[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.P.J. Hendriks).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 augustus 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Oezbeekse nationaliteit. Eiser heeft op 15 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER en wenst verblijf in Nederland bij zijn gestelde partner, mevrouw [referente] (referente). Referente heeft de Italiaanse nationaliteit.
3. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser en referente een duurzame relatie hebben. Eiser en referente hebben hun gestelde relatie namelijk niet met bewijsstukken onderbouwd. Nu de relatie niet als duurzaam is aan te merken, is er tussen eiser en referente ook geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Eisers beroep op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM slaagt niet, nu zijn verblijf in Nederland niet rechtmatig is geweest en hij had moeten weten dat hij aan dat verblijf geen rechten kan ontlenen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Volgens de relatieverklaring van 5 juni 2025 heeft eiser een duurzame relatie met referente, wat betekent dat er inmiddels ruim 6 maanden verstreken zijn. Eiser en referente voeren ook al die tijd een gezamenlijk huishouding. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat er sprake is van een duurzame relatie. Het is daarnaast voor eiser niet duidelijk met welke bewijsstukken hij het privéleven en de duurzame relatie moet onderbouwen. Het gaat namelijk om een privékwestie die niet bedoeld is voor het publiek. Bovendien heeft verweerder ten onrechte geen brief gestuurd waarin (opnieuw) wordt gevraagd naar specifieke bewijsstukken ter onderbouwing van de aanvraag. Eiser doet verder een beroep op bewijsnood, omdat het door praktische overwegingen niet is gelukt om in te schrijven in de BRP. Nu er sprake is van een duurzame relatie is er ook sprake van beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Tot slot heeft verweerder ten onrechte geen hoorzitting gehouden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt zij uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
Duurzame relatie
6. Volgens paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) wordt aangenomen dat er sprake is van een duurzame relatie indien eiser en referent voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijk huishouden voerden en gedurende die termijn feitelijk is samengewoond. In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waaromeiser en referente onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn aanvraag (met stukken) te onderbouwen. Eiser heeft geen enkele stukken overgelegd om zijn relatie te onderbouwen. Verweerder heeft daarom mogen vinden dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij een duurzame relatie heeft met referente. Verweerder heeft eiser er bovendien op gewezen dat op het aanvraagformulier expliciet vermeld staat welke stukken eiser moet overleggen ter onderbouwing van zijn duurzame relatie. Eisers stelling dat verweerder ten onrechte geen brief heeft gestuurd waarin wordt gevraagd naar specifieke bewijsstukken ter onderbouwing van de aanvraag, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft er op mogen wijzen dat er alleen een herstelbrief wordt gestuurd als er wel bewijsstukken zijn aangeleverd maar deze niet compleet zijn of er nog onduidelijkheid is, maar niet wanneer er geen bewijsstukken zijn aangeleverd. Daarnaast heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er ook in de bezwaarprocedure geen stukken zijn overgelegd en daardoor geen onduidelijkheid was. Eisers stelling dat hij in bewijsnood verkeert, omdat hij zich vanwege praktische redenen niet kan inschrijven bij de BRP, volgt de rechtbank evenmin. Verweerder heeft eiser er namelijk op gewezen dat een duurzame relatie ook met andere bewijsstukken kan worden onderbouwd. Eisers stelling dat niet duidelijk is welke bewijsstukken moeten worden overgelegd, omdat het een privékwestie is, maakt het voorgaande niet anders. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen is het aan eiser om zijn aanvraag te onderbouwen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat het voor eisers eigen rekening en risico komt dat hij geen stukken heeft overgelegd. Eisers stelling dat er inmiddels ruim 6 maanden zijn verstreken sinds de relatieverklaring van 5 juni 2025 en dat op grond hiervan moet worden aangenomen dat er sprake is van een duurzame relatie, volgt de rechtbank niet. De rechtbank toetst in beroep namelijk ex tunc en daarom dient te worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Eiser heeft op zitting terecht aangevoerd dat het begrip duurzame relatie ruim moet worden uitgelegd en dat samenwonen niet altijd noodzakelijk is, maar de duurzame relatie moet alsnog onderbouwd worden. Gelet op het voorgaande, hebben eiser en referente dat onvoldoende gedaan.
Artikel 8 van het EVRM
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en heeft verweerder geen belangenafweging hoeven maken.
Hoorplicht
8. Van het horen mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank was daarvan in dit geval sprake. Hiertoe is van belang dat eiser geen relevante bewijsstukken en informatie heeft aangedragen ter onderbouwing van de gestelde duurzame relatie, ook niet in de bezwaarfase. Verweerder heeft zodoende kunnen stellen dat er in bezwaar geen nieuwe stukken zijn overgelegd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, waardoor horen niet had kunnen bijdragen aan een ander inhoudelijk oordeel. Eisers stelling dat bij persoonlijke omstandigheden gehoord moet worden, volgt de rechtbank niet. Het ligt op de weg van eiser om in de bezwaarprocedure een begin van bewijs te leveren. Bij onduidelijkheid moet er door verweerder gehoord worden. Nu eiser geen begin van bewijs heeft geleverd, mocht verweerder afzien van horen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
10. Eiser krijgt het griffierecht daarom niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.