ECLI:NL:RBDHA:2026:23356

ECLI:NL:RBDHA:2026:23356

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-06-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer NL26.31995
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bewaring; artikel 59a, eerste lid; gebrek in de ophouding; eiser is niet in zijn belangen geschaad; gronden deels niet betwist; voortvarend; geen lichter middel; ambtshalve toets leidt niet tot ander oordeel; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.31995

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),

en

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P.N. Kuiper. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Chinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1969.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser heeft op de dag van de zitting zijn gronden nog schriftelijk ingediend. Nu dit zeer laat was en verweerder ter zitting ook heeft aangegeven deze niet te hebben gezien, is afgesproken dat eiser zijn gronden ter zitting toegespitst vermeldt zodat verweerder daarop kan reageren. Gronden die daar dan niet in meegenomen zijn en waar verweerder dan niet op heeft kunnen reageren, zijn door de rechtbank niet meegenomen in de beoordeling. Gelet hierop heeft eiser de volgende gronden aangevoerd.

De ophouding is volgens eiser niet juist verlopen. Uit het proces-verbaal blijkt namelijk dat eiser heeft aangegeven een advocaat bij het gehoor te willen hebben, maar het gehoor is desondanks zonder gestart. Daarbij is eiser niet verteld dat hij tot twee uur op zijn advocaat mocht wachten als hij dat zou willen. Dit vormt volgens eiser een ernstig gebrek. Daarnaast heeft verweerder geen afweging gemaakt in het kader van refoulement, hetgeen volgens eiser gelet op het arrest Adrar van het Hof ook moet bij inbewaringstelling in het kader van de Dublinprocedure. Eiser heeft aangegeven zich ook in Duitsland angstig en niet veilig te voelen en enkel verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel is onvoldoende. Ook ontbreekt het zicht op overdracht. Eiser weet namelijk niet of zijn asielaanvraag in Duitsland nog in behandeling is en er bevindt zich ook geen claimakkoord of ander contact met de Duitse autoriteiten in het dossier. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat er geen significant risico op onttrekking is om als grondslag voor de maatregel te dienen. Hoewel eiser vreest voor overdracht naar Duitsland, is hij ook bang voor detentie en heeft hij alles willen doen om dit te voorkomen. De detentie is daarom onevenredig.

Voor wat betreft de zware en lichte gronden, voert eiser aan dat een paspoort niet noodzakelijk is voor de feitelijke overdracht. Het gebrek aan documenten of toestemming om in te mogen reizen betekent dan ook geen risico voor vertrek naar Duitsland. Het was eiser ook niet bekend dat hij Duitsland gedurende zijn procedure niet mocht uitreizen. Evenmin wist hij dat hij zich bij aankomst in Nederland moest melden of dat hij illegaal was. Het onttrekkingsrisico onder grond 4a is ook niet gemotiveerd. Daarbij heeft eiser, ondanks dat hij dat aanvankelijk niet wilde om zijn kennis te beschermen, een vast verblijfsadres willen opgeven maar mocht hij dat vervolgens niet meer doen. Het gebrek aan voldoende middelen van bestaan kan eiser verder niet worden tegengeworpen, nu eiser zich niet in de BRP kan inschrijven en zijn overdracht niet zelf hoeft te bekostigen. Er blijkt daarnaast niet uit het dossier dat sprake is van voortvarend handelen door verweerder. Er heeft op 10 juni 2026 namelijk nog een vertrekgesprek plaatsgevonden maar er is nog steeds geen contact met de Duitse autoriteiten opgenomen. Tot slot was een lichter middel gewezen omdat eiser hartproblemen heeft, erg bang is en weer asiel wil aanvragen. Zijn feitelijke gedragingen zijn hierbij van belang waaruit blijkt dat hij zijn medewerking verleent.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

5. De rechtbank stelt de volgende feiten vast. Uit de M105 (het proces-verbaal van ophouding en onderzoek) blijkt dat eiser op 8 juni 2026 om 9:25 uur is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden achterhaald. Om 9:27 uur is eiser meegedeeld dat hij zich bij het verhoor kon laten bijstaan door een advocaat, waarbij eiser heeft aangegeven dat te willen. Het verhoor in het kader van de ophouding heeft volgens de HV12 (proces-verbaal van verhoor) plaatsgevonden op 8 juni 2026 om 10:45 uur. Hierin is eiser nogmaals gevraagd of hij zich tijdens het verhoor wilde laten bijstaan door een advocaat. Eiser heeft aangegeven dit niet te willen. De piketdienst is desondanks wel ingelicht en aangegeven is dat eisers advocaat hem later komt bezoeken. Hem is gevraagd of hij het goed vind om alvast met het verhoor te beginnen, waarop eiser bevestigend heeft gereageerd. Om 11:20 uur voegt de gemachtigde van eiser zich alsnog bij het verhoor voor de laatste drie vragen die eiser nog worden gesteld. Het feit dat eiser bijstand bij het verhoor alsnog zou hebben afgewezen staat echter niet vermeld in de M105. Omdat eiser volgens de M105 heeft verklaard gebruik te willen maken van een advocaat tijdens het verhoor en het ophoudgehoor heeft plaatsgevonden zonder advocaat, is sprake van een gebrek.

Dit gebrek maakt de maatregel pas onrechtmatig als de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, aangezien eisers gemachtigde na het verhoor in het kader van de ophouding aanwezig is geweest voor het gehele gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel. Zoals ook blijkt uit de M110 (het proces-verbaal van gehoor als bedoeld in artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000). Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de belangen die met de bewaring zijn gediend, niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek. De rechtbank zal verweerder vanwege het geconstateerde gebrek, wel veroordelen in de proceskosten.

Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat op de maatregel van eiser niet de Terugkeerrichtlijn maar de Dublinverordening van toepassing is. De verwijzing van eiser naar het arrest Adrar gaat daarom niet zonder meer op. Verweerder heeft ook naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel kunnen wijzen en niet is gebleken van duidelijke aanwijzingen dat de situatie in Duitsland dusdanig is dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet uitgegaan kan worden. Evenmin is gebleken dat eisers gestelde medische omstandigheden of de enkele stelling dat eiser in Duitsland voor zijn veiligheid vreest hiervan in de weg zouden staan.

Ten aanzien van de zware en lichte gronden stelt de rechtbank op voorhand vast dat verweerder de lichte grond onder 4a ter zitting heeft laten vallen. Voor de zware gronden onder 3a en 3b heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser de feitelijke juistheid – namelijk dat eiser niet in het bezit is van de nodige reisdocumenten en dat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatige verblijf – niet heeft bestreden, en hij deze gronden ten grondslag van de maatregel heeft kunnen leggen. Zo ook voor de lichte grond onder 4d. Eiser heeft € 76,50 in zijn bezit wat onvoldoende is om in zijn levensonderhoud te voorzien en de terugreis naar Duitsland dan wel zijn land van herkomst te kunnen bekostigen. Dat eiser de overdracht niet zelf hoeft te bekostigen is inherent aan het feit dat eiser niet zelfstandig naar Duitsland terugkeert en betekent niet dat hem een gebrek aan voldoende middelen van bestaan niet kan worden tegengeworpen. Naar oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen en zijn deze voldoende om ten aanzien van eiser het significante risico op onttrekking aan het toezicht aan te nemen. De lichte grond onder 4c behoeft dan geen verdere bespreking meer.

Daarnaast heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het claimverzoek op 10 juni 2026 naar de Duitse autoriteiten is verstuurd en dat hij vooralsnog moet wachten op reactie, welke uiterlijk 24 juni 2026 wordt verwacht. Reageren de Duitse autoriteiten niet, dan wordt Duitsland alsnog verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. Deze toelichting van verweerder is in zoverre niet bestreden door eiser. Naar oordeel van de rechtbank is daarom ook niet gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt of dat er geen zicht is op de overdracht.

Voor wat betreft de toepassing van een lichter middel heeft eiser gewezen op zijn medische situatie en feitelijke gedragingen. Eiser is alvorens de oplegging van de maatregel hierop bevraagd, waarbij eiser heeft aangegeven dat hij last heeft van hoge bloeddruk en zijn hart. Dit is door verweerder in de oplegging van de maatregel meegewogen en noopt op zichzelf niet tot het opleggen van een lichter middel. In de anamnese van het journaal dat eiser kort voor de zitting heeft ingebracht staat daarnaast beschreven dat eiser bekend is met hoge bloeddruk, een onregelmatige hartslag heeft en soms hartkloppingen ervaart. Hiervoor gebruikt eiser geen medicatie. Hoewel hieruit naar voren komt wat eiser eerder over zijn medische omstandigheden heeft verklaart, heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser zich, zoals ook uit het voornoemde blijkt, kan wenden tot de medische dienst wanneer nodig. De feitelijke gedragingen van eiser geven daarbij geen aanleiding tot een ander oordeel. Dat eiser zijn medewerking verleent neemt op zichzelf niet weg dat sprake is van een significant risico op onttrekking (zie 5.3). Ook heeft verweerder daar tegenover kunnen stellen dat eiser zijn aanvraag in Duitsland niet heeft afgewacht en op eigen initiatief door Europa is gaan reizen op een soort vakantie alvorens hij in Nederland in aanraking is gekomen met de politie. Dit onderstreept het risico. Ook het betoog dat de maatregel van bewaring onevenredig is, is niet nader onderbouwd en slaagt niet.

6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. De rechtbank ziet in het onder 5.1 geconstateerde gebrek wel aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank vast op een bedrag van €1.868 ,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskosten betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. Smeets

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand