[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Sri Lankaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Allereerst handhaaft eiser al hetgeen eerder in de procedure en de zienswijze naar voren is gebracht. Verweerder heeft de individuele omstandigheden van eiser in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening onvoldoende in hun onderlinge samenhang gewogen en deze onvoldoende gemotiveerd door herhaaldelijk te verwijzen naar eerdere overwegingen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder stelt eiser dat overdracht aan Duitsland een risico op een schending van artikel 4 van het Handvest oplevert. Hierbij verwijst eiser naar het AIDA-rapport (update 2023) over Duitsland. Tot slot heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van het ontbreken van eisers identiteitsdocumenten bij een feitelijke overdracht aan Duitsland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Handhaving van de zienswijze
5. Uit het in algemene zin handhaven van wat eiser eerder in de procedure en zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van de zaak.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2024, 6 mei 2024 en 14 februari 2025. De situatie zoals die in het AIDA-rapport over 2023 naar voren komt, schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven. De Afdeling heeft dit ook bevestigd. Eiser heeft verder onvoldoende geconcretiseerd waarom er specifiek in zijn geval niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zo heeft hij onvoldoende (met stukken) onderbouwd dat hij als Tamil-sprekende onvoldoende ondersteuning zal krijgen in Duitsland. Eisers stellingen over zijn kwetsbaarheid bij overdracht vanwege het ontbreken van zijn documenten en de afwezigheid van een sociaal netwerk in Duitsland, zijn onvoldoende onderbouwd om aanleiding te geven voor het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan of om een nadere onderzoeksplicht voor verweerder aan te nemen. Van eiser mag verwacht worden dat hij zich bij voorkomende problemen in de Duitse opvangvoorzieningen, asielprocedure of anderszins, beklaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser voert aan dat hij alleen als gevolg van dwang door zijn reisbegeleiders in de Dubinprocedure ten aanzien van Duitsland zit, dat zijn paspoort is afgenomen, dat zijn enige familie zich in het Verenigd Koninkrijk bevindt, dat hij er in Duitsland alleen voor staat en dat er geen afdoende tolkondersteuning is in Duitsland voor Tamil-sprekenden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van deze omstandigheden, zowel los van elkaar als in samenhang bezien, zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze onvoldoende zijn om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. Daarbij betrekt de rechtbank dat de omstandigheden die in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zijn beoordeeld, niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.