RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9407
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Deze uitspraak gaat over een besluit waarbij de minister heeft vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 geen verblijfsrecht meer heeft en hem om die reden een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiser terecht heeft meegedeeld dat hij geen verblijfsrecht meer heeft en hem een terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de minister vastgesteld dat de tijdelijke bescherming die eiser op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) was verleend na 4 maart 2024 eindigt en dat eiser met ingang van 5 maart 2024 geen rechtmatig verblijf meer heeft. Om die reden heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
Op 4 juni 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 te vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. De minister heeft eiser in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Eiser heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Op 18 juli 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 vervangen door een nieuw terugkeerbesluit (het bestreden besluit). Het al ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe terugkeerbesluit.
De minister heeft op 15 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn daarbij verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
3. Eiser komt uit Turkmenistan. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de RTB.
Beroep tegen het besluit van 7 februari 2024
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024. De minister heeft dit besluit immers vervangen door het besluit van 18 juli 2025. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 7 februari 2024. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Omdat de minister aanleiding heeft gezien het besluit hangende beroep te vervangen, bestaat er wel aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Beroep tegen het besluit van 18 juli 2025
5. Eiser heeft ter zitting verklaard de gronden die zijn gericht tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet te handhaven. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser in het bestreden besluit terecht heeft meegedeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024.
6. Eiser meent wel dat het terugkeerbesluit ten onrechte is opgelegd, omdat hij bij terugkeer naar Turkmenistan het risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Hij had in dat kader ook moeten worden gehoord. De grond over de SIS-melding handhaaft hij niet.
Uit de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie volgt dat het recht om te worden gehoord, het recht omvat om, voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Eiser heeft deze gelegenheid gehad doordat hij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Niet valt in te zien, en verder is ook niet onderbouwd, waarom eiser in deze schriftelijke reactie niet alle relevante informatie over de vaststelling dat zijn verblijf illegaal is geworden en over zijn persoonlijke situatie naar voren heeft kunnen brengen. Het recht om gehoord te worden, verplicht niet tot een persoonlijk onderhoud.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen zienswijze heeft uitgebracht naar aanleiding van het voornemen van 4 juni 2025. Niet is in geschil dat het voornemen naar het adres van eiser is gestuurd. Aan de stelling van eiser dat zijn gemachtigde het voornemen niet heeft ontvangen, zodat zij dus ook niet middels een zienswijze daarop heeft kunnen reageren gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank is van oordeel dat het betrekken van deze grond bij de beoordeling van het beroep in dit geval in strijd is met de goede procesorde. Al in het besluit van 18 juli 2025 constateert de minister dat eiser geen zienswijze op het voornemen heeft uitgebracht en hij herhaalt dat in het verweerschrift van 15 juni 2026. In de gronden van beroep, maar ook naar aanleiding van dat verweerschrift heeft eiser niet naar voren gebracht dat zijn gemachtigde het voornemen niet heeft ontvangen. Door dit pas voor het eerst ter zitting te stellen, is de minister de kans ontnomen om een en ander voorafgaand aan de zitting uit te zoeken. Eiser stelt terecht dat ook ter zitting nog gronden kunnen worden aangevoerd, maar de gronden dan pas aanvoeren terwijl dat ook veel eerder had gekund, kan in strijd zijn met de goede procesorde, zoals in dit geval. Om die reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen; dat zou de behandeling van de zaak onredelijk vertragen.
Ten aanzien van het gestelde 3 EVRM-risico heeft de minister zich in het voornemen, dat in het bestreden besluit is opgenomen, op het standpunt gesteld dat hij geen aanleiding ziet om te oordelen dat sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de gronden van beroep enkel naar voren heeft gebracht dat hij dat risico wel loopt, maar dat hij deze stelling verder niet heeft geconcretiseerd. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard problemen te hebben met zijn familie, omdat die hem dwingt te trouwen met een moslimmeisje. Verder zijn er jongens die eiser hebben bedreigd op Telegram; zij hebben gezegd dat ze hem niet zullen laten leven als hij terugkomt. Dit heeft te maken met “een conflict”. De berichten zijn de dag erna van Telegram gehaald, zodat eiser ze niet kan laten zien. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat er op dit moment onvoldoende ligt om nader onderzoek te doen of om aan te nemen dat er sprake is van zwaarwegende gronden in de hiervoor bedoelde zin die in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op dat standpunt heeft gesteld. Eiser heeft zijn gestelde vrees namelijk op geen enkele wijze onderbouwd en/of geconcretiseerd.
7. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep tegen het besluit van 18 juli 2025 ongegrond is.
8. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft vervangen, moet de minister de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,00.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.