans [verzoekende partij] heeft niet inzichtelijke gemaakt welke concrete beperkingen haar functioneren structureel hebben beïnvloed. Het oordeel van het College van de Rechten van de Mens heeft geen bindende werking. Bovendien heeft [verzoekende partij] nooit verzocht om aanpassing in haar werkzaamheden. Nu niet is komen vast te staan dat sprake is van een chronische ziekte in de zin van de WGBH/CZ, is geen sprake van een verboden onderscheid.
De Staat was ook niet bekend met de omstandigheid dat bij [verzoekende partij] sprake was van een chronische ziekte. De Staat was wel in algemene zin bekend met de mededeling dat [verzoekende partij] endometriose had, maar meer dan dat wist de Staat niet en behoorde hij ook niet te weten. Ook de bedrijfsarts is niet bij de beoordeling betrokken geweest, zodat geen medische beperkingen of duiding is vastgesteld. De Staat was slechts bekend met de opgegeven verzuimredenen, waaronder buikpijn, koorts en spierkrampen. [verzoekende partij] heeft nooit gesteld dat haar verzuim samenhing met een chronische aandoening.
Bovendien houdt het niet verlengen van het dienstverband geen verband met de gestelde chronische ziekte, maar uitsluitend met het frequent kortdurende verzuim en de gevolgen daarvan voor de bedrijfsvoering, een beslissing die tot de beleidsvrijheid van de Staat behoort.
Aldus is geen sprake van verwijtbaar handelen aan de zijde van de Staat en dient het verzoek van [verzoekende partij] te worden afgewezen.
Mocht de kantonrechter anders oordelen dat dient bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding, rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder het feit dat [verzoekende partij] een Ziektewet uitkering ontvangt.
De buitengerechtelijke incassokosten kunnen niet worden toegewezen. De Staffel Buitengerechtelijke incassokosten is niet van toepassing en de aan de vordering ten grondslag gelegde werkzaamheden zijn niet onderbouwd. Na de uitdiensttreding is slechts eenmaal een email ontvangen en vervolgens direct het verzoekschrift.
Nu het verzoek van [verzoekende partij] moet worden afgewezen dient zijn tevens in de kosten van de procedure te worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoekende partij] een billijke vergoeding moet worden toegekend op grond van artikel 7:673 lid 9 BW. Volgens dat artikel kan de kantonrechter aan de werknemer ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen, indien, na een einde van rechtswege, het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34 en pag. 113). Er kan alleen dan een billijke vergoeding worden toegekend als het ontslag is toe te rekenen aan het ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever. Dat betekent in het geval van artikel 7:673 lid 9 BW dat voldoende moet komen vast te staan dat het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever de oorzaak is van het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.
[verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat de Staat ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat de arbeidsovereenkomst niet is verlengd vanwege de chronische ziekte of handicap van [verzoekende partij] , waardoor de Staat volgens [verzoekende partij] in strijd heeft gehandeld met artikel 4 Wgbh/cz.
Uit artikel 4 Wgbh/cz, in verbinding met artikel 1 Wgbh/cz, volgt dat het verboden is om onderscheid te maken bij het aanbieden, aangaan en beëindigen van een arbeidsverhouding, waarbij als (direct) onderscheid wordt aangemerkt de omstandigheid dat een persoon op grond van handicap of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld.
Op grond van artikel 10 Wgbh/cz geldt dat indien degene die meent dat een onderscheid is of wordt gemaakt, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, de wederpartij dient te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld (zie ook de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 10 november 2015, gepubliceerd op www. rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:GHAMS:2015:4653, en van 21 juni 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:GHAMS:2016:2383).
Wat een handicap of een chronische ziekte is als bedoeld in artikel 4 Wgbh/cz, wordt niet gedefinieerd in de Wgbh/cz. De Wgbh/cz sluit voor de definitie van handicap of chronische ziekte aan bij de Europese Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 (hierna: Richtlijn 2000/78 EG), tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 169, nr. 3, pag. 9). Het begrip ‘handicap’ en ‘disability’ van Richtlijn 2000/78/EG moet volgens rechtspraak van het Hof van Justitie EU (hierna: HvJEU) worden opgevat als een beperking die met name het gevolg is van langdurige lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. Het begrip ‘handicap’ heeft niet alleen betrekking op de onmogelijkheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, maar ook op belemmeringen bij het uitoefenen van een dergelijke activiteit, waarbij de oorzaak van de handicap niet van belang is (zie de uitspraken van het HvJEU van 11 april 2013, C-335/11, gepubliceerd in JAR 2013/142 (HK Danmark) en van 18 december 2014, C-354/13, gepubliceerd in JAR 2015/37 (Kaltoft)).
Niet in geschil is dat [verzoekende partij] lijdt aan endometriose graad 3 en adenomyose. Endometriose is een chronische ziekte, die onder meer veelvuldig (ernstige) buikpijnklachten veroorzaakt die soms uitstralen naar de rug. De ernst van de klachten wisselt per persoon. Uit de Whatsapp geschiedenis die door de Staat is overgelegd blijkt dat [verzoekende partij] geregeld buikklachten ondervond door haar endometriose. Zij heeft meerdere keren verzocht om thuis te werken omdat zij last had van buikpijn, ook is [verzoekende partij] meerdere keren met een kruik naar haar werk gegaan om de klachten te verlichten. In de periode dat [verzoekende partij] voor de Staat werkte is ze daarnaast in totaal drie keer ziek geweest, te weten 8 dagen in februari, 3 dagen in mei en 7 dagen in juli. De ziekmeldingen in februari en mei hielden (mede) verband met buikpijn en rugklachten, de ziekmelding in juli was het gevolg van een miskraam. Dit zijn klachten die passen bij de diagnose endometriose. Daarom gaat de kantonrechter er van uit dat er een verband bestaat tussen de chronische aandoening van [verzoekende partij] en haar ziekmeldingen en dat sprake is van een chronische ziekte die haar belemmert in de uitoefening van haar werkzaamheden. Er is naar het oordeel van de kantonrechter daarom sprake is van een chronische ziekte in de zin van de Wgbh-cz. Dat endometriose een chronische ziekte kan zijn in de zin van de WGBH/CZ is ook bevestigd door het College voor de Rechten van de Mens.
Door de Staat is erkend dat [verzoekende partij] goed functioneerde en dat het dienstverband van [verzoekende partij] alleen niet is verlengd omdat zij zich een aantal maal heeft ziek gemeld. Dit zou in haar functie niet kunnen. Dit is door haar leidinggevende in het gesprek van 11 augustus 2025, waarin aan [verzoekende partij] werd meegedeeld dat haar contract niet zou worden verlengd, met zoveel woorden meegedeeld en dit wordt in het verweerschrift nog eens herhaald. Door de Staat is ook niet betwist dat, zoals [verzoekende partij] ter zitting heeft verklaard, het contract van de andere drie werknemers die in dezelfde periode in een soortgelijke functie zijn aangenomen, wel is verlengd. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat als de ziekmeldingen niet hadden plaatsgevonden, het dienstverband van [verzoekende partij] zou zijn verlengd en zou zijn omgezet in een vast dienstverband. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel het vermoeden dat de Staat heeft gehandeld in strijd met de Wgbh/cz door het dienstverband van [verzoekende partij] niet te verlengen.
Dat betekent dat de Staat dient te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld. De Staat heeft aangevoerd dat van een chronische ziekte geen sprake is, dat hij niet op de hoogte was van het feit dat [verzoekende partij] aan een chronische ziekte lijdt en dat hij niet wist dat de ziekmeldingen daarmee verband hielden. Van het niet verlengen van het dienstverband vanwege een chronische ziekte is daarom volgens de Staat geen sprake en dus ook niet strijd met de Wgbh/cz.
Daarin volgt de kantonrechter de Staat niet. De Staat erkent immers dat hij op de hoogte was van het feit dat [verzoekende partij] lijdt aan endometriose. Dit heeft zij in een vroeg stadium aan de Staat gemeld. In r.o. is al 4.7. is al overwogen dat dit in het geval van [verzoekende partij] als een chronische ziekte in de zin van de Wgbh/cz moet worden aangemerkt. Bij haar ziekmeldingen heeft zij steeds gemeld wat haar klachten waren, te weten buikpijn, rugpijn en in juli een miskraam. Dit zijn klachten die passen bij haar aandoening. Dat deze ziekmeldingen de (enige) reden waren dat het dienstverband van [verzoekende partij] niet is verlengd wordt door de Staat erkend. Dat de Staat de specifieke klachten behorend bij endometriose mogelijk niet kende en de Staat zich dus naar eigen zeggen niet heeft gerealiseerd dat het niet verlengen daarmee verband hield, heft het verboden onderscheid niet op. Het had in dat geval op de weg van de Staat gelegen om onderzoek te doen naar de vraag of er een verband bestond tussen de klachten waarmee [verzoekende partij] zich ziek heeft gemeld en haar endometriose. Door de arbeidsovereenkomst zonder medisch advies over de relatie tussen de klachten die aanleiding waren tot de ziekmeldingen en de aandoening endometriose te beëindigen heeft de Staat onzorgvuldig gehandeld.
De Staat heeft verder geen feiten heeft gesteld die, indien bewezen, het vermoeden van verboden onderscheid wegens chronische ziekte of handicap kunnen weerleggen.
De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de Staat de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] niet heeft verlengd en niet heeft voortgezet vanwege de chronische ziekte van [verzoekende partij] . Daarmee heeft de Staat in strijd gehandeld met artikel 4 Wgbh/cz. Handelen in strijd met het verbod van onderscheid van artikel 4 Wgbh/cz is naar het oordeel van de kantonrechter aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen van de Staat in de zin van artikel 7:673 lid 9 BW. De Staat schendt hierdoor immers in ernstige mate de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, mede gelet op het feit dat de norm van artikel 4 Wgbh/cz tot doel heeft om discriminatie vanwege handicap of chronische ziekte krachtig te bestrijden en ziet op fundamentele rechten (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 169, nr. 3, pag. 1-2). Ook staat voldoende vast dat het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Staat de oorzaak is van het niet verlengen en niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek van [verzoekende partij] om toekenning van een billijke vergoeding moet dus worden toegewezen.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle)). De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de Staat heeft [verzoekende partij] recht op een billijke vergoeding. [verzoekende partij] vordert een billijke vergoeding van € 46.837,41 bruto. Zij gaat er van uit dat zij als het dienstverband zou zijn verlengd zij nog minimaal een jaar bij de Staat zou hebben gewerkt. In dat geval had zij € 46.837,41 verdiend.
Uit de als productie 3 door [verzoekende partij] overgelegde aanvraag indiensttreding volgt dat het de bedoeling was dat bij goed functioneren het dienstverband na afloop van een jaar zou worden omgezet in en vast dienstverband. Door de Staat is erkend dat [verzoekende partij] goed functioneerde en dat haar ziekmeldingen de enige reden waren dat het dienstverband niet is verlengd. Daarom gaat ook de kantonrechter er van uit dat het dienstverband van [verzoekende partij] zonder haar ziekmeldingen waarschijnlijk nog geruime tijd en zeker nog een jaar zou hebben voortgeduurd.
Dat betekent echter nog niet dat zij recht heeft op een billijke vergoeding van een bruto jaarsalaris. Bij de bepaling van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding moet namelijk niet alleen het inkomensverlies dat [verzoekende partij] lijdt worden betrokken maar, zoals de Staat terecht stelt, ook de inkomsten die zij na het einde van het dienstverband heeft verworven. [verzoekende partij] heeft sinds de beëindiging van het dienstverband een Ziektewetuitkering van € 2.597,11 netto. Toen zij in dienst was bij de Staat verdiende zij netto € 2.957,55.Haar inkomensverlies bedraagt dus € 360,44 netto per maand en € 4.325,28 netto over een periode van 12 maanden. Dit bedrag zal als billijke vergoeding worden toegewezen.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De Staat heeft terecht aangevoerd dat de Staffel BIK in dit geval niet van toepassing is aangezien geen sprake is van een vordering als genoemd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De buitengerechtelijke incassokosten kunnen dan ook niet op de voet van dit besluit worden vastgesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 6:96 BW kunnen buitengerechtelijke kosten als vermogensschade wel voor vergoeding in aanmerking komen, maar dan moet wel vaststaan dat er daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt en dat deze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. In dit geval is er voorafgaand aan de start van de procedure slechts één enkele brief aan de Staat gezonden. Gesteld noch gebleken is dat er onderhandelingen hebben plaatsgevonden. De werkzaamheden die voorafgaand aan de procedure zijn verricht rechtvaardigen niet het in verband daarmee gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten daarom matigen tot een bedrag van € 500.00. Dit bedrag zal worden toegewezen.
De proceskosten komen voor rekening van de Staat, omdat de Staat overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende partij] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de Staat om aan [verzoekende partij] een billijke vergoeding te betalen van het bruto equivalent van een bedrag van € 4.325,28 netto,
veroordeelt de Staat om aan [verzoekende partij] de buitengerechtelijke incassokosten te betalen van € 500,00,
veroordeelt de Staat in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.