Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Kantonrechter
Parketnummer: 96/099153-26
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
Tegenspraak
De kantonrechter heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De officier van justitie heeft op 1 december 2025 een strafbeschikking uitgevaardigd, waarin aan de verdachte een geldboete is opgelegd van € 290,- wegens overtreding van artikel 72 Wet personenvervoer 2000. De verdachte heeft verzet ingesteld tegen de strafbeschikking. Het verzet voldoet aan de eisen die daaraan in de wet worden gesteld. De verdachte is daarom ontvankelijk in haar verzet.
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 14 augustus 2026.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.N. de Wit en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. D. Gaasbeek naar voren is gebracht.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de strafbeschikking van 1 december 2025 zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het haar ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 290,-, subsidiair twee dagen hechtenis.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 2 oktober 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, gebruik heeft gemaakt van (een) voorziening(en) ten behoeve van het openbaar vervoer, te weten het spoor, op zodanige wijze dat de orde en/of rust en/of veiligheid en/of een goede bedrijfsgang wordt of kan worden verstoord, immers liep zij over het spoor, waardoor de bediening en/of het gebruik van de voorziening wordt verhinderd of belemmerd.
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De kantonrechter zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1551021020251920191591, van de politie Haaglanden Bestuurlijke Politiezorg & Milieu, district Zoetermeer - Leidschendam / Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 10).
De kantonrechter gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 14 augustus 2026;
2. Het proces-verbaal van overtreding, met bijlagen, opgemaakt op 5 januari 2026 (p. 1-3).
De bewezenverklaring
De kantonrechter is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De kantonrechter verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij op 2 oktober 2025 te 's-Gravenhage gebruik heeft gemaakt van een voorziening ten behoeve van het openbaar vervoer, te weten het spoor, op zodanige wijze dat de orde en rust en veiligheid en een goede bedrijfsgang wordt verstoord, immers liep zij over het spoor, waardoor de bediening en het gebruik van de voorziening wordt verhinderd of belemmerd.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de ernst van het feit en het noodzakelijke en proportionele optreden van politie en justitie dat daarop is gevolgd, de strafvervolging geen schending oplevert van de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De officier van justitie heeft zich, in reactie op het door de raadsman gevoerde verweer, voorts op het standpunt gesteld dat de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 elk een ander doel dienen en het ten laste leggen van artikel 72 Wet personenvervoer 2000 in plaats van artikel 3 Spoorwegwet niet tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte primair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat vervolging en sanctionering van het bewezenverklaarde in dit geval in strijd is met de vrijheid van meningsuiting en de demonstratievrijheid zoals beschermd door artikelen 10 en 11 EVRM. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat – nu art artikel 72 Wet personenvervoer 2000 ten laste is gelegd en niet artikel 3 Spoorwegwet – de kwalificatie van het bewezenverklaarde als overtreding van artikel 72 Wet personenvervoer 2000 in strijd is met de specialiteitsregeling van artikel 55 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het oordeel van de kantonrechter
Het juridisch kader
EVRM
In de artikelen 10 en 11 van het EVRM zijn respectievelijk het recht van vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging gewaarborgd. De uit deze artikelen voortvloeiende demonstratievrijheid vormt een essentieel recht binnen een democratische samenleving. Standpunten over maatschappelijke thema’s en actuele problemen moeten daartoe vrijelijk kunnen worden geuit, ook als dat gebeurt op een manier die door anderen als storend wordt ervaren. Dit betekent echter niet dat deze rechten absoluut zijn. Uitoefening van de rechten die zijn neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM kan worden beperkt indien:
1) de beperking bij wet is voorzien;
2) de beperking een gerechtvaardigd doel dient;
3) de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving.
Bij de beantwoording van de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving komt de nationale autoriteiten een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’) toe bij het afwegen van de verschillende concrete belangen die in het geding zijn. De beperking moet in elk geval worden gezien als een dwingende maatschappelijke noodzaak (‘pressing social need’). Daarnaast is vereist dat de beperking proportioneel is in verhouding tot het te bereiken doel. Tot slot moeten de redenen voor de beperking afdoende (‘relevant and sufficient’) zijn. In elk geval is van belang dat het ingrijpen van de autoriteiten niet van dien aard is dat dit (ontoelaatbare) terughoudendheid van de toekomstige uitoefening van het demonstratierecht tot gevolg heeft; het zogenoemde ‘chilling effect’. Daarbij kan ook acht worden geslagen op de aard en zwaarte van de eventueel op te leggen straffen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
De verdachte is op Den Haag Centraal Station het spoor opgelopen en heeft zich daar opgehouden. Zij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 72 Wet personenvervoer 2000, zoals hierboven is bewezenverklaard. Een dergelijke handeling is in beginsel strafbaar, waarbij die strafbaarheid kan komen te ontvallen indien een veroordeling een ontoelaatbare inbreuk – en daarmee een schending – oplevert van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging.
Voldaan is aan de eerste twee vereisten die de artikelen 10 en 11 EVRM stellen aan beperkingen op de daarin neergelegde rechten. De beperking vindt immers haar grondslag in de strafbaarstelling van artikel 72 Wet personenvervoer 2000 en is daarmee bij wet voorzien. Naar het oordeel van de kantonrechter is ook voldaan aan de in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Europese hof) gehanteerde eisen van voorzienbaarheid en toegankelijkheid (“accessibility” en “foreseeability”): de wettelijke basis van de beperkingen van de in artikelen 10 en 11 EVRM neergelegde rechten is immers bij formele wet voorzien en de strafbaarstelling van artikel 72 Wet personenvervoer 2000 is voldoende concreet en daarmee voorzienbaar. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat de beperking gerechtvaardigde doelen dient. In de eerste plaats is de beperking gericht op het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Daarnaast heeft de beperking als doel het waarborgen van de sociale veiligheid, orde, rust en een goede bedrijfsgang in het openbaar vervoer en op bijbehorende locaties (zoals stations en perrons) en daarmee de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, namelijk reizigers die gebruik maken van het openbaar vervoer. Den Haag Centraal is een groot treinstation waar continue treinen in- en uitrijden. Voorzienbaar is dan ook dat een onverwachte blokkade van een spoor tot chaotische en daarmee ook gevaarlijke situaties zal leiden in (en rondom) Den Haag Centraal, met alle daarbij behorende gevolgen. De kantonrechter merkt op dat de genoemde doelen – het voorkomen van strafbare feiten en wanordelijkheden en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen – niet alleen in de artikelen 10 en 11 EVRM expliciet zijn neergelegd, maar dat deze doelen ook in de rechtspraak van het Europese hof als legitiem worden beschouwd.
Noodzakelijk in een democratische samenleving
Het opzettelijk ernstig verstoren van het gewone leven en van de activiteiten die door anderen worden uitgevoerd kunnen worden beschouwd als een reprehensible act wanneer deze verstoring groter is dan bij het normale gebruik van het recht op vreedzame vergadering op een openbare plaats (“Any demonstration in a public place may cause a certain level of disruption to ordinary life, including disruption of traffic”).Dergelijk handelen kan het opleggen van straffen rechtvaardigen.
De Grand Chamber van het Europese hof in dit verband: “the intentional serious disruption, by demonstrators, to ordinary life and to the activities lawfully carried out by others, which disruption was more significant than that caused by the normal exercise of the right of peaceful assembly in a public place, might be considered a “reprehensible act” within the meaning of the Court’s case-law. Such behaviour might therefore justify the imposition of penalties, even of a criminal nature.”
Zo werd de bijna volledige blokkade van drie belangrijke snelwegen beschouwd als gedrag dat, hoewel minder ernstig dan het gebruik van fysiek geweld, als een reprehensible act aangemerkt. Ook een gevaarlijke blokkade van een snelweg werd als een reprehensible act beschouwd. In dat geval, aldus het Europese hof, betekende het feit dat de verzoekers niet de initiatiefnemers van de blokkade waren, niet dat de maatregelen die werden genomen met betrekking tot hun deelname en bijdrage aan een gevaarlijke verkeersblokkade, onverenigbaar waren met artikel 11 EVRM. Het feit dat de verzoekers persoonlijk geen geweldplegingen begingen, of anderen niet opriepen tijdens de blokkade, was ook niet voldoende om te concluderen dat er geen sprake was van een reprehensible act.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat het handelen van de verdachte als reprehensible act moet worden beschouwd, in de betekenis die het Europese hof daaraan in zijn uitspraken heeft toegekend. Door de raadsman is betoogd dat de blokkade niet langer dan twintig minuten heeft geduurd en daarmee van beperkte duur is geweest. Uit het dossier volgt dat door de personen op het spoor geen gehoor werd gegeven aan oproepen van de politie om het spoor en de stationshal te verlaten en de blokkade slechts werd beëindigd door ingrijpen van de mobiele eenheid. Hoewel de blokkade als zodanig relatief beperkt geweest is in duur, geldt dat niet voor de gevolgen daarvan. Het treinverkeer op en rondom Den Haag Centraal heeft urenlang (een verbalisant schat tussen 19:00 uur tot 23:00 uur) stilgelegen. De blokkade heeft aldus een ernstige verstoring van het treinverkeer tot gevolg gehad, omdat niet alleen de sporen op Den Haag Centraal afgesloten moesten worden, maar ook omliggende treinstations en het treinverkeer veel hinder hebben ondervonden. Treinen vanuit het hele land moesten worden omgeleid of stilgezet met de nodige vertraging tot gevolg.
De verdachte is samen met anderen op en over het spoor gelopen, waardoor het gebruik van die voorziening werd gehinderd en er een dwingende maatschappelijke noodzaak bestond om hier tegen op te treden. Het optreden van de autoriteiten is niet dermate ingrijpend geweest dat daarmee een ontoelaatbare inbreuk is gemaakt op de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Gelet op de, weliswaar niet onbegrensde, beoordelingsvrijheid die de autoriteiten toekomt bij het beperken van de in artikelen 10 en 11 EVRM neergelegde rechten, is de kantonrechter van oordeel dat de wijze waarop is ingegrepen geen schending oplevert van de genoemde verdragsbepalingen. Bij dat oordeel betrekt de kantonrechter onder meer de omstandigheid dat er voor de verdachte voldoende redelijke alternatieven bestonden voor een demonstratie, waarbij het beoogde doel dat de verdachte met deelname aan een demonstratie voor ogen had eveneens gewaarborgd was. Dit blijkt alleen al uit het feit dat de betreffende demonstratie aanvankelijk niet op het spoor (of op station Den Haag Centraal) werd gehouden, maar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in de Rijnstraat.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat de beperking van de rechten van de verdachte aldus noodzakelijk is geweest.
Chilling effect
De kantonrechter is tot slot van oordeel dat het optreden van de autoriteiten, het instellen van strafvervolging en, zoals hieronder uiteen wordt gezet, het opleggen van een geldboete niet van dien aard is dat sprake is van een chilling effect waardoor gesproken kan worden van een ongerechtvaardigde inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM. Zoals door de Hoge Raad is overwogen in zijn arrest van 8 februari 2022 volgt uit de rechtspraak van het Europese hof niet dat de enkele omstandigheid dat, naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie staat tot een demonstratie, wordt overgegaan tot strafrechtelijk optreden al een schending van de artikelen 10 en 11 EVRM zou opleveren. Hoewel een vervolging een ingrijpend en vergaand middel is, leidt dit niet tot de conclusie dat reeds daarom gesproken kan worden van een onaanvaardbaar chilling effect. Ook het opleggen van een geldboete leidt niet zondermeer tot het oordeel dat sprake is van een chilling effect, waarbij van belang is dat – zoals bij elke strafoplegging – de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (waaronder de financiële draagkracht) worden meegewogen.
Al het voorgaande brengt met zich dat de beperking van de rechten van de verdachte geen strijd oplevert met de artikelen 10 en 11 EVRM. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het bewezenverklaarde gekwalificeerd kan worden als overtreding van artikel 72 Wet personenvervoer 2000 en daarmee strafbaar is.
Artikel 55 lid 2 Sr
Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde betoog met betrekking tot de mogelijke logische specialiteitsverhouding tussen artikel 72 Wet personenvervoer 2000 en artikel 3 Spoorwegwet, overweegt de kantonrechter het volgende. Er is sprake van een logische specialiteitsverhouding indien de specialis alle bestanddelen van de generalis bevat plus nog één of meer andere. Door die toegevoegde bestanddelen krijgt de specialis zijn eigen specifieke, meer beperkte karakter.
Anders dan door de raadsman betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat artikel 3 Spoorwegwet geen logische specialis van artikel 72 Wet personenvervoer 2000 is, omdat niet voldaan is aan de hierboven geschetste vereisten voor een logische specialiteitsverhouding. Artikel 3 Spoorwegwet bevat immers niet alle bestanddelen (plus één of meer andere) van artikel 72 Wet personenvervoer 2000. Integendeel zelfs: de bestanddelen van beide delictsomschrijvingen lopen volstrekt uiteen.
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De kantonrechter neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de overtreding van artikel 72 Wet personenvervoer 2000 door samen met anderen het spoor van Den Haag Centraal Station te blokkeren. Het Haagse Centraal Station is een druk treinstation waar elk uur veel treinen vertrekken en binnenkomen. Een blokkade van het spoor kan leiden tot onveilige situaties omdat de treinmachinist zijn trein op tijd tot stilstand moet brengen en het treinverkeer in de omgeving stagneert. Dat dit gevolg ook daadwerkelijk is ingetreden blijkt uit het feit dat het treinverkeer van en naar Den Haag Centraal Station langdurig heeft stilgelegen. De kantonrechter constateert dat de verdachte dit strafbare feit heeft gepleegd tegen de achtergrond van haar bezorgdheid over de situatie in Palestina. Tegelijkertijd stelt de kantonrechter vast dat de verdachte door aldus te handelen welbewust de keuze heeft gemaakt om de doelen die zij nastreeft te laten prevaleren boven de rechten en belangen van anderen.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 juli 2026. De verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking gekomen.
Desgevraagd heeft de verdachte over haar financiële draagkracht verklaard dat zij een geldbedrag van € 290,- zou kunnen betalen. De kantonrechter ziet daarom ook geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie en acht de oplegging van een geldboete van € 290,-, bij niet-betaling te vervangen door twee dagen hechtenis, passend en geboden. De kantonrechter vernietigt de strafbeschikking van 1 december 2025.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 23, 24 c en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 72 en 101 van de Wet personenvervoer 2000.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De kantonrechter:
vernietigt de eerder opgelegde strafbeschikking;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
overtreding van artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een geldboete van € 290,-;
bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van twee dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.C.J. Vriend, kantonrechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de kantonrechter in deze rechtbank van 27 augustus 2026.