RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32738
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.A. Budak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijke gronden ingediend. Omdat verweerder kort voor zitting nadere stukken aan het dossier heeft toegevoegd, heeft zij enkele gronden laten vallen. Wel handhaaft zij dat er per 11 juni 2026 geen grondslag meer is voor de huidige maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Uit de stukken blijkt namelijk dat op 11 juni 2026 voor verweerder bekend was dat eiser op 18 juni 2026 met behulp van IOM naar Turkije terug zal gaan, Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij een herhaalde asielaanvraag in wilde dienen. Hiertoe is eiser ten onrechte niet in staat gesteld.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Verweerder heeft toegelicht dat hij eiser in de gelegenheid wil stellen om zelfstandig te vertrekken met behulp van IOM, en dat daartoe de maatregel op 18 juni 2026 zal moeten worden beëindigen. Mocht eiser niet zelfstandig vertrekken, dan wordt het traject in het kader van de Dublinoverdracht naar Slovenië voortgezet en eiser alsnog zal worden overgedragen. Deze trajecten staan dan ook los van elkaar. Niet is gebleken dat verweerder dit niet zo heeft kunnen doen, dan wel dat daarom de grondslag voor bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw al per 11 juni 2026 is komen te vervallen of tot aan het sluiten van het onderzoek ter zitting onder een onjuiste grondslag heeft voortgeduurd.
Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet heeft bestreden. Naar oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien voldoende om ten aanzien van eiser een significant risico op onderduiken aan te nemen en kunnen deze gronden de maatregel dan ook dragen
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hiervoor is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Dat eiser voornemens is zelfstandig te vertrekken maakt dit in het licht van de bewaringsgronden en de toelichting van verweerder ter zitting niet anders.
Verweerder heeft verder voldoende gemotiveerd dat de wens van eiser om een aanvullende asielaanvraag in te dienen niet duidelijk uit de gehoren blijkt. Eiser heeft slechts verklaard dat hij dacht dat hij legaal was en dat hem werd gezegd dat hij opnieuw naar Ter Apel moest gaan. Als hem later wordt gevraagd wat hij vindt van het voornemen om hem in bewaring te stellen, geeft hij aan dat hij niet gevangengehouden wil worden en dat hij bereid is om weer een aanvraag te gaan doen in Ter Apel. Verweerder heeft deze verklaring in de gegeven context niet als herhaalde asielaanvraag hoeven opvatten. Ook nadien zijn er overigens geen aanwijzingen dat eiser dat wel zo heeft beoogd.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt ook afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.J. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.