RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44106
(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Eiseres is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiseres ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 8 juli 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 16 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiseres tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiseres heeft ook verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. Uit de uitspraak van 16 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 14 juli 2026 rechtmatig is.
Wat is het standpunt van eiseres?
5. Eiseres voert aan dat de voortgangsrapportage (M120) ten onrechte geen blijk geeft van een individuele en actuele beoordeling van de noodzaak, subsidiariteit en proportionaliteit van de voortduring van de maatregel. Eiseres wijst erop dat er inmiddels een beslissing is genomen op haar asielaanvraag en dat zij hier beroep tegen heeft ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend. In de M120 is geen belangenafweging gemaakt, en deze recente ontwikkeling is dus ook niet beoordeeld door de minister. Eiseres wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026, en van zittingsplaats Roermond, van 31 juli 2026. In dit kader wijst eiseres erop dat zij behoort tot de LHBTIQ+-gemeenschap en dat dit betekent dat er een verhoogde kans is op bijzondere opvangbehoeften. Ook deze omstandigheid had moeten worden betrokken in de afweging of de maatregel kan voortduren. Verder stelt eiseres dat het enkele feit dat de uiterste termijn voor grensdetentie nog niet is verstreken niet betekent dat de bewaring gedurende die hele periode zonder nadere periode mag voortduren. Dat geldt te meer nu eiseres volledig is geïdentificeerd, over een authentiek en geldig Russisch paspoort beschikt en gedurende de procedure heeft meegewerkt.
Wat is het standpunt van de minister?
6. De minister stelt zich op het standpunt dat het grensbewakingsbelang voorop staat. Desondanks is er ruimte voor een belangenafweging, de maatregel dient zo kort mogelijk te duren en de minister toetst of er feiten of omstandigheden zijn die maken dat de maatregel niet langer kan voortduren. De minister stelt zich op het standpunt dat uit hetgeen eiseres in de onderhavige procedure naar voren heeft gebracht en uit het asielgehoor niets naar voren is gekomen dat de toepassing van een lichter middel vergt. De minister wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 27 juli 2026. Verder heeft de minister erop gewezen dat hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraken waar eiseres zich op beroept, de minister heeft het hoger beroepschrift in die zaak geüpload in het digitale dossier.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat eiseres aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend, terwijl zij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeed. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan.
Zoals de minister terecht opmerkt, rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen.
De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. De minister dient steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan - ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Uit de maatregel blijkt dat de minister die beoordeling heeft verricht. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel. Daarnaast is niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven. Eiseres heeft buiten haar verwijzing naar de eerder genoemde jurisprudentie niet toegelicht waarom zij vindt dat de motivering van de minister niet toereikend is. Het enkele behoren tot de LHBTIQ+-gemeenschap vindt de rechtbank hiertoe onvoldoende. Niet gesteld of gebleken is dat eiseres detentieongeschikt is, het dossier biedt hiervoor ook geen aanknopingspunten. Het ligt namelijk op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat sprake is van detentieongeschiktheid. Eiseres haar asielaanvraag is daarnaast niet-ontvankelijk verklaard. Dat eiseres volledig is geïdentificeerd, over een authentiek en geldig Russisch paspoort beschikt en gedurende de procedure heeft meegewerkt maakt dit, gelet op het grensbewakingsbelang, niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister niet verplicht om bij elke nieuwe ontwikkeling een kenbare, schriftelijke belangenafweging op te nemen in de M120. Eiseres heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd.
Ten aanzien van de maximale duur van grensdetentie overweegt de rechtbank als volgt. De hoogste bestuursrechter heeft in de uitspraak van 1 juli 2025 artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval te lang voortduurt na 13 weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. In het geval van eiseres betekent dat dat uiterlijk op
7 oktober 2026 op het asielverzoek van 7 juli 2026 door de rechtbank moest zijn beslist. De behandeling ter zitting van het beroep in de Asielgrensprocedure en het verzoek om een voorlopige voorziening zal plaatsvinden op 31 augustus 2026. De rechtbank doet in beginsel binnen vier weken uitspraak. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen aanknopingspunten zijn dat de maximaal toegestane duur van de grensdetentie van 13 weken zal worden overschreden.
Ambtshalve toetsing
8. Ook is overigens niet gebleken dat het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.