ECLI:NL:RBDHA:2026:23166

ECLI:NL:RBDHA:2026:23166

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer NL26.44527
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Bewaring art. 59a Vw. Bekendmaking overdrachtsbesluit blijkt voldoende uit het dossier. De digitale ondertekening van de maatregel van bewaring en de machtiging tot binnentreden is verifieerbaar en rechtsgeldig. De niet betwiste gronden zijn voldoende om de maatregel in beginsel te kunnen dragen en de minister heeft zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel niet doeltreffend kon worden toegepast. Eiser is eerder MOB gegaan en een lichter middel heeft eerder niet tot overdracht geleid. Ambtshalve toetsing leidt niet tot een ander oordeel. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44527

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Kanaan als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Ten aanzien van de overdrachtstermijn

4. Eiser voert aan dat uit het dossier niet blijkt dat het besluit tot verlengen van de overdrachtstermijn aan eiser dan wel gemachtigde is uitgereikt of verzonden. Eiser stelt zich daarom op het standpunt dat de overdrachtstermijn is verstreken en dat hij op onjuiste grondslag in bewaring is gesteld.

De minister heeft het besluit van 22 april 2026, waarin de overdrachtstermijn is verlengd, geüpload in het digitale dossier. Uit dit besluit volgt dat dit besluit aan de toenmalige gemachtigde van eiser is verzonden.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende vast komen te staan dat het besluit van 22 april 2026 rechtsgeldig bekend is gemaakt aan eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om mee te gaan in het betoog van eiser dat enkel uitgegaan dient te worden van de stukken die oorspronkelijk in het dossier zaten. Het besluit is door de minister toegevoegd aan het digitale dossier voorafgaand aan de behandeling ter zitting. De rechtbank overweegt dat het aan gemachtigde is om zorg te dragen voor toegang aan haar waarnemer tot dit digitale dossier en dat het tot vlak voor de zitting toevoegen van nieuwe stukken inherent is aan de korte termijnen die zijn gemoeid met de behandeling van beroepen tegen maatregelen van vreemdelingenbewaring. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de maatregel van bewaring en de machtiging tot binnentreden van de woning

6. Eiser voert aan dat niet is na te gaan of het besluit om over te gaan tot een maatregel van vreemdelingenbewaring door een bevoegd ambtenaar is genomen en rechtsgeldig is ondertekend. Ook valt volgens eiser niet na te gaan of dit besluit nadien nog is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor de machtiging tot binnentreden.

7. Zoals de rechtbank bekend is, kan de elektronische handtekening worden geverifieerd door het digitale bestand van de maatregel in een pdf-viewer te openen en op de handtekening te klikken. De rechtbank heeft het digitale bestand van zowel de maatregel als de machtiging in pdf-viewer geopend en heeft op die manier kunnen vaststellen dat alle handtekeningen geldig zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring en de machtiging tot binnentreden rechtsgeldig zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de geldigheid van de ondertekening en ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat een elektronische handtekening niet rechtsgeldig zou zijn of dat de inhoud van de stukken nadien zou zijn gewijzigd. Eiser heeft zijn stelling ook niet nader onderbouwd. Dat enkel uitgegaan zou moeten worden van de in eerste instantie aan het dossier toegevoegde documenten wordt onder verwijzing naar wat in rechtsoverweging 5 opgemerkt verder voorbijgegaan. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

8. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?

9. Eiser heeft de d grond gemotiveerd betwist.

10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat er ook zij van dat wat is opgemerkt ten aanzien van de d grond, de overblijvende gronden zijn reeds voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een onderduikrisico bestaat en behoeft de d grond geen bespreking.

Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

11. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser bereikbaar was door DT&V en omdat hij vrijwillig is teruggekeerd naar de opvanglocatie en zo heeft laten zien dat hij medewerking wil verlenen aan de overdracht. Eiser heeft dit bevestigd tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.

12. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en dat een lichter middel toen niet tot overdracht heeft geleid. De enkele stelling dat eiser nu wel aan overdracht wil meewerken is niet voldoende voor een ander oordeel.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

13. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P. van Eerde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand