RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/707757 / JE RK 26-1109
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek van de gecertificeerde instelling tot wijziging van een zorgregeling en een zelfstandig verzoek van de moeder tot (ook) wijziging van die regeling en benoeming (in dat verband) van een bijzondere curator
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2026;
een geactualiseerde versie van het Gezinsplan, door de gecertificeerde instelling ingediend op 1 juli 2026;
het verweerschrift van de moeder, met zelfstandig verzoek, van 8 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader;
- [naam] en een collega als toehoorder namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening over de verzoeken gevraagd. [de minderjarige] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter met de toestemming van [de minderjarige] samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij haar vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 november 2025 als volgt beslist:
De kinderrechter:
bepaalt – met wijziging in zoverre van de beschikking van 11 juni 2025:
dat [de minderjarige] contact zal hebben met de moeder:
- één keer per week gedurende zes uur;
- minimaal één keer per maand vindt deze omgang plaats op een zaterdag;
de gecertificeerde instelling voert de regie over de uitvoering en uitbreiding van deze
regeling.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 april 2026 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 4 oktober 2026 en het meer of anders verzochte (het verzoek van de gecertificeerde instelling strekte tot verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar) afgewezen.
3. De verzoeken
Wijziging zorgregeling
De gecertificeerde instelling verzoekt de door de kinderrechter op 25 november 2025 gewijzigde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken opnieuw en als volgt te wijzigen:dat [de minderjarige] omgang heeft met de moeder:- de eerste zaterdag van de maand van 08:00 uur tot zondagavond 19:00 uur;- de drie daaropvolgende dinsdagen van 14:45 uur tot 21:00 uur.De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling heeft bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) een verzoek ingediend om de ondertoezichtstelling af te mogen ronden. De Raad heeft hier nog geen reactie op gegeven. Als de Raad instemt, eindigt de ondertoezichtstelling op 4 oktober 2026. Vooruitlopend hierop zullen gesprekken worden gevoerd met de ouders en zal een borgingsplan worden opgesteld, zodat een overdracht kan plaatsvinden naar het vrijwillig kader. Omdat de jeugdbeschermer in het vrijwillig kader niet meer betrokken zal zijn, zal ook de zorgregeling van [de minderjarige] geborgd moeten worden. De jeugdbeschermer heeft meerdere keren met [de minderjarige] gesproken over haar wens rondom het contact met de moeder en ook de gedragswetenschapper van de gecertificeerde instelling is hierbij betrokken geweest. [de minderjarige] heeft tijdens deze gesprekken de ruimte gekregen om haar ervaringen en wensen kenbaar te maken, onder meer door de zogenaamde BezoekZoeker in te vullen. Het verzoek van de gecertificeerde instelling komt geheel overeen met de wensen van [de minderjarige] De zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 november wordt momenteel niet (volledig) nagekomen. Dit leidt tot onduidelijkheid en hernieuwde spanningen tussen de ouders. Om ervoor te zorgen dat na het eindigen van de ondertoezichtstelling geen onduidelijkheid ontstaat over de invulling van het contact tussen de moeder en [de minderjarige] en om toekomstige geschillen tussen de ouders zoveel mogelijk te voorkomen, is een wijziging van die regeling belangrijk.
Wijziging zorgregeling en benoeming bijzondere curator
Door de moeder wordt verzocht de volgende (opbouwende) zorgregeling vast te stellen:
Fase 1: drie dinsdagcontacten per maand en één overnachtingsweekend per maand (zaterdag 08:00 uur tot zondag 19:00 uur), waarna een evaluatie plaatsvindt met [de minderjarige] en de betrokken professionals;
Fase 2: na een positieve evaluatie uitbreiding naar twee overnachtingsweekenden per maand, met behoud van de dinsdagcontacten, gevolgd door een nieuwe evaluatie;
Fase 3: na een positieve evaluatie uitbreiding van één van de overnachtingsweekenden naar een verblijf vanaf vrijdag uit school tot zondag 19:00 uur, met behoud van de overige contactmomenten, waarna opnieuw wordt geëvalueerd;
Fase 4: na een positieve evaluatie uitbreiding van beide overnachtingsweekenden naar een verblijf vanaf vrijdag uit school tot zondag 19:00 uur, gevolgd door een evaluatie;
Fase 5: na een positieve evaluatie gezamenlijk beoordelen of een verdere uitbreiding, zoals een eerste doordeweekse overnachting van dinsdag uit school tot woensdag naar school, aansluit bij de ontwikkeling en behoeften van [de minderjarige] .
Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de moeder het volgende naar voren gebracht. Het opbouwschema sluit aan bij de positieve ontwikkelingen die zich in de afgelopen periode hebben voorgedaan en zorgt ervoor dat het contact zorgvuldig, voorspelbaar en stabiel kan worden uitgebreid. Bovendien wordt zo voorkomen dat een definitieve zorgregeling voor de langere termijn wordt vastgesteld, zonder dat de effecten van eerdere uitbreidingen voldoende zijn beoordeeld. Iedere vervolgstap blijft afhankelijk van een positieve evaluatie van de voorafgaande fase. De behoeften van [de minderjarige] worden hierin meegenomen, maar deze zijn niet volledig bepalend. De evaluatiemomenten kunnen gedurende de ondertoezichtstelling en daarna met behulp van vrijwillige hulpverlening worden uitgevoerd. Hoewel de jeugdbeschermer aan [de minderjarige] gevraagd heeft of zij méér contact met de moeder zou willen, is de vraag of zij openstaat voor een nog uitgebreidere zorgregeling met de moeder dan nu door de gecertificeerde instelling wordt verzocht, onbeantwoord gebleven. De wens van [de minderjarige] rondom het contact met de moeder is onvoldoende helder. Dit maakt het voor de moeder onduidelijk of de verzochte zorgregeling het hoogst haalbare is of dat [de minderjarige] bijvoorbeeld niet ook in de vakanties een deel bij de moeder wil verblijven. Het is daarom belangrijk dat een bijzondere curator betrokken wordt. De bijzondere curator kan gesprekken voeren met [de minderjarige] over haar wensen, de contactmomenten evalueren en onderzoeken of de ondertoezichtstelling inderdaad op 4 oktober 2026 moet eindigen.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de gecertificeerde instelling. Zij pleit voor afwijzing van dat verzoek. De moeder is van mening dat de gecertificeerde instelling onvoldoende heeft onderbouwd waarom een wijziging van de zorgregeling voor [de minderjarige] noodzakelijk is. Op dit moment kan nog niet met zekerheid gezegd worden dat de ondertoezichtstelling daadwerkelijk eindigt op 4 oktober 2026 en de omstandigheden dus zullen wijzigen, nu de Raad nog een toets moet uitvoeren. Verder heeft de gecertificeerde instelling weinig inzichtelijk gemaakt op welke manier de wens van [de minderjarige] is vastgesteld, hoe deze zich verhoudt tot eerdere uitlatingen van [de minderjarige] en waarom de verzochte wijziging van de zorgregeling in haar belang is. De moeder stelt voorop dat zij positief staat tegenover de verzochte uitbreiding van het contact met [de minderjarige] . Het contact verloopt prettig en [de minderjarige] geniet van de tijd die zij met haar moeder doorbrengt. Deze positieve ontwikkeling onderschrijft volgens de moeder het belang van een zorgvuldige en stapsgewijze voortzetting van de ingezette opbouw en niet van een regeling zoals door de gecertificeerde instelling wordt verzocht. Daar komt bij dat de verzochte uitbreiding nog niet uitgevoerd en nog niet is geëvalueerd. Tegen de achtergrond van het oordeel van de kinderrechter in deze rechtbank dat de voortdurende strijd tussen de ouders een ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] vormt – ligt het meer voor de hand om de resterende duur van de ondertoezichtstelling voor opbouw en evaluatie te benutten. Daarbij komt dat de uitbreiding zoals de gecertificeerde instelling die voorstaat, grotendeels zal bestaan uit contactmomenten op doordeweekse dagen. Ondanks dat de moeder dit contact ook waardevol vindt, wordt dit wel in belangrijke mate begrensd door school, huiswerk en de dagelijkse verplichtingen van [de minderjarige] . Hierdoor is er minder ruimte voor familiebezoek of gezamenlijke activiteiten met de moeder, terwijl dit juist belangrijk is voor het versterken van de ouder-kindrelatie. Van belang is verder dat [de minderjarige] op de zaterdagen om 09:00 uur moet voetballen. Het is voor haar belastend als zij om 08:00 uur bij de moeder moet zijn, terwijl haar voetbalvereniging tussen de woningen van de ouders in ligt. Dit is ten onrechte niet meegenomen in het verzoek van de gecertificeerde instelling.
De vader heeft tijdens de zitting toegelicht dat [de minderjarige] niet staat te springen om contact met de moeder. De vader staat achter de door de gecertificeerde instelling verzochte wijziging van de zorgregeling. Hij vertelt [de minderjarige] vaak dat het contact met de moeder belangrijk is en [de minderjarige] vindt - onder deze druk - de verzochte wijziging van de zorgregeling ook prima. De vader staat niet achter het verzoek van de moeder en hij zal [de minderjarige] hiervoor ook niet motiveren. Het verzoek past namelijk niet bij de wens van [de minderjarige] en zij zal ook zeker niet openstaan voor gesprekken met een bijzondere curator. Dit heeft ze namelijk al meerdere keren moeten doen.
De gecertificeerde instelling heeft er zitting te kennen gegeven niet in te stemmen met de door de moeder verzochte wijziging van de zorgregeling. De jeugdbeschermer heeft verschillende gesprekken met [de minderjarige] gehad over de zorgregeling en over de invulling daarvan. De door de gecertificeerde instelling verzochte wijziging van de zorgregeling, is de zorgregeling die [de minderjarige] wil en wenst. Zij wil de dinsdagen, waarbij zij tot 21:00 uur bij de moeder is, behouden en ook het aanvangstijdstip op de zaterdagen is met haar besproken en door haar goedgekeurd. Bij haar werd weinig ruimte gezien om de zorgregeling anders vorm te geven dan nu door de gecertificeerde instelling wordt verzocht. Een uitgebreidere zorgregeling strookt niet met het belang van [de minderjarige] , maar met het belang van de moeder. [de minderjarige] heeft aan de jeugdbeschermer te kennen gegeven dat zij geen hulp wil, ook niet in het vrijwillig kader. Zij wil rust en geen rechtszaken meer. Mocht de door de moeder verzochte wijziging van de zorgregeling worden toegewezen en de ondertoezichtstelling worden afgerond, dan zal een deel van de evaluatiemomenten en de gesprekken met een bijzondere curator met [de minderjarige] in het vrijwillig kader moeten gaan plaatsvinden, als dat al mogelijk is. Dit zorgt bij uitstek voor onrust en rechtszaken, te meer omdat de vader ter zitting heeft aangegeven niet mee te zullen gaan werken. Het is niet in het belang van [de minderjarige] om opnieuw gesprekken met een bijzondere curator te voeren over hoe het met haar gaat en wat haar wens is over het contact met de moeder. Het is belangrijk dat de ouders de situatie meer leren los te laten en meer naar [de minderjarige] luisteren. Op het moment dat niet meer getrokken wordt aan [de minderjarige] , die op dit moment niet méér contactmomenten wil, kan het zo zijn dat zij in de toekomst wel positief staat tegenover een uitgebreidere zorgregeling met de moeder.
5. De beoordeling
Bij beschikking van 4 november 2016 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld, mede vanwege de strijd tussen de vader en de moeder en de daarmee gepaard gaande ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] . De ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd. [de minderjarige] is het overgrote deel van haar leven opgegroeid temidden van deze strijd. Zij is hiermee en met de zeer verstoorde onderlinge verstandhouding tussen de vader en de moeder belast. In het verleden woonde [de minderjarige] bij de moeder en er was sprake van een zorgregeling met de vader. Ondanks meerdere schriftelijke aanwijzingen en dwangsommen, kwam de moeder de zorgregeling zeer moeizaam na. Er zijn meerdere pogingen gedaan om het contact tussen [de minderjarige] en de vader te herstellen. Bij beschikking van 29 juni 2018 is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepaald en is een voorlopige zorgregeling met de moeder vastgesteld. Hierna is deze zorgregeling meerdere keren gewijzigd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 november 2025.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265g, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) een zorgregeling wijzigen op – onder meer –de grond dat na de vaststelling daarvan de omstandigheden zijn gewijzigd. Naar het oordeel van de kinderrechter noopt het belang van [de minderjarige] in dit geval tot wijziging.
Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende. [de minderjarige] , inmiddels 13 jaar oud en goed in staat om te vertellen wat zij nodig heeft, wat zij wil en waar haar grenzen liggen, heeft tegenover de jeugdbeschermer, de gedragswetenschapper van de gecertificeerde instelling en de kinderrechter haar wensen over (de invulling van) het contact met haar moeder heel duidelijk gemaakt. Die wensen komen volledig tot uitdrukking in het verzoek van de gecertificeerde instelling. Dat [de minderjarige] druk zou hebben ervaren om met dat verzoek in te stemmen, zoals de vader ter zitting heeft gesuggereerd, vindt de kinderrechter niet aannemelijk. Die indruk heeft [de minderjarige] bij de kinderrechter in ieder geval niet gewekt (zo gaf zij aan dat er direct kan worden gestart met de nieuwe regeling en dat zij het fijn heeft bij haar moeder) en kennelijk ook niet bij de jeugdbeschermer en de gedragswetenschapper en evenmin bij de moeder, zo heeft de moeder ter zitting naar voren gebracht. Toewijzing van het verzoek van de gecertificeerde instelling acht de kinderrechter daarom in het belang van [de minderjarige] en naar haar oordeel is het verzoek van de moeder, ongeacht haar goede intenties, waar de kinderrechter niet aan twijfelt, dat (in ieder geval thans) niet. Niet alleen strookt dat verzoek niet met de wensen van [de minderjarige] , die serieus genomen moeten worden, de uitvoering daarvan zal ook weer het nodige van haar gaan vragen, zoals het voeren van vele gesprekken, onder meer ten behoeve van evaluaties, terwijl de kinderrechter inschat dat hiervoor de draagkracht bij [de minderjarige] ontbreekt. De kinderrechter heeft in dit verband meegewogen dat [de minderjarige] heeft gezegd rust te willen, te vrezen voor hernieuwde discussies als het verzoek van de moeder wordt toegewezen en zij niet nog méér rechtszaken wil. Onder deze omstandigheden komt uitbreiding van de zorgregeling zoals de moeder dat wenst neer op forceren en dat kan schadelijk zijn. Het verzoek van de gecertificeerde instelling zal daarom worden toegewezen. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 november 2025 is de regie over de uitvoering en uitbreiding van de regeling bij de gecertificeerde instelling belegd en de kinderrechter heeft begrepen dat de gecertificeerde instelling dit zo wil houden. Dit zal daarom ook nogmaals expliciet worden bepaald. Het zelfstandige verzoek van de moeder wordt afgewezen.
Tot slot benadrukt de kinderrechter dat het aan de ouders is om te laten zien dat zij het belang van [de minderjarige] voorop kunnen stellen door zich volledig te houden aan de door haar gewenste en met deze beschikking vastgestelde zorgregeling. De ouders zijn dat verplicht aan hun dochter. Zij verdient rust en de sleutel en verantwoordelijkheid hiervoor liggen bij de ouders. Wellicht ten overvloede wijst de kinderrechter erop dat haar beslissing niet wil zeggen dat het voorlopig niet tot verdere uitbreiding van de zorgregeling zal kunnen komen. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat met toewijzing van het verzoek van de gecertificeerde instelling méér rust zal ontstaan en deze rust de basis zal kunnen zijn voor méér contact tussen [de minderjarige] en de moeder, al dan niet in een vrijwillig kader, waarbij uiteraard het belang van [de minderjarige] leidend zal moeten blijven.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken – in zoverre met wijziging van de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 november 2025 – als volgt:
[de minderjarige] verblijft bij de moeder:
- de eerste zaterdag van de maand van 08:00 uur tot zondagavond 19:00 uur;
- de drie daaropvolgende dinsdagen van 14:45 uur tot 21:00 uur;
bepaalt dat de regie over de uitvoering en uitbreiding van deze regeling tot 4 oktober 2026 bij de gecertificeerde instelling ligt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de zelfstandige verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 17 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.