ECLI:NL:RBDHA:2026:23218

ECLI:NL:RBDHA:2026:23218

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-07-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer NL26.24426
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin, Finland, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.24426

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),

en

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 april 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat Finland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.24427) te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen: A. Yahyeh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

Eiser heeft een Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 15 januari 2026 ingediend.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser in Finland op 21 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 5 februari 2026 heeft Nederland aan Finland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening). Finland heeft dit verzoek op 17 februari 2026 op dezelfde grondslag aanvaard.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Finland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Finland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beroepsgronden

3. Eiser betoogt dat sprake is van een reëel risico op refoulement bij overdracht aan Finland. Volgens eiser is er een evident verschil in beschermingsbeleid tussen Finland en Nederland. Eiser wijst op het in Nederland geldende beleid ten aanzien van Somaliërs die afkomstig zijn uit [locatie] , op het EUAA rapport, ‘Country Guidance: Somalia’, op de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 30 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8167, op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2243 en op het Algemeen ambtsbericht Somalië van 30 juni 2023. Eiser stelt dat de Finse beslissing waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen diverse gebreken kent. Zo blijkt daaruit niet dat de zogenaamde ‘glijdende schaal’ is toegepast en verder zijn diverse relevante omstandigheden buiten beschouwing gelaten. Eiser doet verder een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 16 februari 2017, in de zaak C.K. tegen Slovenië (C.K.), ECLI:EU:C:2017:127. Overdracht aan Finland zal volgens eiser leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Tot slot voert eiser aan dat overdracht leidt tot onevenredige hardheid, zodat verweerder de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Eiser wijst in dit verband op de gebreken die zijns inziens kleven aan de Finse beslissing op zijn asielaanvraag en op de wijze waarop in Nederland asielaanvragen van Somaliërs uit [locatie] worden behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Finland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Finland geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling.

Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Finland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Finse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Finland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Finland. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinterugkeerder na overdracht aan Finland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Finse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.

Eiser heeft geen algemene landeninformatie overgelegd over het asielsysteem in Finland of de opvangvoorzieningen daar. Verder heeft hij zelf verklaard dat hij geen persoonlijke problemen heeft ondervonden in Finland. De asielaanvraag van eiser is in Finland afgewezen en de autoriteiten wilden eiser terugsturen naar Somalië. Omdat eiser bang was om teruggestuurd te worden naar Somalië heeft eiser Finland verlaten zonder zijn beroepsprocedure af te wachten. Daarmee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Finland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

Met het claimakkoord heeft Finland gegarandeerd eisers (opvolgende) asielaanvraag in behandeling te nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Verweerder mag erop vertrouwen dat de Finse autoriteiten eisers aanvraag in overeenstemming met de eisen van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Handvest zullen beoordelen. Als eiser meent dat Finland zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen, kan hij daartegen opkomen bij de Finse autoriteiten. Ook als eiser na overdracht anderszins problemen ondervindt, dient hij zich te beklagen bij de Finse autoriteiten of daar om hulp te vragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Finse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen of dat klagen in Finland onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.

Het betoog van eiser dat hij bij overdracht aan Finland een reëel risico loopt op indirect refoulement treft geen doel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in die lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, in de zin van het arrest Jawo. Eiser heeft dergelijke systeemfouten niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat wat hij aanvoert over indirect refoulement en het verschil in beschermingsbeleid tussen Finland en Nederland, en de informatie en uitspraken waarop hij zich in dit verband heeft beroepen, niet worden beoordeeld.

5. Het beroep van eiser op het arrest van het Hof in de zaak C.K. slaagt ook niet. De rechtbank overweegt dat het in eerste instantie aan eiser is om met objectieve medische stukken te onderbouwen dat zijn gezondheidstoestand bijzonder ernstig is en dat overdracht

aan Finland een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt. Pas indien eiser aan deze bewijslast voldoet, is het aan verweerder om de gerezen twijfel over een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser ten gevolge van de overdracht weg te nemen. Eiser stelt dat het na de afwijzing van zijn asielaanvraag in Finland heel slecht met hem ging, dat hij niet meer kon slapen, constant in angst was en droomde dat hij in Somalië gedood werd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij allerlei onderzoeken heeft gehad. Eiser ziet een arts en is doorverwezen naar een psychiater. Ter ondersteuning van zijn gezondheidstoestand en behandeling daarvoor heeft eiser echter geen medische documenten overgelegd. Eiser heeft daarom niet aan zijn bewijslast voldaan. Gelet daarop heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien onderzoek te verrichten naar eisers medische situatie. In dit verband wijst de rechtbank er verder op dat gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel verweerder ervan mag uitgaan dat Finland over vergelijkbare medische voorzieningen als Nederland beschikt en dat de eventueel voor eiser benodigde medische zorg daarom ook in Finland beschikbaar is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat, voor zover hij al zorg nodig heeft, Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen.

6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dit beleid luidde tot 12 juni 2026, trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank ziet in eisers stellingen die verband houden met zijn asielprocedure in Finland en de wijze waarop in Nederland asielaanvragen van Somaliërs worden behandeld, geen reden om aan te nemen dat overdracht van eiser aan Finland onevenredig hard is. Daarbij is van belang dat eiser zijn stellingen over de Finse asielprocedure niet heeft onderbouwd en dat zijn overige stellingen niet direct zien op zijn individuele situatie.

7. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Griffier

  • mr. J. Dommerholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand