ECLI:NL:RBDHA:2026:23237

ECLI:NL:RBDHA:2026:23237

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer 09-041887-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor mishandeling van kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin. Gevangenisstraf van 129 dagen waarvan 100 dagen voorwaardelijk met proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/041887-26

Datum uitspraak: 19 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2000 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Kooijmans en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.W. Grift naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 19 januari 2026, in ieder geval op of omstreeks 15 januari 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland [minderjarige] ( [geboortedatum 2] 2017), heeft mishandeld, door- een hete pizza in het gezicht van die [minderjarige] te drukken en/of (vervolgens) gedrukt te houden en/of- één of meerdere malen die [minderjarige] in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan en/of te stompen en/of- één of meerdere malen die [minderjarige] op/tegen het lichaam te schoppen/trappen en/of- één of meerdere malen die [minderjarige] (met kracht) vast te pakken en/of- die [minderjarige] een knietje in/op/tegen de buik te geven,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Op specifieke standpunten wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Op specifieke verweren wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [minderjarige]

was ten tijde van het afleggen van haar verklaringen acht jaar oud. De rechtbank stelt voorop dat verklaringen van kinderen met behoedzaamheid dienen te worden bekeken en beoordeeld. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat dergelijke verklaringen onbetrouwbaar zijn.

[minderjarige] heeft bij de politie in een kindvriendelijke studio ten overstaan van gespecialiseerde verhoorders een verklaring afgelegd. Voorafgaand hieraan heeft zij bij verschillende hulpverleningsinstanties overeenkomstig verklaard, evenals tegenover haar leerkracht en twee moeders van medeleerlingen van haar school. [minderjarige] heeft verschillende incidenten omschreven. Uit haar verklaring wordt duidelijk hoe zij zich door het handelen van verdachte heeft gevoeld, hoe zij op bepaalde incidenten heeft gereageerd en geeft ze bij de verbalisant aan wanneer zij iets niet (meer) weet. Dat [minderjarige] op bepaalde onderdelen wisselend heeft verklaard, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet in dit geval niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Zij verklaart immers in de kern consistent en gelijkluidend. De verklaring van [minderjarige] past bij een kind van haar leeftijd en bovendien vindt haar verklaring steun in andere processtukken in het dossier.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verklaring van [minderjarige]

betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt.

Mishandeling op 15 januari 2026

De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] op 16 januari 2026 met letsel in haar gezicht op school is gekomen. [minderjarige] heeft aan twee moeders van medeleerlingen verteld dat de verdachte het letsel de avond daarvoor heeft veroorzaakt door een hete pizza in haar gezicht te drukken. De moeders hebben hierop hun zorgen geuit aan de leerkracht van [minderjarige] . In een gesprek met deze leerkracht heeft [minderjarige] dezelfde verklaring gegeven voor haar letsel. Na het weekend is er door de school melding gedaan bij Veilig Thuis, waarna [minderjarige] op 21 januari 2026 is gezien door een forensisch arts. De forensisch arts heeft vastgesteld dat [minderjarige] een brandwond op haar voorhoofd heeft, evenals een mogelijke uitloop van de brandwond op het voorhoofd en een schaafwond op de neusbrug. Zij concludeert dat het letsel passend is bij een brandwond als gevolg van verbranding met (hete) vloeistof. De deskundige van het NFI deelt de conclusie dat [minderjarige] een brandwond op haar voorhoofd heeft en heeft geconcludeerd dat dit letsel past bij de hypothese van het duwen van een hete pizza in het gezicht terwijl [minderjarige] een bril droeg.

De aangifte van Veilig Thuis, de verklaringen van de leerkracht van [minderjarige] (getuige Schonewille) en de moeders van de medeleerlingen (getuigen Van Doorn en Van Stokhem), de forensisch medische letselrapportage en het NFI-rapport ondersteunen de verklaring van [minderjarige] ten aanzien van de mishandeling op 15 januari 2026.

Overige geweldshandelingen

Hoewel het procesdossier aanknopingspunten bevat dat er meer geweldsincidenten hebben plaatsgevonden, zijn die punten – mede gelet op de tekst van de tenlastelegging – onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank zal de verdachte derhalve voor de overige tenlastegelegde geweldshandelingen vrijspreken.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 15 januari 2026 te 's-Gravenhage [minderjarige] ( [geboortedatum 2] 2017), heeft mishandeld, door een hete pizza in het gezicht van die [minderjarige] te drukken en (vervolgens) gedrukt te houden, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 122 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod, het meewerken met hulpverlenende instanties en een verbod op het verrichten van zorgtaken voor minderjarigen. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd voornoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden. De raadsman heeft de rechtbank voorts verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest en aan een eventueel voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd te verbinden, met uitzondering van het locatieverbod en het verbod tot het verrichten van zorgtaken voor minderjarigen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van [minderjarige] , een meisje van acht jaar oud dat aan zijn zorg was toevertrouwd, door een hete pizza in haar gezicht te drukken. [minderjarige] heeft hier ernstig letsel aan overgehouden, te weten brandwonden in haar gezicht. [minderjarige] heeft deze brandwonden na het incident niet mogen koelen, waardoor haar de benodigde zorg is onthouden. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [minderjarige] . Bovendien heeft het geweld plaatsgevonden in de woning waar hij samen met [minderjarige] woonde, de plek waar zij zich bij uitstek veilig hoort te voelen. De verdachte heeft op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en juist zichzelf in een slachtofferpositie geplaatst. Dit gedrag van de verdachte doet de rechtbank ernstig vrezen voor herhaling, nu het immers de wens is van de verdachte en de moeder van [minderjarige] om het gezinsleven in de gezamenlijke woning voort te zetten.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een Pro Justitia rapportage van 4 juni 2026 van drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en jeugdpsycholoog. In deze rapportage staat vermeld dat er bij de verdachte sprake is van een borderline-persoonlijkheidsstoornis. De deskundige concludeert dat deze stoornis aanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Nu de verdachte het feit ontkent, is niet duidelijk geworden wat de motieven en drijfveren van de verdachte zijn geweest. Desalniettemin acht de deskundige het waarschijnlijk dat de stoornis een invloed heeft gehad op het handelen van de verdachte en een verklaring zou kunnen bieden voor het bewezenverklaarde feit.

De deskundige omschrijft dat er weinig emotie bij de verdachte wordt gezien, behalve irritatie en boosheid op momenten. Zij benoemt dat de verdachte de schuld van situaties bij anderen neerlegt en zich het slachtoffer voelt. Hij is vooral bezig met wat de huidige situatie voor hem betekent, hoe hij zijn onschuld kan bewijzen en verplaatst zich daarbij weinig in [minderjarige] , aldus de deskundige. Deze bevindingen komen overeen met hetgeen de rechtbank ter terechtzitting heeft waargenomen.

De deskundige adviseert het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en schat het recidiverisico matig tot hoog in. Om het recidiverisico te beperken adviseert zij schematherapie en opvoedondersteuning, alsmede gezinsondersteuning indien de verdachte weer onderdeel gaat uitmaken van het gezin en in contact komt met [minderjarige] . De behandeling zou kunnen worden geboden door een forensische polikliniek, zoals De Waag. Indien daartoe mogelijkheden worden gezien, zou de verdachte voor de overige hulpverlening kunnen aansluiten bij het Veilig Verder Team. De deskundige adviseert dat deze behandeling en hulpverlening in het kader van bijzondere voorwaarden en onder toezicht van de reclassering wordt gerealiseerd.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 juli 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en van een gemiddeld-hoog recidiverisico. De reclassering onderschrijft het interventieadvies van de NIFP-deskundige en adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod, meewerken met hulpverlenende instanties en een verbod op het verrichten van zorgtaken voor minderjarigen. Gelet op de complexiteit van de gezinssituatie, de geïndiceerde behandeling en begeleiding en de wens om zorgvuldig en gefaseerd toe te werken naar een veilige vorm van contactherstel, adviseert de reclassering een proeftijd van drie jaar.

De op te leggen straf

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 129 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank zal daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, met uitzondering van het verbod op het verrichten van zorgtaken voor minderjarigen, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de geconstateerde problematiek en zo de kans op recidive terug te dringen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van een kind onder zijn gezag, te weten [minderjarige] .

Gelet op de problematiek van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 129 (HONDERDNEGENENTWINTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 100 (honderd) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179,

2594 AH te Den Haag en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig acht en op de tijden en plaatsen als door of namens de zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of eventuele andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2017, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en met als uitzondering indien de betrokken hulpverleningsinstanties en de reclassering dit in het kader van het hulpverleningstraject geïndiceerd achten en dit van tevoren hebben goedgekeurd;

- zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 200 meter van de [adres] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en met als uitzondering indien de betrokken hulpverleningsinstanties en de reclassering dit in het kader van het hulpverleningstraject geïndiceerd achten en dit van tevoren hebben goedgekeurd;

- zijn medewerking verleent aan begeleiding en ondersteuning vanuit de betrokken hulpverlenende instanties;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. de Wit, voorzitter,

mr. F.X. Cozijn, rechter,

mr. A. Vink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.W. de Wit
  • mr. F.X. Cozijn
  • mr. A. Vink

Griffier

  • mr. L. Molenaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand