ECLI:NL:RBDHA:2026:23214

ECLI:NL:RBDHA:2026:23214

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-07-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer NL26.25260
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin, Spanje, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.25260

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),

en

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.25261) te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

Eiser heeft de Ugandese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 21 februari 2026 ingediend.

Uit Eu-Vis is gebleken dat Spanje aan eiser een Schengenvisum heeft verleend, met een geldigheidsduur van 9 februari tot 5 maart 2026. Op 27 maart 2026 heeft Nederland aan Spanje verzocht eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit verzoek op 6 april 2026 aanvaard op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beroepsgronden

3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd is. Er bestaat onduidelijkheid over de datum van het claimakkoord en ook over de bepaling die ten grondslag ligt aan de verantwoordelijkheid van Spanje. Verder dient er op grond van artikel 5 van de Dublinverordening een persoonlijk onderhoud met eiser plaats te vinden. Voor zover er al een gehoor met eiser is gehouden kan een aanmeldgehoor niet gelijk worden gesteld met een zorgvuldig Dublingehoor. Het verslag van het Dublingehoor is niet tijdig en volledig aan de gemachtigde beschikbaar gesteld, waardoor eiser in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Verder is eiser een kwetsbare, alleenstaande man die uit Oeganda is gevlucht vanwege zijn geaardheid. Hij heeft last van psychische klachten en is door zijn reisagent beroofd van zijn paspoort en portemonnee. Eiser is na overdracht aan Spanje afhankelijk van toegang tot opvang en begeleiding. In Spanje loopt eiser (als kwetsbare Dublinterugkeerder) een risico op gebrek aan (adequate) opvang en passende zorg en een risico op indirect refoulement. Hij verwijst in dit verband naar het AIDA rapport over Spanje van april 2025, update 2024. De kwetsbaarheid van eiser brengt mee dat verweerder individuele garanties had moeten vragen aan Spanje op het gebied van opvang, begeleiding en medische zorg. Eiser doet hiermee een beroep op het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. Er bestaat volgens eiser een risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er onduidelijkheid bestaat over de datum van het claimakkoord. Uit de e-mail waarin het claimakkoord door Spanje naar de Nederlandse autoriteiten is gestuurd, volgt dat het claimakkoord op 6 april 2026 is verzonden. Dat in het bestreden besluit de datum 7 april 2026 staat vermeld, beschouwt de rechtbank, evenals verweerder, als een kennelijke verschrijving. Ten aanzien van eisers stelling over de onduidelijkheid over de grondslag voor de verantwoordelijkheid van Spanje merkt de rechtbank allereerst op dat eiser niet betwist dat Spanje verantwoordelijk is voor het in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk wat eiser met zijn stelling precies wil bereiken. De rechtbank wijst er op dat in het claimakkoord is vermeld dat Spanje het claimverzoek accepteert op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Gelet ook op de omstandigheid dat eiser van Spanje een visum had gekregen, dat nog geldig was toen hij zijn asielaanvraag in Nederland indiende, kan er bij eiser in redelijkheid geen onduidelijkheid over bestaan dat Spanje op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag.

5. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de vreemdeling om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen. De rechtbank stelt vast dat er op 27 maart 2026 een Dublingehoor heeft plaatsgevonden waarbij met eiser is gesproken over een mogelijke overdracht aan Spanje. In dit gehoor is eiser in de gelegenheid gesteld eventuele bezwaren tegen overdracht aan Spanje aan te voeren. Daarnaast heeft hij redenen kunnen geven waarom hij juist in Nederland verzoekt om internationale bescherming. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake geweest van een zorgvuldig gehoor. Hoewel verweerder op de zitting heeft erkend dat het verslag niet direct naar eisers gemachtigde is verzonden, heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld dat eiser zelf wel direct het verslag van het gehoor uitgereikt heeft gekregen. De gemachtigde heeft bovendien op 24 april 2026 gereageerd op het voornemen om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen en uit de inhoud van deze zienswijze maakt de rechtbank op dat de gemachtigde voor dat moment in de gelegenheid is geweest om met eiser overleg te voeren over zijn zaak. Onder deze omstandigheden, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat er een zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan de besluitvorming.

De rechtbank overweegt over eisers stellingen die verband houden met het interstatelijk vertrouwensbeginsel als volgt. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo dat hij niet betwist dat in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar dat hij aanvoert dat dit in zijn individuele geval niet zonder meer geldt, gelet op zijn kwetsbaarheid. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt ter zitting, dat niet is gebleken dat eiser kwetsbaar is. Eiser heeft zijn stellingen hieromtrent namelijk niet onderbouwd. Zo heeft hij geen recente medische documenten verstrekt waaruit blijkt dat hij psychische klachten heeft en dat hij hiervoor behandeling krijgt of nodig heeft. Om deze reden komt eiser geen geslaagd beroep toe op het arrest Tarakhel en hoefde verweerder daarom geen individuele garanties voor hem te vragen aan de Spaanse autoriteiten.

De vraag of eiser bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op indirect refoulement, valt buiten het bestek van deze Dublinprocedure. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Zoals hiervoor overwogen, leidt de rechtbank uit het beroepschrift af dat eiser niet betwist dat in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Aan een beoordeling van het risico op indirect refoulement komt de rechtbank daarom niet toe.

7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dit beleid luidde tot 12 juni 2026, trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die maken dat overdracht aan Spanje onevenredig hard is voor eiser.

8. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Griffier

  • mr. J. Dommerholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand