Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 11 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. de Jong te Gorinchem.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 6 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Op de zitting heeft de man een prognose ondernemersinkomen 2026 overgelegd.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te [plaats 1] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] , België (hierna: [de minderjarige 1] );
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] , België (hierna: [de minderjarige 2] );
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats] , België (hierna: [de minderjarige 3] ).
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de man de Belgische nationaliteit heeft en dat de vrouw en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben.
Verzoek en verweer
De man heeft verzocht:
- te bepalen dat [de minderjarige 1] met ingang van de datum van het verzoekschrift aan hem zal worden toevertrouwd;
- een voorlopige zorg- en contactregeling tussen de man en [de minderjarige 3] vast te stellen, inhoudende dat [de minderjarige 3] iedere week van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij hem zal verblijven, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht:
onderstaande zorgregeling met [de minderjarige 3] :
- in de eerste twee maanden, gedurende drie uur op woensdag in aanwezigheid van een door beide partijen te aanvaarden derde;
- in de daaropvolgende twee maanden, gedurende drie uur op woensdag alsmede gedurende zes uur op vrijdag;
- vanaf de vijfde maand, gedurende ieder weekend van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur (conform de zorgregeling die geldt tussen de man en de overige kinderen van partijen;
althans een regeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
- de man te veroordelen tot strikte en nauwgezette nakoming/uitvoering van de
onderstaande zorgregeling met de overige kinderen:
- omgang gedurende ieder weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur;
- omgang op iedere woensdag van 13.30 uur tot 18.00 uur;
althans een regeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
- de man te veroordelen om voorlopig een bedrag van € 735,- per maand, oftewel
€ 245,- per kind per maand, aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie vaststelt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of andere regelingen voor de kinderen zal of kan worden verleend, met ingang van de datum van indiening van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Toevertrouwing kinderen
De man verzoekt om [de minderjarige 1] met ingang van de datum van het verzoekschrift aan hem toe te vertrouwen. [de minderjarige 1] heeft autisme en ADHD. Hij lijdt ernstig onder de chaotische situatie in de thuissituatie van de vrouw. [de minderjarige 1] woont daar met twaalf personen in een driekamerwoning en heeft hier geen rust. Ook heeft [de minderjarige 1] zelf aangegeven dat hij bij de man wil wonen.
De vrouw verzet zich tegen het verzoek en verzoekt om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De vrouw betwist dat het chaotisch zou zijn in haar thuissituatie. Zij biedt de kinderen rust en een stabiele leefomgeving. [de minderjarige 1] heeft slechts één week bij de man verbleven. De man heeft [de minderjarige 1] op zijn verzoek rond 14 mei 2026 bij de vrouw teruggebracht. [de minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij bij de vrouw wil blijven wonen. De vrouw acht het in het belang van de kinderen dat zij de hoofdverzorgende ouder zal blijven. Verder heeft de vrouw naar voren gebracht dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kampen met problematiek. De man spant zich nauwelijks in om zaken voor de kinderen te regelen, zoals de begeleiding van het passend onderwijs van [de minderjarige 2] .
De rechtbank stelt voorop dat zij het verzoek van de vrouw begrijpt als een verzoek om de kinderen aan haar toe te vertrouwen. De rechtbank overweegt dat het verzoek van de man inmiddels achterhaald is. [de minderjarige 1] woont op dit moment weer bij de vrouw en heeft een zorgregeling met de man. Vast staat dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij de vrouw ligt. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de vrouw dit kan voortzetten. De rechtbank zal de kinderen daarom aan de vrouw toevertrouwen. Het verzoek van de man te dien aanzien zal de rechtbank afwijzen.
Voorlopige zorgregeling
De man heeft verzocht een zorgregeling tussen hem en [de minderjarige 3] vast te stellen, waarbij [de minderjarige 3] iedere week van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij hem zal verblijven. De man heeft aangegeven dat hij geen contact heeft met [de minderjarige 3] en hij hem alleen ziet als hij de andere kinderen bij de vrouw thuis brengt en ophaalt. De man wil ook graag een band opbouwen met [de minderjarige 3] . Verder heeft de man aangegeven dat [de minderjarige 3] oud genoeg is om net als de andere kinderen bij de man te kunnen overnachten.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek. Zij heeft ten aanzien van [de minderjarige 3] een zorgregeling verzocht met een opbouw, waarbij [de minderjarige 3] vanaf de vijfde maand ieder weekend van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur bij de man zal verblijven, conform de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De vrouw heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verzocht te bepalen dat zij iedere woensdag van 13.30 uur tot 18.00 uur en ieder weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijven. Daarbij heeft de vrouw aangegeven dat zij wil dat de man persoonlijk aanwezig is tijdens de omgang. In dit kader heeft de vrouw gesteld dat de man tijdens de wisselmomenten derden meebrengt, zoals zijn nieuwe partner en haar kinderen. Dit is niet in het belang van de kinderen, omdat zij hier onrust en stress van ondervinden. Verder heeft de vrouw naar voren gebracht dat het van belang is dat de man zich aan de afgesproken tijdstippen voor de omgang houdt.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat de man [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op dit moment een dagdeel op woensdag ziet en hij hen ieder weekend van vrijdag 15.30 uur tot zondag 18.00 uur bij zich heeft. De man heeft toegelicht dat hij de kinderen op vrijdag om 14.30 uur wil ophalen in verband met file op de weg. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal daarom voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bepalen dat zij op woensdag van 13.30 uur althans uit school tot 18.00 uur bij de man verblijven, conform het verzoek van de vrouw, en van vrijdag 14.30 uur tot zondag 18.00 uur. De rechtbank acht deze voorlopige regeling in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
Ten aanzien van [de minderjarige 3] overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw wil dat het contact tussen de man en [de minderjarige 3] wordt opgebouwd. De rechtbank acht dit invoelbaar. Gelet op de stukken en dat wat op de zitting is besproken, heeft de rechtbank echter geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de man en de vrouw. Om het vertrouwen van de vrouw in de man te vergroten zal de rechtbank wel bepalen dat het contact tussen de man en [de minderjarige 3] wordt opgebouwd en de eerste paar keren onder begeleiding plaatsvindt van een familielid van de man; zoals hieronder omschreven in het dictum.
Op de zitting is gebleken dat de man vanaf 9 juli 2026 op vakantie zal gaan en hij van 29 juli tot 16 augustus 2026 ook met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op vakantie zal gaan naar Mekka en [plaats 2] . De vrouw heeft op de zitting ingestemd met deze vakantie van de man met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de voornoemde voorlopige zorgregeling met een opbouw voor [de minderjarige 3] zal ingaan na de beide vakanties van de man, dus vanaf medio augustus 2026. Dit leent zich echter niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen dit zullen nakomen. Verder ziet de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen aanleiding om een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen. In haar beslissing over de voorlopige zorgregeling heeft de rechtbank wel rekening gehouden met de zomervakantie van 2026.
De rechtbank zal de voorlopige zorgregeling vaststellen als na te melden. Het meer of anders verzochte te dien aanzien zal de rechtbank afwijzen.
Mediation
Op de zitting heeft de rechtbank gesproken over deelname aan mediation. Op de zitting hebben de ouders zich bereid verklaard om in mediation te proberen om hun geschilpunten te beslechten. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders in de mediation ook andere praktische zaken, waaronder de verdeling van de zorg voor de kinderen tijdens de vakanties en het beheer van de paspoorten van de kinderen, met elkaar zullen regelen. De rechtbank zal de ouders daarom naar de bij hen bekende mediator verwijzen. De rechtbank zal in deze procedure een eindbeschikking wijzen. De rechtbank verwacht van partijen dat zij de rechtbank in de echtscheidingsprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/694128 / FA RK 25-8344 zullen informeren over het verloop van het mediationtraject.
Voorlopige kinderalimentatie
Uit de stukken en dat wat er tijdens de zitting met partijen is besproken, is de rechtbank duidelijk geworden dat de draagkracht van de man de beperkende factor is bij de beoordeling van het verzoek tot een voorlopige kinderalimentatie. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank daarom niet de behoefte van de kinderen vaststellen, maar meteen de draagkracht van de man beoordelen.
De rechtbank overweegt dat de man op de zitting een prognose ondernemersinkomen 2026 heeft overgelegd. Hieruit is gebleken dat het verwachte inkomen van de man voor 2026 € 21.316,- bedraagt en hij dus enige draagkracht heeft. Echter, gelet op de kosten die de man in het kader van de zorgregeling maakt voor het halen en brengen van de kinderen, constateert de rechtbank in redelijkheid dat de man geen draagkracht heeft voor kinderalimentatie. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige kinderalimentatie afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] , België;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] , België;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats] , België;
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij zich te hebben: op woensdag van 13.30 uur althans uit school tot 18.00 uur en van vrijdag 14.30 uur tot zondag 18.00 uur;
bepaalt dat de man (inclusief een opbouw van vier weken) voorlopig gerechtigd is om [de minderjarige 3] bij zich te hebben:
- de eerste vier weken: op woensdag van 13.30 uur althans uit school (van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ) tot 18.00 uur, onder begeleiding van een familielid van de man;
- vanaf de vijfde week: op woensdag van 13.30 uur althans uit school (van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ) tot 18.00 uur en van vrijdag 14.30 uur tot zondag 18.00 uur;
verwijst de ouders naar de voor hen bekende mediator;
wijst af het meer of anders verzochte.