RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser I,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2370
[eiser 2] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiser II en
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 3] , eiseres
(hierna tezamen: eisers),
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
(gemachtigde: mr. J.L.A.F van Halteren).
Procesverloop
Namens eisers zijn aanvragen ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 13 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 december 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [naam] (referent), P. Kleinendorst (tolk) en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
(Totstandkoming van) het bestreden besluit
1. Eiser I, eiser II en eiseres hebben de Guinese nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] , [geboortedatum 2] en [geboortedatum 3] . Zij hebben de aanvragen om een mvv ingediend om in Nederland te verblijven bij referent, van wie zij stellen dat hij hun vader is. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit (voorheen de Sierra Leoonse nationaliteit) en is geboren op [geboortedatum 4] . Referent heeft eerder geprobeerd om eiser II en eiseres naar Nederland te laten overkomen. De mvv-aanvragen die hij in dat kader heeft ingediend, zijn afgewezen met het besluit van 2 juni 2017. Dit besluit staat in rechte vast. Op 1 februari 2024 heeft referent de nu voorliggende aanvragen ingediend.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat referent de vader is van eisers; de familierechtelijke relatie tussen hen staat daarom niet vast. Voor zover toch van de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent dient te worden uitgegaan, stelt verweerder zich op het standpunt dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser II en eiseres voldoen niet aan de voorwaarden van het zogenoemde jongvolwassenenbeleid. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en referent.
Beoordeling door de rechtbank
Familierechtelijke relatie
2. De rechtbank overweegt allereerst dat in het midden kan blijven of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvragen namelijk ook ten grondslag gelegd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat tussen hen en referent sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, en de rechtbank is van oordeel dat verweerder dat standpunt terecht heeft ingenomen. Hieronder wordt dat uitgelegd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het betoog van eisers over de familierechtelijke relatie en de stelling in dat verband dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de in bezwaar overgelegde geboorteaktes.
Artikel 8 EVRM – jongvolwassenenbeleid
3. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing heeft geacht op eiser II en eiseres. De breuk tussen referent en eiser II en eiseres was noodgedwongen en was geen eigen keuze. Referent is gevlucht naar Nederland. Dat om die reden niet meer werd samengewoond met eiser II en eiseres, mag hen daarom niet worden tegengeworpen.
Toen het bestreden besluit werd genomen, gold het jongvolwassenenbeleid. Dit beleid was bedoeld om vast te stellen of tussen een jongvolwassene en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid waren vereist. Het jongvolwassenenbeleid was opgenomen in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc, en bevatte vier cumulatieve vereisten: het meerderjarige kind moest jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Omdat de rechtbank het bestreden besluit ex tunc toetst, wordt in deze uitspraak getoetst aan het jongvolwassenenbeleid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser II en referente niet onder het jongvolwassenenbeleid vallen. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat referent in Guinee heeft samengewoond met eiser II en eiseres. Daarnaast woont referent al ruim 25 jaar zonder eiser II en eiseres in Nederland. Dat het vertrek van referent uit Guinee noodgedwongen was en het niet samenwonen daarom niet tegengeworpen mag worden aan eiser II en eiseres, volgt de rechtbank niet. Verweerder wijst er terecht op dat referent heeft verklaard dat hij Guinee heeft verlaten omdat hij geen geld en eten had. Van een vluchtsituatie was dus geen sprake. De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat niet gebleken is dat eiser II en eiseres niet in hun eigen onderhoud (kunnen) voorzien. Eisers stellen dat referent eiser II en eiseres financieel ondersteunt. Ter onderbouwing zijn bewijzen van geldtransacties in 2015, 2016, 2023 en 2024 overgelegd. Hoewel uit deze stukken blijkt van een bepaalde mate van financiële ondersteuning, stelt verweerder terecht dat gelet op de relatief lage bedragen, de lage frequentie van de overboekingen en het feit dat bewijs ontbreekt voor geldtransacties in de periode tussen mei 2016 en 2023, niet kan worden geconcludeerd dat referent (volledig) in het levensonderhoud van eiser II en eiseres voorziet. Niet aannemelijk is daarom dat zij niet zelf in hun onderhoud (kunnen) voorzien.
Uit het voorgaande volgt dat aan twee cumulatieve vereisten van het jongvolwassenenbeleid niet wordt voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 EVRM - bijkomende elementen van afhankelijkheid
4. Eisers voeren aan dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen en referent. Referent heeft Guinee noodgedwongen moeten verlaten omdat hij moest vluchten. Om die reden wonen zij niet meer samen. Sindsdien doet referent wat hij kan om eisers (financieel) te ondersteunen. Hij is daarin echter beperkt doordat hij afhankelijk is van een bijstandsuitkering. Eisers zijn afhankelijk van deze steun. Verder kampt referent met medische klachten waarvoor hij hulp behoeft. Eisers hebben in Guinee enkel elkaar. Hun moeders zijn overleden. Het gezin heeft samen veel meegemaakt.
Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, volgt dat familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM tussen meerderjarigen kan bestaan, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid aanwezig zijn. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst, voor zover die zijn aangevoerd, moeten in die beoordeling een rol spelen. Verder kan de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid alle relevante, door eisers aangevoerde, feiten en omstandigheden heeft betrokken. Verweerder heeft in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat referent voor zijn vertrek uit Guinee met eisers heeft samengewoond en dat referent sindsdien al 25 jaar zonder eisers in Nederland woont. Zoals hiervoor al is overwogen in het kader van het jongvolwassenenbeleid, gaat verweerder er terecht niet vanuit dat het vertrek van referent uit Guinee voortkwam uit een vluchtsituatie. Dat de scheiding tussen referent en eisers noodgedwongen was, wordt dan ook niet gevolgd. Verder heeft verweerder betrokken dat niet is gebleken dat referent eisers structureel financieel ondersteunt. Verwezen wordt naar wat hiervoor daarover is overwogen. Dat referent afhankelijk is van een bijstandsuitkering en daardoor beperkt is in zijn mogelijkheden om eisers te ondersteunen, maakt dat niet anders. Daarbij stelt verweerder terecht dat de financiële ondersteuning ook op afstand kan worden voortgezet. Dat geldt tevens voor het contact tussen referent en eisers, ten aanzien waarvan verweerder overigens ook terecht heeft opgemerkt dat niet inzichtelijk is gemaakt wat de intensiteit daarvan is geweest in de tijd dat referent in Nederland verblijft. Ten aanzien van de medische situatie van referent heeft verweerder in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is gemaakt dat referent in dat opzicht afhankelijk is van eisers. Verweerder heeft daarbij betrokken dat referent medische zorg krijgt in Nederland. Dat eisers afhankelijk zijn van referent is ook niet gebleken. Eisers wonen met elkaar samen in Guinee. Er is bij hen geen sprake van medische problematiek waarvoor zij zorg van – specifiek – referent nodig hebben. Verder heeft verweerder betrokken dat eisers in Guinee zijn opgegroeid, zodat de stelling dat zij daar geen netwerk hebben, ook indien hun moeders zouden zijn overleden, niet zonder meer aannemelijk is. Ter zitting heeft referent toegelicht dat hij eisers vooral nodig heeft voor mentale steun. Hij wordt ouder, is eenzaam en wil graag zijn kinderen bij zich hebben. Hoewel invoelbaar is dat referent zijn kinderen mist en hij het gevoel van eenzaamheid extra ervaart op momenten dat hij andere gezinnen ziet, is dat op zichzelf en in samenhang bezien met de andere, hiervoor genoemde, elementen onvoldoende om tot de conclusie te komen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Nu verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eisers, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Bijzondere omstandigheden
5. Voor zover eisers aanvoeren dat verweerder had moeten afwijken van zijn beleid over de toepassing van artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat daar geen aanleiding toe bestaat. De door eisers aangevoerde omstandigheid dat referent bij aankomst in Nederland niet goed is voorgelicht over zijn mogelijkheden tot gezinshereniging, is voor het eerst in beroep aangevoerd, zodat verweerder hiermee geen rekening heeft kunnen houden in zijn besluitvorming. De stelling is overigens ook niet geconcretiseerd of onderbouwd. Dit is geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht die maakt dat toepassing van het beleid onevenredig uitwerkt voor eisers en referent. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvragen van eisers terecht heeft afgewezen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.