RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32743
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.A. Budak. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijke gronden ingediend. Ter zitting heeft zij erkend dat zij in haar gronden ten onrechte uitging van een vertrektermijn van vier weken bij de oplegging van het terugkeerbesluit, en zodoende de daarmee direct verband houdende gronden heeft laten vallen. Dit vanwege door verweerder nader ingediende stukken waaruit dit is gebleken. Ook heeft zij erkend dat daaruit volgt dat eiser vanaf 6 mei 2026 onrechtmatig in Nederland verbleef. De gemachtigde heeft daarnaast haar grond laten vallen dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld. Wel blijft gehandhaafd dat het belang van eiser bij het behoud van zijn vrijheid, in tegenstelling tot eisers belang om hier te willen blijven, ten onrechte niet is onderzocht en meegewogen. Dit levert volgens eiser een evenredigheidsgebrek op nu uit rechtspraak van het Hof volgt dat maatregelen die grondrechten beperken passend en noodzakelijk zijn en evenredig zijn aan het nagestreefde doel.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond onder 3a en de lichte grond onder 4d geheel niet heeft bestreden. Daarbij acht de rechtbank de beroepsgronden tegen de zware gronden onder 3b, 3c en 3i en de lichte grond onder 4a vervallen, omdat hierin is uitgegaan van de situatie dat eisers vertrektermijn nog tot uiterlijk 3 juni 2026 gold, zijn vertrektermijn nog niet was verlopen toen hij op 3 juni 2026 na een aanhouding in de macht van de Nederlandse autoriteiten kwam en hij gedurende de vertrektermijn niet voor verwijdering vatbaar was. Aan die beroepsgronden zijn ook geen andere argumenten ten grondslag gelegd. Naar oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu eiser zijn gronden hiertegen niet langer handhaaft en deze voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser te volgen in zijn stelling dat zijn belangen niet of onvoldoende zijn onderzocht, dan wel niet of onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging. Verweerder heeft er ter zitting terecht op gewezen dat eisers familie en zijn gestelde vriendin, zijn medische situatie en een eventueel refoulementrisico in de belangenafweging zijn meegenomen. Daaruit volgt echter niet dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwaarlijk is. In eisers wens om niet in bewaring gesteld te worden, heeft verweerder geen apart of bijzonder belang hoeven zien. Van een evenredigheidsgebrek is dan ook geen sprake.
Ter zitting is verder duidelijk geworden dat de Dienst Terugkeer en Vertrek op 10 juni 2026 een vlucht voor eiser heeft aangevraagd, en deze op 11 juni 2026 is ingepland voor vertrek op 21 juni 2026. Zoals eerder genoemd heeft de gemachtigde van eiser haar grond inzake de voortvarendheid van verweerder daarom laten vallen. Hoewel de rechtbank de ergernis van de gemachtigde begrijpt omdat verweerder dit eerder had kunnen melden – hetgeen verweerder ook heeft erkend – maakt dit de uitkomt echter niet anders.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom ook afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.