RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32760
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder zitting schriftelijk af te doen. Eiser heeft op 16 juni 2026 zijn beroepsgronden ingediend, waarop verweerder bij brief van 17 juni 2026 schriftelijk heeft gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek per 19 juni 2026 gesloten.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
1. Eiser heeft de gronden voor het weigeren van de toegang niet betwist. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toegangsweigering onrechtmatig is opgelegd.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)
2. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat ten aanzien van eiser het risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van reis- of identiteitsdocumenten;
3i: heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te willen dienen, en zijn asielaanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a: zich niet aan een of mee andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van de Vw heeft gehouden;
4b: meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan
3. De gemachtigde van eiser heeft kort samengevat het volgende aangevoerd. Hij verzoekt de rechtbank om een ambtshalve toets over de rechtmatigheid van de maatregel. Daarbij blijkt uit het dossier niet dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld sinds de inbewaringstelling. Ook bevat de oplegging van de maatregel een gebrek nu aan eiser geen informatiebrochure is overgelegd in een voor hem begrijpelijke taal. Tot slot wordt namens eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte in de belangenafweging niet heeft meegewogen dat eiser sinds 13 november 2025 al meer dan zeven maanden in grensdetentie verblijft en waarom de belangen van verweerder ook nu nog zwaarder wegen.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
In artikel 5.3, eerste lid, van het Vb is voor verweerder een informatieplicht opgenomen. In het artikel staat dat eiser bij uitreiking van de maatregel “schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte (wordt) gebracht van de redenen van bewaring en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het bevel van bewaring aan te vechten, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen.” Deze informatieplicht is ook van toepassing bij oplegging van een maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw.
Met eiser stelt de rechtbank vast dat verweerder niet heeft voldaan aan voornoemde informatieplicht. In de maatregel zelf is immers aangegeven dat de inhoud van de in de Nederlandse taal opgestelde informatiebrief “Waarom aan u een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd” mondeling met behulp van een tolk in de taal Tamil met eiser is besproken, omdat de informatiebrief niet in die taal beschikbaar was. De folder die eiser wel is gegeven was in de Engelse taal. Het is de rechtbank uit het dossier echter niet gebleken dat eiser de Engelse taal wel (voldoende) machtig is, noch heeft verweerder in zijn verweerschrift (gemotiveerd) tegengeworpen dat dat wel het geval zou zijn. Zodoende is er sprake van een gebrek.
Dit gebrek maakt de vrijheidsontneming niet zonder meer onrechtmatig, daarvoor is een belangenafweging noodzakelijk. Hoewel aan het grensbewakingsbelang zwaar gewicht toekomt, is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van eiser uitvalt. Vast staat dat verweerder niet heeft voldaan aan de gestelde eisen in artikel 5.3 van het Vb. Anders dan door verweerder is betoogd, kan dit niet worden ondervangen door de informatie mondeling met behulp van een tolk te verstrekken, nu artikel 5.3 van de Vb uitdrukkelijk een schriftelijkheidsvereiste bevat. In haar uitspraak van 24 juli 2024 heeft de Afdeling verweerder zes maanden de tijd gegeven om te zorgen dat voldaan wordt aan de gestelde eisen van artikel 5.3 van het Vb en daarmee ook, zo begrijpt de rechtbank, om te zorgen dat de informatiebrief beschikbaar is in een taal die de vreemdeling voldoende machtig is, in dit geval Tamil. Inmiddels is die termijn ruim verstreken en is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het nu nog verschoonbaar is dat de informatiebrief niet in de Tamil taal of een andere taal die eiser machtig is beschikbaar is. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat geen tolken beschikbaar waren om de informatiebrief in Tamil te vertalen en verder is ook niet gesteld of inzichtelijk gemaakt dat de Tamil taal dermate weinig voorkomt, dat van verweerder niet verlangd kan worden de informatiebrief te laten vertalen. Dat eiser gehoord is in het bijzijn van een tolk, een rechtsmiddel heeft aangewend en wordt bijgestaan door een professioneel gemachtigde maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank merkt overigens op dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2025 blijkt dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat er wel een informatiebrief in de taal Tamil beschikbaar is. En in een beroep van eiser tegen een eerder opgelegde maatregel van bewaring heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, geconcludeerd dat eiser daarin wel is voorzien van een informatiefolder in een voor hem begrijpelijke taal. Waarom de informatiebrief in dit geval dan niet in de taal Tamil aan eiser is uitgereikt, is de rechtbank niet duidelijk.
5. Nu het beroep naar oordeel van de rechtbank op basis van het voorgaande gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige gronden te behandelen.
Over beide beroepen
6. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond.
7. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de vrijheidsontnemende maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van met ingang van 26 juni 2026.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 28 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 28 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 3.360,-.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.