RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24142
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft op 29 april 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.24143).
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
Eiser heeft de Tunesische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 26 februari 2026 ingediend.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 7 januari 2026, op 5 november 2024 en op 6 februari 2024 in Duitsland verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Op 12 maart 2026 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen. Duitsland heeft dit verzoek op 26 maart 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).
Bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)1 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zonder meer uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Eiser heeft in de zienswijze verwezen naar het AIDA-rapport van juni 2025. Uit dit rapport blijken structurele tekortkomingen in de Duitse asielpraktijk, die onder andere zien op de toegang tot rechtsbijstand. Verweerder heeft deze informatie onvoldoende betrokken. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan de ervaringen van eiser in Duitsland. Hij is daar ernstig mishandeld en vernederd nadat bekend werd dat hij homoseksueel is. Doordat hij racistisch is bejegend heeft hij ernstige psychische klachten ontwikkeld en is hij verslaafd geraakt. Eiser is aldus kwetsbaar. Verweerder kan niet aan eiser tegenwerpen dat hij bij de Duitse autoriteiten kan klagen over problemen in het Duitse asielsysteem dan wel over persoonlijke problemen die hij in Duitsland ondervindt. Eiser heeft namelijk geen vertrouwen in de Duitse autoriteiten vanwege de manier waarop hij daar is behandeld. Bovendien spreekt hij de taal niet, heeft hij geen toegang tot rechtsbijstand en beschikt hij niet over financiële middelen. Overdracht naar Duitsland levert voor eiser een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest op. Verweerder heeft verder onvoldoende onderzocht of sprake is van indirect refoulement. Tot slot heeft verweerder onvoldoende onderzocht of de individuele omstandigheden van eiser aanleiding zijn om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen
(het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, 14 februari 2025,
ECLI:NL:RVS:2025:588 en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4770, bevestigd dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
1 De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).
Eiser heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat ten aanzien van Duitsland niet langer zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel verwezen naar het AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024). Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit wat in dit rapport is opgenomen over de rechtsbijstand in Duitsland voor asielzoekers niet dat Duitsland zijn internationale verplichtingen schendt. In de beroepsfase is er in beginsel gratis rechtsbijstand. Dat dit afhankelijk is gesteld van de kans van slagen van de beroepsprocedure, is niet in strijd met de Procedurerichtlijn.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn verklaringen over wat hij zelf in Duitsland heeft meegemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht
aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ten aanzien van de mishandeling en racistische bejegening waar eiser mee te maken heeft gehad geldt dat Duitsland ook partij is bij het EVRM, zodat verweerder er vanuit mag gaan dat Duitsland eiser zal beschermen bij voorkomende problemen. Verweerder verwacht in dit kader terecht van eiser dat hij zelf de Duitse autoriteiten benadert voor hulp of bescherming. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is. Eiser heeft in Duitsland geen aangifte gedaan of op een andere manier hulp gezocht nadat hij eerder problemen ondervond. De enkele stelling dat eiser geen vertrouwen heeft in de Duitse autoriteiten maakt niet aannemelijk dat klagen bij voorbaat zinloos is. Datzelfde geldt voor de enkele stelling dat eiser de taal niet spreekt en niet beschikt over financiële middelen. Voor zover eiser met zijn stelling dat hij kwetsbaar is, zich heeft willen beroepen op het arrest van het EHRM van 4 november 2014, in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712), volgt de rechtbank het standpunt van verweerder ter zitting dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat hij bijzonder kwetsbaar is als bedoeld in dit arrest.
Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement,
zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dit beleid luidde tot 12 juni 2026, trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van
een onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Het meeste dat eiser heeft aangevoerd, is al beoordeeld in het kader van de vraag naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van eisers stelling over de psychische klachten en zijn verslaving, die het gevolg zouden zijn van zijn ervaringen in Duitsland, overweegt de rechtbank dat de gestelde omstandigheden van eiser niet zijn geconcretiseerd of onderbouwd. De rechtbank ziet in de enkele stelling van eiser daarover geen reden om aan te nemen dat overdracht aan Duitsland onevenredig hard is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.