RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32794
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hofijzer),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Als er sprake is van indicaties dat de Dublinverordening van toepassing is dan volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat aan de maatregel zware en lichte gronden ten grondslag moeten worden gelegd. In dit geval is er volgens verweerder sprake van een significant risico op onderduiken vanwege de volgende zware gronden omdat eiser:
3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
en de volgende lichte gronden omdat eiser:
4c: geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d: niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of met een lichter middel volstaan kon worden, door eiser te ruime vragen te stellen en eiser niet te vragen naar familie of anderen waarbij hij zou kunnen verblijven. Daarnaast is eiser op de juiste wijze Nederland binnengekomen met een geldig paspoort en een Schengenvisum waardoor de motivering van verweerder hierover onjuist is. Eiser had ook € 1.500,- in zijn bezit wat voldoende moet zijn om in zijn kosten te kunnen voorzien. Voor iedere asielzoeker geldt verder dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, wat eiser dan ook niet tegengeworpen kan worden.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Met betrekking tot de zware grond onder 3a heeft verweerder er in verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling terecht op gewezen dat eiser weliswaar in het bezit was van een Schengenvisum, maar dat dit zag op een ander doel dan waarvoor eiser naar Nederland is gekomen. Het visum was namelijk afgegeven voor verblijf in Polen en niet Nederland, waardoor eiser niet aan de voorwaarden van de Schengengrenscode voldoet en het visum op voorhand ongeldig is. Dat het visum namens Polen door de Nederlandse autoriteiten is afgegeven maakt dit niet anders. Nederland heeft het visum alleen namens Polen afgegeven, omdat er geen Pools consulaat aanwezig is in eisers land van herkomst. Verweerder heeft dan ook terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser Nederland niet op de juiste wijze is binnengekomen, dan wel poging daartoe heeft gedaan.
Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Volgens vaste rechtspraak is voor de toepassing van de bepalingen gesteld bij en krachtens de Vw slechts sprake van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de BRP, of wanneer de vreemdeling op een andere wijze aantoont dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Dat heeft eiser niet gedaan. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiser een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat.
De zware gronden 3a en de lichte grond 4c zijn terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd en naar het oordeel van de rechtbank, in samenhang bezien, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling wordt, als een asielaanvraag aan de grens wordt gedaan terwijl niet aan de voorwaarden voor toegang wordt voldaan, in beginsel voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. De Procedurerichtlijn verzet zich er verder niet tegen om in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielverzoek in de grensprocedure te behandelen. Daarnaast volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2022, dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Er zijn geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel.
Eiser is in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel gevraagd of er feiten of omstandigheden zijn die maken dat de maatregel niet mogelijk is. Hierop heeft eiser aangegeven dat hij het geen probleem vindt en verder geen bijzondere feiten of omstandigheden benoemd. Ook heeft hij aangegeven dat er op dat moment geen bijzondere medische omstandigheden zijn en dat hij enkel de wens heeft om contact op te nemen met zijn familie. Van een gebrek in het vooronderzoek is dan ook geen sprake.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.J. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.