[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Teylingen
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: Woonstichting Stek uit Lisse (gemachtigde: mr. P.A. Kok) (belanghebbende 1) en Hoogvliet Beheer B.V. uit Hazerswoude-Rijndijk (gemachtigden: mrs. M. Kleinstra en S.E. Prins) (belanghebbende 2).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen de door het college verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een supermarkt, 48 appartementen, 3 commerciële ruimten en 6 woningen op de locatie [locatie] in [plaats].
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
2. Op 15 december 2023 hebben initiatiefnemers een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een appartementencomplex met 48 appartementen, met in de plint een supermarkt en 3 commerciële ruimten, en een rijtje van 11 eengezinswoningen. Tussen de twee bouwdelen komt een parkeerterrein.
Het college heeft de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd van
17 oktober 2024 tot en met 27 november 2024. Eiser heeft daarover een zienswijze naar voren gebracht.
Op 27 maart 2026 heeft het college de omgevingsvergunning definitief verleend. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen en advisering door de Adviescommissie omgevingskwaliteit van de Stichting Dorp, Stad & Land is de positionering van de woningen aangepast en is het aantal woningen verminderd van 11 naar 6.
Is het beroep ontvankelijk?
3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser niet is aan te merken als belanghebbende. In dat kader heeft het college erop gewezen dat eiser op een afstand van meer dan 330 meter van het projectgebied woont en hij daar vanuit zijn woning geen zicht op heeft. Volgens het college zal eiser ook anderszins geen feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervinden door de realisatie van het bouwplan.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 mei 2021 volgt dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb, maar die tegen het ontwerpbesluit op basis van de hem in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid wel een zienswijze heeft ingediend, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. Aangezien eiser een zienswijze heeft ingediend, is eiser naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk in zijn beroep.
Het beroep is beperkt tot de keuze om 100% sociale woningbouw te realiseren
4. Het beroep van eiser is – blijkens het door hem ingevulde bezwaarformulier en zijn e-mail van 7 juli 2026 aan de rechtbank – uitsluitend gericht tegen het volgens hem ontbreken van een deugdelijke ruimtelijke motivering voor de keuze om het woningprogramma volledig in te vullen met sociale huurwoningen, zonder kenbare afweging van alternatieve programma’s.
Belanghebbende 2 heeft zich in haar reactie van 30 juli 2026 op het standpunt gesteld dat de normen waarop eiser zich beroept kennelijk niet strekken tot de bescherming van zijn eigen belangen. Het relativiteitsvereiste verzet zich daarom tegen vernietiging van het bestreden besluit, aldus belanghebbende 2.
Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.
De rechtbank overweegt dat artikel 8:69a van de Awb zich verzet tegen vernietiging van het bestreden besluit naar aanleiding van deze beroepsgrond. Met het betoog dat een 100% sociale huurinvulling op een A1-centrumlocatie ruimtelijk niet logisch, niet toekomstbestendig, en niet optimaal is voor de centrumontwikkeling, beroept eiser zich op normen die kennelijk niet strekken tot de bescherming van zijn belangen. Daarom hoeft niet te worden beoordeeld of deze normen zijn geschonden. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.
Inspraakdocument
5. Eiser heeft een ‘inspraakdocument’ als bijlage bij zijn beroepschrift meegestuurd. Daarin reageert eiser op de Nota beantwoording zienswijzen van 22 december 2025, waarin het college ook is ingegaan op de door hem ingediende zienswijze. Dit inspraakdocument heeft eiser ingezonden en mondeling toegelicht bij de raadscommissie Ruimte op 3 februari 2026.
De rechtbank overweegt het volgende. In het inspraakdocument heeft eiser onder meer “bezwaren en juridische aandachtspunten” en “verzoeken en besluitpunten” (aan de raad en het college) vermeld. Eisers inspraak is door de raad betrokken bij het afgeven van de verklaring van geen bedenkingen, waarna het college het bestreden besluit genomen heeft. Met het in beroep opnieuw overleggen van het inspraakdocument heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet toegelicht waarom hij van mening is dat het bestreden besluit onjuist of onvolledig is. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.
Te laat ingediende beroepsgronden
6. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Omdat het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van Afdeling 3:4 van de Awb, ving de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Het bestreden besluit is op 2 april 2026 ter inzage gelegd. De beroepstermijn liep daarom van 3 april tot en met 14 mei 2026. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
Eiser heeft op 29 mei 2026, 7 juli 2026 en 21 juli 2026 (aanvullende) beroepsgronden ingediend. Voor zover hierin de beroepsgrond over de keuze voor 100% sociale woningbouw is aangevuld, verwijst de rechtbank naar de overwegingen 4 tot en met 4.4. Voor zover eiser hierin nieuwe beroepsgronden heeft aangevoerd, laat de rechtbank deze buiten beschouwing, omdat ze buiten de beroepstermijn zijn ingediend.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.