[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,
(gemachtigde: drs. M.M. van Dongen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot herziening.
Verweerder heeft het verzoek tot herziening met het besluit van 12 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij deze afwijzing gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser is zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 18 maart 2024 heeft eiser een snelheidsovertreding begaan, naar aanleiding waarvan verweerder aan hem een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG) heeft opgelegd. Het rijbewijs van eiser is vervolgens driemaal ongeldig verklaard wegens het niet voldoen van de uitvoeringskosten dan wel het niet verlenen van de vereiste medewerking aan de EMG. Eiser heeft tegen de ongeldigverklaringen telkens bezwaar gemaakt. De eerste twee ongeldigverklaringen zijn door verweerder uit coulance opgeheven. De derde ongeldigverklaring is bij besluit op bezwaar van 30 april 2025 in stand gelaten. Eiser heeft verweerder verzocht dit besluit te herzien. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.
Heeft eiser procesbelang?
3. Eiser beschikt, na het met goed gevolg afronden van de EMG, sinds 24 november 2025 weer over een geldig rijbewijs. De vraag die voorligt, is welk belang eiser nog heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om herziening van het besluit waarbij zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.
4. Om een zaak aan de bestuursrechter te kunnen voorleggen, moet er sprake zijn van procesbelang. Dit betekent dat iemand een reëel en actueel belang moet hebben bij de uitkomst van de procedure. Met andere woorden, hij moet het doel dat hij met het beroep wil bereiken, ook daadwerkelijk kunnen bereiken. Procesbelang kan bestaan als de betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden.
5. Eiser beschikt inmiddels weer over een geldig rijbewijs. Daarmee is de situatie die ten grondslag lag aan het primaire besluit geëindigd. Eiser is voorafgaand aan de zitting in de gelegenheid gesteld om toe te lichten welk belang hij nog heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Hij heeft hier geen gebruik van gemaakt en is evenmin ter zitting verschenen. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij, ondanks het feit dat hij inmiddels over een geldig rijbewijs beschikt, nog een actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs schade heeft geleden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal beoordelen. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.D. Ruis, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.