Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, benoeming bijzondere curator
Beschikking op het op 4 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.E. van der Meijs te Zoetermeer .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. de Heuvel te Papendrecht.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het bericht van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Op 22 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2] .
- de kinderen bij de vader zullen verblijven gedurende drie achtereenvolgende weekenden per maand, vanaf vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur;
- de kinderen Vaderdag vieren bij de vader en Moederdag vieren bij de moeder;
- voor de verjaardagen van partijen de reguliere zorgregeling geldt;
- voor de verjaardagen van de kinderen de reguliere zorgregeling zal worden gevolgd;
- feestdagen, vakanties en andere bijzondere dagen partijen in goed onderling overleg bij helfte zullen verdelen.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot wijziging van na te melden beschikking, met daarin opgenomen de door de ouders in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling, in die zin dat de moeder verzoekt:
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Benoeming bijzondere curator
Wettelijk kader
Artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt het volgende. In zaken van afstamming kan een minderjarig kind niet zelfstandig optreden als verzoeker of belanghebbende. Het kind moet worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator. De rechtbank die over de zaak beslist, benoemt die bijzondere curator.
Ingevolge artikel 1:250 BW kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en dat tussen hen niet in geschil is dat de vader niet de biologische vader van [minderjarige 1] is. [minderjarige 1] is hier inmiddels ook van op de hoogte. De vader verzoekt de benoeming van een bijzondere curator om te onderzoeken of het in het belang van [minderjarige 1] is de omgang tussen hem en de vader af te bouwen en de erkenning te vernietigen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat beide ouders de benoeming van een bijzondere curator in het belang van [minderjarige 1] achten. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om een bijzondere curator te benoemen op grond van artikel 1:212 BW, omdat het (mede) een kwestie van afstamming betreft. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om de bijzondere curator te benoemen op grond van artikel 1:250 BW, omdat ook onderzocht moet worden wat in het belang is van [minderjarige 1] ten aanzien van de omgang met de vader. De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige 1] en zal daarom uitsluitend zijn belangen behartigen.
De bijzondere curator dient daarbij te werken volgens de Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren en het Procesreglement Overige (Boek 1) zaken (beide te raadplegen via www.rechtspraak.nl).
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator de volgende vragen te beantwoorden:
Van haar bevindingen dient de bijzondere curator een schriftelijk verslag te maken. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator het verslag binnen acht weken aan de rechtbank en aan partijen toe te sturen. De bijzondere curator kan, indien gewenst, ook namens [minderjarige 1] een zelfstandig verzoek indienen.
Na ontvangst van het schriftelijk verslag van de bijzondere curator zal de rechtbank, als zij dat nodig acht, een mondelinge behandeling plannen. Daarvoor zullen partijen en de bijzondere curator worden opgeroepen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a vierde lid BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Ontvankelijkheid
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoeken. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Zorg- c.q. omgangsregeling
Partijen zijn op de zitting tot een gedeeltelijke overeenstemming gekomen. De ouders zijn het ten aanzien van [minderjarige 2] eens over de door moeder verzochte zorgregeling, inhoudende dat [minderjarige 2] om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader zal zijn. Ouders zijn nog verdeeld over de omgangsregeling ten aanzien van [minderjarige 1] .
Sinds [minderjarige 1] op de hoogte is van het feit dat de vader niet zijn biologische vader is merkt de vader een verschil in de houding van [minderjarige 1] naar hem toe. De vader geeft aan dat hij wil voorkomen dat [minderjarige 1] onderdeel wordt van de strijd tussen de ouders en acht het daarom van belang om de omgang af te bouwen.
De moeder ervaart de situatie als verdrietig en belastend, met name voor [minderjarige 1] . Om die reden acht de moeder de benoeming van een bijzondere curator in het belang van [minderjarige 1] , zodat kan worden onderzocht welke omgangsregeling het meest passend voor [minderjarige 1] is.
De rechtbank acht het in belang van de kinderen dat er een gezamenlijke zorg- c.q. omgangsregeling wordt vastgesteld. Gelet op de benoeming van de bijzondere curator zal dit een voorlopige regeling zijn in afwachting van het verslag van de bijzondere curator. In een later stadium zal de rechtbank mogelijk een andere beslissing nemen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de moeder verzochte zorg- c.q. omgangsregeling – vooralsnog ten aanzien van beide kinderen – toewijzen.
Vakantieregeling
De moeder heeft verzocht een vakantieregeling vast te stellen. Volgens haar is het in het belang van zowel de kinderen als de ouders dat hierover duidelijkheid bestaat. De vader heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het vaststellen van een vakantieregeling, mits deze praktisch haalbaar voor hem is. Ten aanzien van de zomervakantie voert de vader aan dat hij, vanwege zijn werkzaamheden op projectbasis en zijn afhankelijkheid van de bouwvakantie, niet kan instemmen met de door de moeder voorgestelde regeling. De vader verzoekt daarom dat hij bij de verdeling van de zomervakantie telkens de eerste keuze krijgt, waarbij hij zijn keuze vóór 1 januari van het betreffende jaar aan de moeder kenbaar maakt. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat zij haar vakanties uiterlijk vóór 1 januari aan haar werkgever dient door te geven. Een regeling waarbij de vader zijn keuze vóór 1 januari kenbaar maakt, biedt haar daarom onvoldoende mogelijkheid om haar vakanties daarop af te stemmen. Daarnaast verzoekt de vader om bij het vaststellen van de vakantieregeling er rekening mee te houden dat hij de omgang met [minderjarige 1] wenst af te bouwen.
Wat betreft de vakanties acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid komt over de verdeling daarvan. Het is de rechtbank gebleken dat het tussen partijen niet in geschil is dat het feitelijk niet meer mogelijk is om de zomervakantie van 2026 te verdelen. De vakantieregeling zal daarom ingaan vanaf de herfstvakantie van 2026. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een vakantieregeling vaststellen, waarbij de kinderen gedurende de vakanties als volgt bij ieder van de ouders zijn:
Vooralsnog zal deze vakantieregeling ten aanzien van beide kinderen gelden. In een later stadium zal de rechtbank mogelijk een andere beslissing nemen.
Locatie overdracht
De vader heeft verzocht te bepalen dat de moeder gehouden is hem te informeren over het adres van [minderjarige 2] . De rechtbank is van oordeel dat de moeder dit adres aan de vader bekend dient te maken. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij begrijpt dat de vader wil weten op welk adres [minderjarige 2] verblijft en heeft aangegeven hem hierover te zullen informeren. De rechtbank ziet echter geen rechtsgrond om te bepalen dat de moeder het adres voor een bepaalde datum aan de vader dient te verstrekken en zal deze verplichting daarom niet opnemen in het dictum. Om die reden bestaat vooralsnog evenmin aanleiding om te bepalen dat de overdrachtsmomenten van de kinderen op het adres van de moeder dienen plaats te vinden. Tevens is het de rechtbank gebleken dat in het verleden de overdrachtsmomenten plaatsvonden op het adres van oma (moederszijde) en dat dit goed verliep. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de overdrachtsmomenten op het adres van oma (moederszijde) plaatsvinden. De ouders kunnen hiervan in onderling overleg afwijken.
Reactietermijn toestemmingsverzoeken
Tot slot heeft de vader verzocht dat wordt vastgesteld dat de ouders gehouden zijn om binnen een week na een verzoek van de ander hierop te reageren, in het bijzonder daar waar het een verzoek voor een vakantie betreft. Nu op de zitting is gebleken dat beide ouders het met dit verzoek eens zijn zal de rechtbank dit als overeenstemming tussen partijen opnemen in het dictum.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 29 juni 2023 – :
*
benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats 1] :
mr. drs. E. (Eva) Jongkoen,
kantoorhoudende te [adres] [plaats] .
*
bepaalt dat de bijzondere curator binnen acht weken een verslag of verzoekschrift namens de minderjarige zoals hiervoor bedoeld toestuurt aan de rechtbank, aan verzoekster en aan de belanghebbende;
*
bepaalt dat verzoekster en de belanghebbende, indien gewenst, binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator hierop schriftelijk kunnen reageren; deze reactie dient aan de rechtbank, aan de andere procespartij en aan de bijzondere curator te worden toegezonden;
*
bepaalt dat de kinderen voorlopig om de week van 17:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de vader zullen zijn, waarbij geldt dat:
- de moeder de kinderen op vrijdag brengt en de vader de kinderen op zondag terugbrengt;
- de overdracht van de kinderen in beginsel plaatsvindt op het adres van oma (moederszijde);
*
bepaalt een vakantieregeling, waarbij de kinderen gedurende de vakanties als volgt bij ieder van de ouders zijn:
waarbij in beginsel dezelfde haal- en brengregeling van toepassing is op de overdrachtsmomenten;
*
stelt vast dat de ouders overeengekomen zijn over en weer gehouden zijn binnen een week te reageren op verzoeken van elkaar met betrekking tot de kinderen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorg- c.q. omgangsregeling aan in afwachting van het verslag van de bijzondere curator tot 1 oktober 2026 pro forma.