[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.R. Plug),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek tegen het besluit van het college van 1 juli 2026. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 juli 2026.
Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat het college op 3 augustus 2026 heeft laten weten bereid te zijn de begunstigingstermijn, verbonden aan de hem opgelegde last onder dwangsom, te verlengen tot acht weken na het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift van verzoeker, waarbij het die verlenging vervolgens in een besluit van het college van 5 augustus 2026 is bevestigd.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat het verzoek om proceskostenvergoeding in dit geval moet worden afgewezen, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Het indienen van het verzoek was volgens het college niet nodig geweest.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het verlengen van de begunstigingstermijn tot acht weken na het nemen van de beslissing op bezwaar aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is onder meer sprake van een bijzondere omstandigheid wanneer, verzoeker, voordat hij een verzoek om voorlopige voorziening indient, eerst bij het bestuursorgaan vraagt de werking van het besluit op te schorten en het antwoord van het bestuursorgaan op die vraag niet afwacht.
Is sprake van een bijzondere omstandigheid?
5. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is sprake van een bijzondere omstandigheid. Verzoeker heeft weliswaar op 31 juli 2026, voorafgaand aan het indienen van het verzoek, het college verzocht de begunstigingstermijn te verlengen, maar heeft het antwoord van het college niet afgewacht en nog diezelfde dag het verzoek ingediend. De oorspronkelijke begunstigingstermijn eindigde echter pas op 12 augustus 2026. De voorzieningenrechter volgt daarom het standpunt van het college dat het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening onnodig is geweest. Dit is reden om het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: