ECLI:NL:RBDHA:2026:23234

ECLI:NL:RBDHA:2026:23234

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer 26.26369
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin, Kroatië, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.26369

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),

en

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei)

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.26370) te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen: F. Ivanov. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft de Mongolische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 31 maart 2026 ingediend.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 24 juni 2024 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Op 20 april 2026 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Kroatië heeft dit verzoek op 4 mei 2026 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals deze luidde tot 12 juni 2026, niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beroepsgronden

3. Eiser voert aan dat verweerder niet mag uitgaan van het algemene rechtsvermoeden dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd waarom overdracht aan Kroatië in eisers geval niet in strijd is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is onvoldoende rekening gehouden met eisers eerdere ervaringen in Kroatië. In het aanmeldgehoor Dublin heeft hij verklaard dat hij na zijn eerste binnenkomst in dat land door de Kroatische politie is mishandeld. In augustus 2025 is hij door Duitsland overgedragen aan Kroatië en toen is eiser verstoken geweest van opvang, begeleiding en bescherming. Eiser heeft een aantal dagen in een toestand van materiële deprivatie verkeerd en besloten het land te verlaten. Uit eisers verklaringen blijkt dat Kroatië hem in het verleden heeft behandeld in strijd met de op lidstaten rustende internationale verplichtingen. Eiser heeft geen vertrouwen meer in de Kroatische autoriteiten en verweerder kan er daarom niet zonder meer vanuit gaan dat Kroatië eiser na een nieuwe overdracht wel zal behandelen overeenkomstig zijn verplichtingen. Verder kan, gezien de wijze waarop eiser eerder is behandeld, verweerder er niet van uitgaan dat eiser in Kroatië kan klagen bij de autoriteiten. Bij een verblijf op straat zonder middelen zijn er ook geen mogelijkheden om te klagen.

Beoordeling van het beroep

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

4. Niet in geschil is dat ten aanzien van Kroatië in zijn algemeenheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Dublinclaimanten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit op 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3901), op 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635) en op 26 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1667) (impliciet) ook geoordeeld.

Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit is ingegaan op eisers verklaringen over wat hij eerder in Kroatië heeft meegemaakt. De rechtbank is van oordeel dat eisers eerdere ervaringen geen concrete aanknopingspunten vormen om aan te nemen dat hij bij een overdracht door Nederland aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ten aanzien van de mishandeling door de politie na eisers eerste binnenkomst in Kroatië geldt dat Kroatië ook partij is bij het EVRM, zodat verweerder ervan mag uitgaan dat de autoriteiten in Kroatië eiser bescherming zullen verlenen bij voorkomende problemen. Verweerder verlangt in dat kader terecht van eiser dat hij bij problemen zelf hulp zoekt bij de autoriteiten. Dat dit in het algemeen niet kan in Kroatië of dat klagen in het geval van eiser bij voorbaat zinloos is, is de rechtbank niet gebleken. Met betrekking tot eisers stelling dat hij na de overdracht door Duitsland in Kroatië op straat is beland zonder opvang, middelen en bescherming, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat de Kroatische autoriteiten hem wel een opvangadres hadden gegeven. Voor zover eiser meent dat Kroatië in strijd heeft gehandeld met zijn internationale verplichtingen door hem niet naar een opvangadres te brengen of de reis daarnaartoe te faciliteren, geldt dat verweerder terecht stelt dat van eiser wordt verwacht dat hij daarover klaagt bij de Kroatische autoriteiten. Ter zitting heeft eiser - voor het eerst - gesteld dat hij op het vliegveld in Kroatië een politieagent aan had gesproken die hem niet wilde helpen. Hieruit volgt echter niet dat eiser alle mogelijkheden tot klagen heeft benut. Uit de enkele stelling dat het zonder middelen en bij een verblijf op straat niet mogelijk is om te klagen, volgt ook niet dat het (voor eiser) niet mogelijk is om in Kroatië te klagen bij de autoriteiten. Van belang tot slot is dat Kroatië met het claimakkoord van 4 mei 2026 heeft gegarandeerd eisers (opvolgende) asielaanvraag in behandeling te zullen nemen. Daarbij is Kroatië gebonden aan dezelfde beginselen en fundamentele waarden op het gebied van het asielrecht die ook in Nederland gelden. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor de conclusie dat verweerder nader onderzoek moet doen naar de situatie in Kroatië voor Dublinclaimanten. De beroepsgrond slaagt niet.

Onevenredige hardheid

5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dit beleid luidde tot 12 juni 2026, trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Wat eiser heeft aangevoerd, is al beoordeeld in het kader van de vraag naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank is niet gebleken van overige omstandigheden die meebrengen dat overdracht van eiser aan Kroatië onevenredig hard is. Voor zover eiser zich op de discretionaire bepaling heeft beroepen, slaagt die beroepsgrond dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Griffier

  • mr. J. Dommerholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand