Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/122232-26 en 10/034400-25 (tul)
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in detentiecentrum [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. F.O. Ligeon-Merton naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 5 augustus 2026 - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 januari 2026 en/of 23 januari 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, althans een omgebouwd alarmpistool, van het merk Blow, type Mini 9, kaliber7.65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool althans een vuurwapen en/of (bijbehorende) munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere kogelpatronen heeft overgedragen, althans, voorhanden heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks de periode van 20 januari 2026 tot en met 23 januari 2026 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, althans een omgebouwd alarmpistool, van het merk Blow, type Mini 9, kaliber 7.65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, althans een vuurwapen,en/of (bijbehorende) munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, voorhanden te krijgen,- een of meer (Snapchat)berichten heeft gestuurd over de koop en/of afname van een of meer wapens en/of munitie,- met de verkoper een afspraak heeft gemaakt over de aankoop van een of meer wapens voor 800 euro, althans een geldbedrag, per stuk en/of (bijbehorende) munitie, en/of- ter overdracht van een of meer wapens en/of de munitie op 22 januari 2026 is verschenen op de overeengekomen afspraak met de verkoper terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, met uitzondering van het deel van de tenlastelegging dat ziet op de munitie en het bestanddeel “heeft overgedragen”.
Op specifieke standpunten wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Op specifieke verweren wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Op de avond van 22 januari 2026 heeft op de Anna Bijnslaan in Den Haag een schietincident plaatsgevonden ter hoogte van wasserij Alblas, waarbij is geschoten in de richting van een zwarte Seat Leon. De schutter en twee betrokkenen zijn door een getuige gezien terwijl zij in een grijze Opel Corsa stapten die op naam stond van [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Diezelfde avond is [naam 1] samen met zijn broer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) in het voertuig aangehouden. Uit onderzoek aan de telefoon van [naam 1] is gebleken dat hij zich bezighield met vuurwapenhandel. Vanaf 20 januari 2026 is via Snapchat gesproken met het account “ [snapchataccount 1] ” over de verkoop van een of meerdere wapens en munitie. Op 22 januari 2026 wordt er ’s avonds een afspraak gemaakt in de Van Ruysbroekstraat, om de hoek van waar niet veel later het schietincident heeft plaatsgevonden.
Gebruiker van het account “ [snapchataccount 1] ”
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte de gebruiker is geweest van het Snapchataccount “ [snapchataccount 1] ”.
De rechtbank stelt vast dat – in een ander lopend onderzoek – onder de verdachte twee telefoons in beslag zijn genomen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze telefoons heeft geleend van een ander en hij ontkent de gebruiker te zijn geweest van het account “ [snapchataccount 1] ”.
De rechtbank stelt vast dat een van de telefoons, de XS18PRO, ten minste enige periode in gebruik is geweest bij de verdachte. Het volgende is daarvoor redengevend. Het telefoonnummer dat gekoppeld is aan deze telefoon komt in de landelijke politiesystemen in meerdere registraties voor op naam van de verdachte (waarvan de laatste registratie is van 12 december 2025). Voorts zijn op de telefoon diverse foto’s van de verdachte aangetroffen, alsmede berichten gericht aan ‘ [verdachte] ’, de voornaam van de verdachte. Ook is 75 keer het Outlook account op naam van de verdachte bezocht via de internetbrowser van de telefoon.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat de verdachte de gebruiker is van het Snapchataccount “ [snapchataccount 1] ”. Het telefoonnummer horend bij het toestel XS18PRO is gekoppeld aan het account “ [snapchataccount 1] ”. Op de XS18PRO is slechts één Snapchataccount en één telefoonnummer in gebruik geweest, te weten het Snapchataccount “ [snapchataccount 1] ” en het daaraan gekoppelde telefoonnummer. De rechtbank leidt hieruit af dat de gebruiker van de telefoon ook de gebruiker is geweest van het Snapchataccount “ [snapchataccount 1] ” en stelt vast dat dit de verdachte betreft. De rechtbank neemt daarin mee dat één van de op deze telefoon aangetroffen foto’s een selfie van de verdachte betreft met daaroverheen een filter met de naam “ [bijnaam] ”. Bovendien was het Snapchataccount ook in gebruik op de tweede telefoon die onder de verdachte in beslag is genomen, te weten een Apple iPhone 8.
Dat de bij de verdachte inbeslaggenomen Apple iPhone 8, gelet op de verschillende Snapchataccounts en telefoonnummers die hierop zijn aangetroffen, wellicht ook (tijdelijk) bij anderen in gebruik is geweest, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Van aanwijzingen dat de XS18PRO door meerdere personen werd gebruikt is niet gebleken.
Nu de eerste vraag door de rechtbank positief is beantwoord, komt zij aan vraag twee toe.
Overdracht van wapen in Den Haag
De tweede vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte op 22 januari 2026 en/of 23 januari 2026 een vuurwapen heeft overgedragen dan wel voorhanden heeft gehad.
Vanaf 20 januari 2026 heeft de verdachte contact gehad met het Snapchat-account “ [snapchataccount 2] ”. Dit account is in gebruik geweest bij [naam 1] . De rechtbank stelt vast dat in deze Snapchat-gesprekken wordt gesproken over de (ver)koop en overdracht van een vuurwapen, waarbij de verdachte de kopende partij is. Op 22 januari 2026 wordt er tussen de verdachte en [naam 1] een afspraak gemaakt om in Den Haag af te spreken, in de Ruysbroekstraat ter hoogte van nummer 113. De verdachte laat om 19:52:44 uur weten dat hij in “die straat” rijdt, bij wasserij Alblas. Kort daarna vindt ter hoogte van wasserij Alblas het schietincident plaats. [naam 2] heeft verklaard dat hij samen met [naam 1] en een derde persoon bij het schietincident aanwezig is geweest. Later die nacht laat de verdachte via Snapchat aan het account “ [snapchataccount 3] ” weten dat hij die ‘balas’ (de rechtbank begrijpt: kogel) tegen zijn achterhoofd voelde, waarop door “ [snapchataccount 3] ” wordt geconcludeerd dat er op hem geschoten is. Hierop wordt gereageerd met ‘ja’.
Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden in samenhang bezien, kan worden vastgesteld dat de verdachte op 22 januari 2026 [naam 1] in de Anna Bijnslaan ter hoogte van de wasserij Alblas heeft ontmoet ten behoeve van de koop van een vuurwapen. Het dossier biedt geen antwoord op de vraag wat tijdens deze ontmoeting is voorgevallen, noch wat de aanleiding is geweest voor het schietincident. De rechtbank stelt wel vast dat tijdens deze ontmoeting een vuurwapen is overgedragen door [naam 1] aan de verdachte.
Op 23 januari 2026 is immers op het Snapchat-account “ [snapchataccount 1] ” in de map “My Eyes Only” een foto opgeslagen van een vuurwapen. Uit onderzoek is gebleken dat het serienummer van dit vuurwapen overeenkomt met het serienummer van een vuurwapen dat te zien is op een video die [naam 1] op 19 januari 2026 op zijn telefoon had staan. De politie heeft geconcludeerd dat dit wapen een omgebouwd gas- of alarmpistool betreft. Bovendien blijkt uit de chatberichten van de verdachte dat hij enkele dagen later een ‘p moet seren’ (de rechtbank begrijpt: een pistool moet verkopen).
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op 22 januari 2026 en 23 januari 2026 een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het onderdeel dat hij het vuurwapen zou hebben overgedragen, nu hij de (beoogde) koper is geweest van het vuurwapen. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat de verdachte munitie voorhanden heeft gehad. De verdachte zal ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 22 januari 2026 en 23 januari 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, althans een omgebouwd alarmpistool, van het merk Blow, type Mini 9, voorhanden heeft gehad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte geen standpunt ingenomen ten aanzien van de op
te leggen straf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich doelbewust schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Wapens worden niet zelden gebruikt bij het begaan van strafbare feiten en circuleren veelvuldig in het criminele circuit. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen maakt dan ook een ernstige inbreuk op de rechtsorde en brengt een onaanvaardbaar risico met zich voor de veiligheid van de maatschappij. Dit blijkt te meer uit het feit dat er ten tijde van het verkrijgen van het vuurwapen midden in een woonwijk een schietincident heeft plaatsgevonden, waar een omstander die zijn hond uitliet getuige van is geweest.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 juni 2026. In het nadeel van weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 13 juli 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op verschillende leefgebieden en een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, nu eerder opgelegd reclasseringstoezicht zeer moeizaam is verlopen en niet heeft geleid tot gedragsverandering.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden ter zake van het in de openbare ruimte voorhanden hebben van pistolen, revolvers en/of geweren als bedoeld in categorie III van de WWM. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat er sprake is van meermaals recidive.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
7. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 24 juni 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 10/034400-25 door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 5 augustus 2025 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte verzocht om de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 24 juni 2026 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank te Rotterdam van 5 augustus 2025, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank te Rotterdam van 5 augustus 2025, gewezen onder parketnummer 10/034400-25, te weten gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. A. Vink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 augustus 2026.