RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. K.S. Kort),
uitspraak
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24566
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei)
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft op 30 april 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.24567) te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen: D. Farhat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Jordaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 18 januari 2026 ingediend.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 9 juli 2025 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Slovenië. Op 18 maart 2026 heeft Nederland aan Slovenië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Slovenië heeft dit verzoek op 20 maart 2026 aanvaard op dezelfde grondslag.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)1 niet in behandeling genomen, omdat Slovenië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Slovenië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Slovenië niet zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daartoe stelt hij, onder verwijzing naar pagina’s 53 en 80 van het AIDA-rapport over Slovenië (update 2024) van juli 2025, dat Dublinclaimanten gedurende de wachttijd (van 3 tot 20 dagen) voor het indienen van een asielverzoek geen recht hebben op opvang. Dit is in strijd met artikel 17 van de Opvangrichtlijn. Eiser zal in Slovenië belanden in een situatie van verregaande materiële deprivatie. Er dreigt een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest. Eiser beroept zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 23 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6360. Subsidiair meent eiser, zo voert hij ter zitting aan, dat de opvang in Slovenië gedurende de wachttijd in strijd is met artikel 5 van het EVRM. Eiser voert verder (eveneens eerst ter zitting) aan dat uit de pagina’s 41 en 42 van het AIDA-rapport volgt dat er tekortkomingen zijn in het Sloveense asielsysteem waar het gaat om toegang tot rechtsbijstand. Verweerder heeft ten slotte onvoldoende gemotiveerd waarom overdracht aan Slovenië in eisers geval niet van een onevenredige hardheid in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening zou getuigen. Eiser wijst er in dit kader op dat hij in de opvang in Slovenië is mishandeld door de autoriteiten.
Beoordeling van het beroep
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraken van 8 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2644) en 21 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1106) geoordeeld dat ten aanzien van Slovenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Slovenië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Slovenië geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan
1 De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.
eiser om concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Slovenië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Sloveense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Slovenië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Slovenië. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
Naar oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Uit het AIDA-rapport, update 2024, uit juli 2025 blijkt niet van zodanige systeemgebreken in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen in Slovenië dat concrete aanknopingspunten bestaan dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat Dublinclaimanten na overdracht aan Slovenië gedurende de wachttijd voor het indienen van een asielaanvraag verstoken blijven van opvang. Uit pagina 53 van het AIDA-rapport volgt dat Dublinclaimanten in Slovenië worden aangemerkt als asielzoekers en dat zij, net als andere asielzoekers, 3 tot 20 dagen moeten wachten om een asielaanvraag in te dienen. Op diverse plaatsen in het AIDA-rapport, waaronder de pagina’s 81 en 98 volgt dat in de praktijk opvang wordt geboden aan een asielzoeker vanaf het moment dat diegene de intentie kenbaar maakt asiel aan te willen vragen en dus voordat de asielaanvraag formeel is ingediend. Die opvang vindt, zo volgt tevens uit het rapport, plaats in een Asylum Home of Logatec. De enkele zinsnede op pagina 53 van het rapport ‘they do not have access to all of the services’ is geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van de hierboven vermelde, duidelijke informatie in het AIDA-rapport die op meerdere plaatsen in het rapport terug komt. Eiser heeft ter zitting subsidiair aangevoerd dat de opvang in een Asylum Home of Logatec in strijd is met artikel 5 van het EVRM, omdat asielzoekers niet het terrein zouden mogen verlaten in de periode dat zij in afwachting zijn van de indiening van hun aanvraag. Uit het AIDA-rapport volgt dat Dublinterugkeerders in Slovenië de opdracht krijgen om het opvangterrein niet te verlaten tot zij de asielaanvraag formeel hebben ingediend. De rechtbank ziet hierin geen concrete aanwijzingen om aan te nemen dat sprake is van een structurele praktijk waarbij vreemdelingen tegen hun wil worden vastgehouden in een opvangcentrum voordat zij hun asielaanvraag kunnen indienen. Van strijd met artikel 5 van het EVRM is daarom geen sprake. Met betrekking tot wat eiser ter zitting heeft aangevoerd over de toegang tot rechtsbijstand in Slovenië, overweegt de rechtbank dat uit de Procedurerichtlijn volgt dat gratis rechtsbijstand pas hoeft te worden verleend in een beroepsprocedure tegen een genomen besluit op een asielaanvraag. Daaraan voldoet Slovenië, zo volgt uit pagina 42 van het AIDA-rapport. Dat er in de praktijk dusdanige problemen zijn bij het verkrijgen van rechtsbijstand dat aangenomen moet worden dat Slovenië zijn internationale verplichtingen schendt, volgt de rechtbank niet. Overigens blijkt uit pagina 42 van het AIDA-rapport dat het, zij het niet zonder problemen, in Slovenië ook mogelijk is om rechtsbijstand te verkrijgen in de bestuurlijke besluitvormingsfase. Mocht eiser na een overdracht problemen
ondervinden bij het verkrijgen van rechtsbijstand, dan dient hij zich hierover te beklagen bij de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos zou zijn.
Eisers stellingen (ter zitting) over zijn persoonlijke ervaringen tijdens zijn eerdere verblijf in Slovenië – mishandelingen in de opvang – leiden evenmin tot het oordeel dat sprake is van ernstige en structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Slovenië. Verweerder mag ervan uitgaan dat eiser bij problemen bescherming kan krijgen van de Sloveense autoriteiten. Niet gebleken is dat het voor eiser niet mogelijk is om bescherming of hulp te krijgen.
5. De beroepsgronden slagen niet.
Onevenredige hardheid
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dit beleid luidde tot 12 juni 2026, trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van
een onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Ten aanzien van wat eiser heeft gesteld over de mishandeling in Slovenië in de opvang heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de mogelijkheid had om bij de autoriteiten in Slovenië te klagen hierover en dat het tegendeel niet is gebleken. Dat eiser getraumatiseerd is door de behandeling in Slovenië, zoals hij stelt, heeft hij niet onderbouwd, zodat de rechtbank daar niet vanuit kan gaan. Wat eiser verder heeft aangevoerd, is al beoordeeld in het kader van de vraag naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.