[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en dat hij daarom niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Om die reden heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
2. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
3. Op 4 juni 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 te vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. De minister heeft eiser in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Eiser heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4. Op 17 juli 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 vervangen door een nieuw terugkeerbesluit (het bestreden besluit). Het al ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe terugkeerbesluit.
5. De rechtbank heeft eiser op 16 september 2025 in de gelegenheid gesteld om, gelet op diverse ontwikkelingen in de voor deze zaak relevante jurisprudentie, aan te geven welke eerder ingediende gronden hij wil handhaven en om de gronden aan te vullen. Eiser heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
6. Partijen hebben, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, niet verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarop is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep tegen het besluit van 7 februari 2024
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024. De minister heeft dit besluit immers vervangen door het besluit van 17 juli 2025. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 7 februari 2024. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Omdat de minister aanleiding heeft gezien het besluit hangende beroep te vervangen, bestaat er wel aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Beroep tegen het besluit van 17 juli 2025
8. Het tegen het besluit van 7 februari 2024 ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit van 17 juli 2025. Eiser heeft het beroep van gronden voorzien bij brief van 14 maart 2024. Eiser heeft zich in die gronden op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de Afdeling niet tot de uitspraak van 17 januari 2024 heeft kunnen komen, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van derdelanders op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt op 4 maart 2024. Volgens eiser had de Afdeling eerst prejudiciële vragen moeten stellen.
9. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling nadien, op 23 april 2025, (nogmaals) uitspraken heeft gedaan over de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Bij die uitspraken heeft de Afdeling betrokken het arrest van het HvJ van 19 december 2024, waarin het HvJ antwoord heeft gegeven op de op 25 april 2024 gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De Afdeling heeft in deze uitspraken geoordeeld dat de minister bevoegd was om voor derdelanders uit Oekraïne de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024.
10. De minister heeft in het besluit van 17 juli 2025 overwogen dat eiser valt onder de groep derdelanders voor wie de tijdelijke bescherming terecht is beëindigd op 4 maart 2024. Omdat eiser ook anderszins geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en niet is gebleken van een risico op refoulement bij terugkeer naar Algerije of andere redenen om van het opleggen van een terugkeerbesluit af te zien, wordt aan hem een terugkeerbesluit opgelegd.
10. Eiser heeft tegen deze overwegingen, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen gronden van beroep aangevoerd. De rechtbank kan zich vinden in deze overwegingen en ziet hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
12. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep tegen het besluit van 17 juli 2025 ongegrond is.
13. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft vervangen, moet de minister de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,00.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.