Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 24 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.M. van der Drift te Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. Boers te ‘s-Gravenzande.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 6 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [gemeente].
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 2];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2025 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 3].
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
Verzoek en verweer
De vrouw heeft verzocht:
- te bepalen dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- een voorlopige zorgregeling vast te stellen;
- een voorlopige kinderbijdrage vast te stellen van € 179,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2026;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig om een zorgregeling verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Toevertrouwing kinderen
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft verzocht de kinderen aan haar toe te vertrouwen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de hoofdverzorger van de kinderen is en het contact met de school, opvang en andere instanties van de kinderen op zich neemt. De man heeft gesteld dat de vrouw geen belang heeft bij haar verzoek. Hij heeft niet betwist dat de vrouw de hoofdverzorger en het eerste aanspreekpunt voor de kinderen is. De man heeft aangevoerd dat toevertrouwing aan één ouder doet voorkomen alsof de andere ouder de mindere of ongeschikt is, waarvan in dit geval geen sprake is. Op de zitting heeft de man erkend dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij de vrouw ligt. Ook heeft hij ermee ingestemd dat de kinderen bij de vrouw zijn en blijven ingeschreven. Gelet hierop zal de rechtbank de kinderen aan de vrouw toevertrouwen, nu zij dit in het belang van de kinderen acht.
Voorlopige zorgregeling
De vrouw heeft, zo begrijpt de rechtbank, in haar brief van 30 juni 2026 haar verzoek gewijzigd en heeft verzocht om een reguliere zorgregeling tussen de man en de kinderen te bepalen, waarbij zij eens per veertien dagen op zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijven en wekelijks met hem videobellen. Daarbij heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de kinderen tijdens schoolvakanties twee dagen per week bij de man zullen zijn. Ook heeft de vrouw een verdeling van Kerstmis en Oud en Nieuw verzocht en heeft zij verzocht te bepalen dat de overige feestdagen in onderling overleg worden verdeeld. De vrouw heeft aangegeven dat zij zich niet verzet tegen contact tussen de man en de kinderen. De man is echter niet in staat om langdurig de zorg voor de kinderen voor zijn rekening te nemen. De vrouw acht het ook niet in het belang van de kinderen dat zij bij de man overnachten. De vrouw heeft gesteld dat de man weinig initiatief neemt in de contactmomenten met de kinderen, waardoor de omgang onregelmatig is. Bovendien houdt de man zich niet aan de tijdstippen voor het halen en brengen van de kinderen.
De vrouw heeft aangegeven dat dit niet in het belang van de kinderen is en zij behoefte hebben aan rust en regelmaat. Ook heeft de vrouw aangevoerd dat de kinderen van slag zijn nadat zij bij de man hebben verbleven. Vooral [minderjarige 3] komt dan moeilijk in slaap. Verder heeft de vrouw zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man verblijven.
De man staat een uitgebreidere zorgregeling voor dan de vrouw heeft verzocht. Hij heeft verzocht een zorgregeling te bepalen, waarbij de kinderen een zondag per vier weken van 15.00 uur tot 19.00 uur en een weekend per vier weken van zaterdag 15.00 uur tot zondag 19.00 uur bij hem verblijven. De man heeft ook verzocht te bepalen dat de kinderen in de zomervakantie drie donderdagen van 12.00 uur tot 19.00 uur en in de andere vakanties op donderdag van 12.00 uur tot 19.00 uur bij hem verblijven, en in onderling overleg de helft van de feestdagen. Daarbij heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw de kinderen bij hem brengt en hij de kinderen bij de vrouw terugbrengt.
Bovendien heeft de man verzocht te bepalen dat de kinderen iedere week op donderdag rond 17.00 uur met de man videobellen. De man heeft aangegeven dat hij momenteel bij zijn ouders woont. Hij wil graag een band opbouwen met de kinderen, maar de vrouw verzet zich tegen contact tussen hem en de kinderen. De man heeft betwist dat het voor hem lastig zou zijn om voor de kinderen te zorgen, zich aan het ritme van de kinderen te houden en dat de kinderen bij hem onveilig zouden zijn. Verder heeft de man naar voren gebracht dat de kinderen volgens een uitgebreidere regeling dan hij nu heeft verzocht bij hem zouden kunnen verblijven, maar dat hij rekening dient te houden met de rust die de moeder van de man nodig heeft.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is voor de ontwikkeling van de kinderen belangrijk dat zij regelmatig contact hebben met hun vader. Op de zitting is gebleken dat de man de kinderen op dit moment iedere week op zaterdag of zondag een paar uur ziet. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat er een gestructureerde regeling komt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken heeft de rechtbank geen reden voor zorgen over de opvoedvaardigheden van de man of de vrouw. De rechtbank acht het dan ook in het belang van de kinderen dat de zorgregeling tussen de man en de kinderen wordt uitgebreid en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en [minderjarige 3] na een opbouw) ook bij de man zullen overnachten.
De rechtbank zal een voorlopige zorgregeling bepalen, zoals weergegeven hieronder bij de beslissing, en het meer of anders verzochte ten aanzien van de zorgregeling afwijzen. In deze regeling heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de man een keer in de twee weken op zaterdag vrij is. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat de vrouw omgang tussen de man en de kinderen op zaterdag voorstaat en de kinderen op zondag weer bij de vrouw slapen, zodat zij op maandag uitgerust aan de schoolweek beginnen.
Ten aanzien van [minderjarige 3] zal de rechtbank voor een periode nog geen overnachtingen bij de man vaststellen. Daartoe overweegt de rechtbank dat [minderjarige 3] nog zeer jong is en daarom andere zorg van een ouder vraagt dan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Met een opbouwregeling kan de man het vertrouwen van de vrouw vergroten. Nu de rechtbank geen zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de man zal de rechtbank bepalen dat met ingang van 1 oktober 2026 voor [minderjarige 3] dezelfde regeling, dus met om de week een overnachting bij de man, zal gelden als voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 3] zal met ingang van heden bij de man verblijven:
- de ene week op zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur;
- de andere week op zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur en op zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur.
De rechtbank merkt op dat de band tussen de man en [minderjarige 3] middels deze opbouw voldoende kan worden opgebouwd.
De rechtbank zal bepalen dat de vrouw de kinderen bij de man brengt en hij de kinderen bij de vrouw terugbrengt, zoals door de man is verzocht. Niet is gebleken dat de vrouw zich hiertegen heeft verzet.
De rechtbank zal bepalen dat deze voorlopige zorgregeling zal doorlopen in de schoolvakanties. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in de zomervakantie van 2026 ook om de week op donderdag van 12.00 uur tot 19.00 uur bij de man zullen verblijven en de kinderen in de overige schoolvakanties op donderdag van 12.00 uur tot 19.00 uur bij de man zullen zijn.
Hiertoe overweegt de rechtbank dat is gebleken dat de man op donderdag ouderschapsverlof opneemt en hij die dag dus de zorg voor de kinderen voor zijn rekening kan nemen. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat de vrouw heeft verzocht te bepalen dat de kinderen tijdens de schoolvakanties twee dagen per week bij de man zullen zijn. Gelet hierop geeft de rechtbank partijen in overweging mee om te bezien of en zo ja, welke dag de kinderen ook nog bij de man zullen zijn.
Verder zal de rechtbank bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld, nu partijen het daarover eens zijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat de man heeft verzocht te bepalen dat de kinderen op 5 december 2026 bij hem zullen zijn. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de kinderen in de oneven jaren op Eerste Kerstdag bij de man en Tweede Kerstdag bij de vrouw zullen zijn en in de even jaren omgekeerd en de kinderen tot [minderjarige 3] vijf jaar is op Oudjaarsdag bij de vrouw zijn en vanaf Nieuwjaarsdag vanaf 11.00 uur bij de man zullen zijn en de kinderen zodra [minderjarige 3] vijf jaar is op Oudjaarsdag bij de man zullen zijn en op Nieuwjaarsdag bij de vrouw. Niet is gebleken dat partijen zich hebben verzet tegen het verzoek van de andere partij. De rechtbank zal dit echter niet in het dictum opnemen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de feestdagen in onderling overleg zullen verdelen.
Ten slotte zal de rechtbank conform het verzoek van de man bepalen dat hij iedere donderdag om 17.00 uur met de kinderen zal videobellen. Niet is gebleken dat de vrouw en het belang van de kinderen zich hiertegen verzet. Bovendien neemt de man op donderdag ouderschapsverlof op en is hij op deze dag dus beschikbaar om te videobellen met de kinderen.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw heeft verzocht een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De vrouw heeft verzocht de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van 1 januari 2026. De man heeft aangevoerd dat de vrouw na 1 januari 2026 nog aanzienlijke uitgaven heeft gedaan vanaf de en/of-rekening van partijen, ook ten behoeve van de kinderen. Daarom acht de man een ingangsdatum gelegen voor de datum van indiening van het verzoekschrift onredelijk. De rechtbank zal de kinderalimentatie in redelijkheid vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, 24 april 2026, mede omdat de man vanaf dit moment rekening heeft kunnen houden met een door hem te betalen voorlopige bijdrage.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. Gebleken is dat partijen eind 2025 uit elkaar zijn gegaan. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de behoefte moet worden gerekend met zijn inkomen over januari tot en met mei 2026, omdat zijn inkomen in 2025 niet representatief is. De man neemt namelijk sinds de geboorte van [minderjarige 3] één dag per week ouderschapsverlof op. Ook heeft de man naar voren gebracht dat partijen tot eind januari 2026 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Mede gelet op de betwisting door de vrouw ziet de rechtbank in het door de man aangevoerde geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte dan ook uitgaan van de periode 2025-II.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 44.973,- bruto per jaar in 2025, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave over 2025.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.021,- per maand in 2025. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 33.994,- bruto per jaar in 2025, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave over 2025.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.743,- per maand in 2025. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 5.764,- per maand (€ 3.021,- + € 2.743,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden van budget van € 383,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.517,- per maand voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.587,- per maand.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht man
De vrouw heeft aangevoerd dat het onredelijk is dat de man ouderschapsverlof opneemt, omdat hij doordeweeks geen zorg voor de kinderen heeft. De man heeft aangegeven dat hij de zorg voor de kinderen ook doordeweeks voor zijn rekening wil nemen, maar dat de vrouw hier niet aan meewerkt. Zoals eerder overwogen, wordt in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De rechtbank zal daarom voorbijgaan aan het verweer van de vrouw en uitgaan van het inkomen van de man dat hij op dit moment feitelijk genereert.
Voor de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van een gemiddeld inkomen over de periode januari tot en mei 2026 van € 2.892,- bruto per maand, 8% vakantiegeld en € 243,- bruto per maand aan inkomsten uit overwerk, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van januari tot en met mei 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 318,- bruto per maand, de premie voor het SOOB-fonds van € 8,- bruto per maand en de CAO-vergoeding van € 47,- per maand. Verder zal de rechtbank uitgaan van de bijdrage voor de personeelsvereniging van € 5,- per maand en de WGA-WHK-premie van € 15,- netto per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.658,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te wijken van de forfaitaire woonlast, omdat de man op dit moment bij zijn ouders woont. Op de zitting heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlasten van de man van € 150,- per maand. De man heeft niet betwist dat hij op dit moment bij zijn ouders woont. De man heeft aangevoerd dat hij wel woonlasten heeft en dat het daarom redelijk is om uit te gaan van het woonbudget. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat de man – zoals hij heeft gesteld – op zoek is naar eigen woonruimte en voornemens is om spoedig een eigen woning te betrekken. De rechtbank overweegt echter dat sprake is van krapte op de woningmarkt, waardoor de vraag is op welke termijn de man een eigen woning zal kunnen vinden. Nu de woonlasten van de man op dit moment beperkt zijn, zal de rechtbank in redelijkheid en schattenderwijs uitgaan van werkelijke woonlasten van de man van € 500,- per maand.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 555,- per maand
(70% x [2.658 – (500 + 1.365)]).
Draagkracht vrouw
Voor de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een gemiddeld inkomen van € 2.560,- bruto per maand en 8% vakantiegeld, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties van januari tot en met mei 2026. Daarbij houdt de rechtbank rekening met € 250,- bruto per maand aan onregelmatigheidstoeslag en een eindejaarsuitkering van € 213,- bruto per maand. Verder zal de rechtbank uitgaan van de pensioenpremies van € 292,- bruto per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 10.721,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.732,- per maand in 2026; de rechtbank verwijst naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Op de zitting heeft de man zich op het standpunt gesteld dat in het geval de rechtbank zal rekenen met de werkelijke woonlasten van de man, ook aan de zijde van de vrouw moet worden gerekend met haar werkelijke woonlasten. De vrouw heeft op de zitting toegelicht dat haar werkelijke woonlasten inclusief gas, water en licht € 1.354,- per maand bedragen. De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat de werkelijke woonlasten van de vrouw aanzienlijk zullen afwijken van het woonbudget. De rechtbank zal daarom aan de zijde van de vrouw uitgaan van de hoofdregel, te weten het woonbudget.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 873,- per maand
(70% x [3.732 - (0,3 x 3.732 + 1.365)]).
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.428,- per maand (€ 555,- + € 873,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 159,- per maand.
De vrouw heeft gesteld dat moet worden gerekend met een zorgkorting van 5%, omdat zij de man voorziet van benodigdheden voor de kinderen, waaronder voeding, luiers en billendoekjes. De man is van mening dat moet worden uitgegaan van een zorgkorting van 15%. De rechtbank zal conform het uitgangspunt voor de toe te passen zorgkorting uitgaan van de voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen. Daarbij acht de rechtbank een zorgkorting van 15% redelijk. De zorgkorting bedraagt dan € 238,- (15% van € 1.587,-).
Omdat sprake is van een tekort van € 159,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 158,- per maand (€ 238,- -/- € 80,-).
Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 397,- per maand (€ 555,- -/- € 158,-).
Conclusie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de man, met ingang van 24 april 2026, € 397,- per maand voor de drie kinderen samen aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2025 te [geboorteplaats];
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de man voorlopig tot 1 oktober 2026 gerechtigd is om [minderjarige 3] bij zich te hebben:
- de ene week op zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur;
- de andere week op zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur en op zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur;
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en met ingang van 1 oktober 2026 ook [minderjarige 3]) bij zich te hebben:
- de ene week op zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur;
- de andere week van zaterdag 11.00 uur tot zondag 19.00 uur;
bepaalt dat de voorlopige reguliere zorgregeling zal doorlopen in de schoolvakanties, waarbij ook geldt:
- de kinderen zullen in de zomervakantie van 2026 om de week op donderdag van 12.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijven;
- in de overige schoolvakanties zullen de kinderen op donderdag van 12.00 uur tot 19.00 uur bij de man zijn;
bepaalt dat de zorg voor de kinderen tijdens de feestdagen in onderling overleg tussen de ouders bij helfte worden verdeeld;
bepaalt in het kader van de zorg- en vakantieregeling dat de vrouw de kinderen bij de man zal brengen en dat de man de kinderen naar de vrouw zal terugbrengen;
bepaalt dat de man iedere donderdag om 17.00 uur met de kinderen zal videobellen;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 24 april 2026, voorlopig een kinderalimentatie voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 397,- per maand voor de drie kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst af het meer of anders verzochte.