Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/031272-26
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres] te [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 januari 2026 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meerdere winkelmedewerker(s), alhans enig persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door te duwen en/of te trekken tegen het lichaam van die winkelmedewerker(s).
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft het aan hem tenlastegelegde feit bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot een bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026034050, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 29).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 augustus 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever], opgemaakt op 30 januari 2026 (p. 17-19);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 januari 2026 (p. 24-25).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 30 januari 2026 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg levensmiddelen die aan Albert Heijn toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen meerdere winkelmedewerkers, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door te duwen tegen het lichaam van die winkelmedewerkers.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van een maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in
een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee
jaren wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de verdachte geen ISD-maatregel op te leggen, maar hem te veroordelen tot een langdurige gevangenisstraf met eventueel een voorwaardelijk strafdeel zonder bijzondere voorwaarden. Indien de rechtbank tot oplegging van de ISD-maatregel komt, heeft de verdediging subsidiair verzocht om de duur van de maatregel te beperken tot een jaar. Meer subsidiair is verzocht om het voorarrest van de op te leggen maatregel af te trekken.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en heeft bij betrapping geprobeerd te vluchten, waarbij hij het winkelpersoneel heeft geduwd. Winkeldiefstal is een hinderlijk feit dat financiële schade en overlast veroorzaakt. Bovendien draagt het gebruik van geweld bij een dergelijk feit bij aan de versterking van gevoelens van onrust en onveiligheid bij winkelpersoneel en in de samenleving. De verdachte heeft door het plegen van dit feit onvoldoende rekening gehouden met deze gevolgen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 juni 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte een omvangrijk strafblad heeft en vaak voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld, waarvoor gevangenisstraffen zijn opgelegd. Dit heeft hem er klaarblijkelijk niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van 9 februari 2026 en 30 april 2026, waaruit volgt dat sprake is van langdurige problematiek en instabiliteit op meerdere leefgebieden. Het ontbreekt verdachte aan een vaste verblijfplaats, dagbesteding, een stabiel inkomen en er zijn schulden. Daarnaast is er sprake van problematiek op het gebied van middelengebruik en psychosociaal functioneren. Alhoewel een steunend netwerk, enige begeleiding door de gemeente en probleembesef van de verdachte worden aangemerkt als beschermende factoren, overheersen de risicofactoren. De reclassering is van oordeel dat er sprake is van een hoog recidiverisico en adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
ISD-maatregel: de ‘harde criteria’
De rechtbank zal aan de hand van de harde en de zachte criteria bespreken of de verdachte voldoet aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel.
Het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld wordt gekwalificeerd als diefstal met geweld en is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Aan de zogenoemde harde criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel is daarmee voldaan.
ISD-maatregel: de ‘zachte criteria’
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde zachte ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
Uit het rapport en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte reeds jaren bekend is bij de reclassering en er afgelopen jaren meerdere pogingen zijn gedaan om de verdachte te begeleiden naar passende hulp met het doel om recidive te voorkomen. Meerdere trajecten zijn voortijdig negatief beëindigd en ook ten aanzien van het voorwaardelijk strafdeel waaraan als voorwaarde het huidige toezicht is verbonden is geadviseerd dit ten uitvoer te leggen. De verdachte heeft in het verleden al tweemaal een ISD-maatregel opgelegd gekregen. De daarna ingezette hulp heeft niet langdurig geleid tot gedragsverandering. Gelet hierop, en gelet op de diverse instabiele leefgebieden, acht de rechtbank het, net als de reclassering, niet haalbaar dat de verdachte zonder dwingend kader zelfstandig recidive kan voorkomen. Ook binnen een voorwaardelijk kader zijn alle minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening uitgeput.
Dit alles bij elkaar genomen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Dat maakt dat oplegging van de ISD-maatregel voor zowel de veiligheid van personen en goederen, als voor het oplossen van verdachtes persoonlijke problematiek, de laatste mogelijkheid is die rest ter voorkoming van recidive.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank acht het passend en geboden om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar. Om de bescherming van de maatschappij voor die duur te waarborgen en om voldoende tijd te bieden voor het leveren van een bijdrage aan een oplossing voor de instabiliteit op diverse leefgebieden van de verdachte, past de rechtbank geen aftrek van voorarrest toe.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Vink, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 augustus 2026.