[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.S.T.H. Ruijters),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Beyik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en de inhoudelijke afwijzing daarvan. Eiser heeft op 2 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 10 november 2025 heeft eiser beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure alsnog afgewezen als ongegrond.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder. De zaak van de neef van eiser (met zaaknummer NL25.54938) is op dezelfde zitting behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2008 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft zich met zijn familie in 2016 bij zijn vader in Turkije gevoegd. In 2023 is eiser uit Turkije vertrokken vanwege zijn omstandigheden daar. Eiser stelt niet terug te kunnen keren naar Syrië omdat hij nu anders in het leven staat dan de mensen in Syrië. Er is daar geen vrijheid of vrijheid van meningsuiting. Daarbij kent hij Syrië alleen van de verhalen op televisie en sociale media. Eiser past niet meer in Syrië omdat hij zijn religie niet praktiseert, met meisjes om gaat en modern is qua kapsel en kleding.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft één asielmotief uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Er is echter niet gebleken van een gegronde vrees voor vervolging, dus is eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiser vervolgd zal worden vanwege het niet naleven van islamitische leefregels of vanwege zijn vrijere levensstijl. Evenmin loopt eiser volgens verweerder een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Zo heeft eiser zijn vrees voor problemen met zijn ooms niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is in Syrië sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en is geen sprake van individuele omstandigheden die het risico op willekeurig geweld voor eiser bij terugkeer verhogen. Verder komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV-ers (alleenstaande minderjarige vreemdelingen) en is zijn terugkeer niet in strijd met artikel 3 van het IVRK. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser heeft, kort gezegd, verklaard dat hij is verwesterd en daardoor risico loopt bij terugkeer. Dat er voor Syriërs die zich hebben afgekeerd van de islam of daar kritisch op zijn geen beleid is, neemt niet weg dat uit WBV 2025/13 blijkt dat burgers geen bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten en internationale organisaties. Daarbij kan niet van eiser verwacht worden dat hij zich aanpast aan de regels en normen in Syrië, voor zover dat betekent dat hij zich (in)direct aan islamitische leefregels moet houden. Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte een relatief lager niveau van willekeurig geweld aanneemt voor Syrië, en hij verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem. Hoewel het Assad-regime geen actieve conflictpartij meer is, had verweerder aan de hand van actuele bronnen moeten beoordelen in hoeverre de huidige conflictpartijen de humanitaire omstandigheden veroorzaken of in stand houden. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat, omdat eisers ouders nog in Turkije verblijven, verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de vraag of de zorg voor eiser zorgvuldig overgedragen kan worden. Eiser verwijst hierbij naar een brief van Nidos van 12 maart 2026 en de reactie daarop, en de daarbij genoemde jurisprudentie. Tot slot heeft eiser een verklaring van zijn werkgever ingebracht waarin wordt aangegeven dat zij zeer tevreden over hem zijn en hem graag behouden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag
5. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open. Dit beroep is op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb niet aan een termijn gebonden.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw binnen zes maanden op een asielaanvraag moet beslissen. Daarbij is van belang dat eiser uit Syrië komt. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium, wat inhield dat verweerder niet besliste op de asielaanvragen van vreemdelingen uit Syrië. De beslistermijn is tijdens dat moratorium voor lopende en nieuwe asielaanvragen verlengd met één jaar, tot maximaal 21 maanden. Eiser heeft in zijn gronden ook aangegeven niet onder een van de uitsluitingscategorieën van het besluitmoratorium te vallen.
Nu gelet op het voorgaande voor de asielaanvraag van eiser een beslistermijn van 18 maanden gold, had verweerder uiterlijk 3 april 2025 een besluit moeten nemen. Eiser heeft verweerder per brief van 8 oktober 2025 in gebreke gesteld en daarna meer dan twee weken gewacht voordat hij op 10 november 2025 beroep in heeft gesteld. Dit betekent dat eiser terecht beroep in heeft gesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder bij besluit van 19 maart 2026 alsnog op de asielaanvraag van eiser heeft beslist. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk.
Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreden en verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Nu het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard zal de rechtbank het beroep tegen het uiteindelijk genomen besluit verder inhoudelijk behandelen.
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit
6. De rechtbank stelt vast dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals door verweerder gemaakt niet in geschil is. Nu verweerder het asielrelaas van eiser zonder voorbehoud geloofwaardig heeft bevonden, betekent dat dat – voor zover in deze relevant – uitgegaan kan worden van de verklaringen van eiser zoals hij deze in zijn gehoren heeft afgelegd.
Vluchtelingenschap
7. Verweerder heeft in zijn beoordeling meegewogen dat in paragraaf C7/33 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) geen apart beleid is opgenomen over gematigde soennieten of niet praktiserende moslims. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat hij vreest voor vervolging omdat hij de islamitische leefregels niet volgt. Eiser heeft hierover verklaard dat hij zijn religie niet praktiseert, hij zich anders kleed en ook zijn haar anders heeft, met meisjes afspreekt en dat hij alcohol drinkt. Verweerder werpt tegen dat er in het algemeen geen sprake is van vervolging bij het niet naleven van islamitische leefregels. Mensen komen hiermee niet in de problemen en de huidige regering heeft geen strenge islamitische leefregels opgelegd. Er is sprake van een diverse samenleving als het gaat om gewoontes zoals blijkt uit landeninformatie zoals het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) van mei 2025. Ook is een van de ministers binnen de huidige regering een christelijke vrouw. Daarnaast wijst de manier waarop de ramadan in 2025 in [plaats 2] heeft plaatsgevonden op een relatief liberale leefomgeving en zijn er voorbeelden van gevallen waarin onverdraagzaamheid door de autoriteiten wordt tegengegaan. Verder heeft verweerder eiser tegengeworpen dat mag worden verwacht dat eiser zich bij terugkeer aan de in Syrië geldende normen en waarden houdt en zich aanpast. Eiser kan hiermee immers bekend worden geacht nu hij daar als kind heeft gewoond en dit vanuit zijn familie heeft meegekregen, en eiser heeft zich eerder aan kunnen passen toen hij naar Nederland kwam.
Verweerder heeft voldoende gedragen gemotiveerd dat de door eiser gestelde verwestering en het niet willen naleven van de islamitische leefregels, op basis van bekende landeninformatie niet zonder meer een gegronde vrees voor vervolging oplevert. Eiser heeft zelf ook niet onderbouwd, al dan niet in verwijzing naar andere relevante of recente landeninformatie, dat dat alsnog tot problemen zou leiden. Ook heeft verweerder tegen kunnen werpen dat eiser zich zo nodig kan aanpassen aan de geldende normen en waarden in Syrië. Te meer zo nu eiser in zijn aanmeldgehoor heeft verklaard moslim te zijn, dat hij zijn geloof praktiseert en in ieder geval tot aan zijn vertrek naar Nederland naar de moskee ging. Eiser is hier ook mee opgegroeid. Dat eiser volgens WBV 2025/13 geen bescherming kan vragen in Syrië is daarbij niet zonder meer relevant, nu er op voorhand al niet vanuit wordt gegaan dat dat voor hem nodig zal zijn.
Daarnaast heeft verweerder eiser tegen kunnen werpen dat niet aannemelijk is dat hij te vrezen heeft voor vervolging omdat hij zijn mening wil kunnen uiten. Het is niet gebleken welke mening eiser wil uiten en hij heeft in het nader gehoor verklaard dat hij ook in Nederland zijn mening voor zich houdt en daar enkel met vrienden over praat. Uit het AAB van mei 2025 blijkt daarbij dat er sinds de val van het regime van Assad veel meer ruimte is voor openlijke politieke discussie en publiekelijk debat. Uit het meest recente rapport van de EUAA komt naar voren dat er geen gevallen bekend zijn van vervolging op basis van politieke affiliatie of activisme. Voor zover eiser stelt te vrezen, heeft hij niet nader onderbouwd waar die vrees op gebaseerd is. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is.
Reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld
8. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat de Kwalificatierichtlijn, zoals aan getoetst in het bestreden besluit en enkele van de in deze uitspraak naar verwezen uitspraken, met ingang van 12 juni 2026 is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom voor zover voor deze uitspraak relevant dezelfde uitleg worden gegeven.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw (oud), gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.
Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank in verwijzing naar relevante en actuele landeninformatie kunnen concluderen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië. Verweerder heeft in zijn voornemen dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt erop gewezen dat de primaire oorzaak van de onveiligheid in Syrië het regime van Assad was. Ook blijkt uit het AAB van mei 2025 en van januari 2026 weliswaar dat nog steeds sprake is van geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat deze van incidentele aard zijn. Het aantal burgerslachtoffers vanwege willekeurig geweld is daarbij relatief laag en wanneer dit was als gevolg van geweldsescalaties en incidenten, was hierbij veelal sprake van gericht geweld. Hoewel de veiligheidssituatie fragiel is, is maar slechts in lage mate sprake van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict.
In het bestreden besluit heeft verweerder daar een regiogerichte beoordeling aan toegevoegd, op basis van waar eiser voor zijn vertrek heeft gewoond. Eiser heeft volgens zijn verklaring namelijk vanaf zijn geboorte ongeveer twee jaar in [plaats 1] gewoond en de rest van de tijd in [plaats 2] tot aan het vertrek van zijn familie naar Turkije. Uit het AAB van januari 2026 blijkt dat de huidige regering controle heeft over [plaats 2] . Het bevolkingsaantal werd in december 2025 geschat op 1.887.256 personen, van wie 31% binnenlands ontheemden, en tussen 27 november 2024 en 11 december 2025 keerden naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug. Daarbij zijn tussen 1 mei 2025 en 21 december 2025 69 geweldsincidenten in [plaats 2] geregistreerd, waarvan 4 gevechten, 12 gevallen van explosies/geweld op afstand en 53 gevallen van geweld tegen burgers. Het maandelijkse aantal geweldsincidenten fluctueerde tussen de 2 en 17 en er waren in [plaats 2] minstens 25 burgerdoden gedocumenteerd. [plaats 1] behoorde eveneens tot het controlegebied van de huidige overheid. Daar werd het bevolkingsaantal geschat op 2.633.164, van wie 36% binnenlands ontheemden, en tussen 27 november 2024 en 11 december 2025 zijn naar schatting 275.380 binnenlands ontheemden teruggekeerd naar hun oorspronkelijke woonplaats. Daarbij zijn tussen 1 mei 2025 en 31 december 2025 115 geweldsincidenten geregistreerd, waarvan 21 gevechten, 65 gevallen van explosies/geweld op afstand en 29 gevallen van geweld tegen burgers. Het maandelijkse aantal geweldsincidenten fluctueerde daarnaast tussen 8 en 20 en er waren minstens 140 burgerdoden gedocumenteerd. Voor zowel [plaats 2] als [plaats 1] is het aantal burgerslachtoffers gelet op het aantal inwoners laag gebleven en heeft verweerder dit, ook indien dat het gevolg is van willekeurig geweld, te beperkt kunnen vinden om te concluderen dat er een hoger risico op willekeurig geweld is.
Omdat verweerder zoals eerder vastgesteld uit mag gaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld voor Syrië, betekent dit dat sprake moet zijn van individuele omstandigheden die alsnog aannemelijk maken dat eiser risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser was ten tijde van de zitting 17 jaar oud, hij heeft geen medische problematiek, hij heeft tot 2016 in Syrië gewoond en daarna in Turkije. In zowel Syrië als Turkije is eiser naar school geweest tot hij in 2023 daarmee is gestopt om zijn vader te helpen met werken. Naar eigen zeggen spreekt eiser daarbij vloeiend Turks en matig Arabisch. Sinds 2023 verblijft eiser samen met zijn neef in Nederland en hij werkt hier als kapper. Hij en zijn neef hebben geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Daarbij heeft eiser nog familie in Syrië wonen in de vorm van de ouders van zijn neef en enkele ooms in [plaats 2] . Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zelf wel onderdak kan regel in Syrië, maar dat hij vooral het meedraaien in de Syrische samenleving en hoe lang hij dat vol kan houden als probleem ziet. Verweerder heeft in het voorgaande geen individuele omstandigheden hoeven zien die eisers risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld verhogen. Eiser heeft ook geen andere omstandigheden aangedragen die daartoe aanleiding geven. Anders dan eiser ter zitting heeft aangegeven, is gelet op het voorgaande ook niet gebleken dat hij geheel verstoken zou zijn van familie of een netwerk bij terugkeer, nog daargelaten de vraag of dit op zichzelf een risicoverhogende omstandigheid oplevert.
Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de humanitaire situatie, hoewel precair, over het algemeen niet binnen de reikwijdte van het willekeurig geweld in het kader van een lopend conflict valt en daarom niet leidt tot een ander oordeel. Met verweerder leest de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 zo dat, gelet op de informatie uit het AAB van mei 2025 en van januari 2026, de humanitaire situatie in dit geval niet betrokken hoeft te worden bij de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dit omdat uit de informatie volgt dat hoewel de humanitaire situatie zeer slecht is, deze het gevolg is van de jarenlange oorlog, de economische sancties en de nalatigheid van de regering van Assad. Sinds de val van dat regime zijn zij geen actor meer in het conflict, zoals ook overwogen in de uitspraak van deze rechtbank van 23 februari 2026. Eiser heeft hiertegen ook geen andere actuele landeninformatie overgelegd waaruit wel volgt dat de huidige conflictparten de humanitaire omstandigheden in Syrië veroorzaken of in stand houden. Verweerder heeft ook verwezen naar een recente beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 september 2025, waarin een getroffen maatregel (de zogeheten Rule 39) tegen de uitzetting van een Syrische vreemdeling niet is verlengd en zijn uitzetting dus werd toegestaan. Overwogen is dat ondanks de huidige veiligheidssituatie in Syrië, zijn terugkeer geen reëel en onmiddellijk risico op onherstelbare schending van zijn rechten oplevert.
Terugkeerbesluit
9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 (zie noot 22) geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan hiervoor niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft eerder al geoordeeld dat de beoordeling van beide artikelen verschillen qua inhoud en dat de uitleg daarvan autonoom moet plaatsvinden. De slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië kunnen een rol spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:
In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
Verweerder heeft voornoemde beoordeling in het kader van artikel 3 van het EVRM in het bestreden besluit niet expliciet gedaan. Wel heeft verweerder zoals eerder genoemd verwezen naar de door het EHRM opgeheven Rule 39 voor een Syrische vreemdeling. Hier blijkt wel uit dat de situatie in Syrië niet meer zodanig was dat uitzetting van vreemdelingen daar naartoe zonder meer een strijd met artikel 3 van het EVRM oplevert. De rechtbank constateert dat het EHRM op die datum (23 september 2025) kennelijk ook aan de criteria uit het arrest Sufi en Elmi heeft getoetst en de uitzetting mogelijk achtte. Daarmee heeft verweerder, zij het niet heel expliciet, wel (ook) getoetst aan artikel 3 van het EVRM. In het verweer maakt verweerder deze toets explicieter waarbij verwezen wordt naar het feit dat de huidige humanitaire situatie niet (of nauwelijks) te wijten is aan een (actor die partij is bij een) lopend gewapend conflict. Deze is wel het gevolg van een jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid door het vorige regime van Assad. Van een strijd met artikel 3 van het EVRM is dan slechts sprake in “very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling.” Het is daarbij aan eiser om aannemelijk te maken dat hij een dergelijk risico loopt, hetgeen in dit geval niet aannemelijk is gemaakt.
Voor zover het feit dat de beoordeling niet voldoende expliciet in het bestreden besluit is opgenomen en dit pas in verweer eerst meer expliciet is gedaan een motiveringsgebrek oplevert, passeert de rechtbank dit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Door eiser zijn namelijk geen stukken ingebracht waaruit moet worden afgeleid dat de humanitaire situatie in Syrië, en specifiek [plaats 2] , sinds de beslissing van het EHRM zodanig is verslechterd dat geoordeeld moet worden dat nu wel de lat van artikel 3 van het EVRM in het kader van Sufi en Elmi wordt gehaald. In tegendeel, in de stukken waar verweerder in zijn verweer naar heeft verwezen lijkt de situatie, hoewel nog steeds fragiel en precair, enigszins te verbeteren. En hoewel dit geheel geleidelijk gaat en tijd zal kosten, is van een uitzichtloze situatie zoals in Sufi en Elmi evenmin sprake. Daar komt bij dat eiser in dit kader niet op bijzondere individuele omstandigheden heeft gewezen die hierop van invloed kunnen zijn en ziet de rechtbank ook in de onder 8.3 genoemde omstandigheden geen aanleiding voor een ander oordeel.
Buitenschuldbeleid AMV
10. In het kader van het buitenschuldbeleid voor AMV-ers moet verweerder eiser bevragen op opvang bij terugkeer en dan motiveren dat niet op voorhand is gebleken dat er in het land van terugkeer geen adequate opvang zal zijn voor eiser. Verweerder heeft in het nader gehoor eiser gehoord over de situatie waarin hij terecht zou komen als hij naar Syrië terug zou moeten keren. Op basis hiervan heeft verweerder betrokken dat eisers ouders altijd voor hem hebben gezorgd en dat zij dit nog altijd doen voor zijn broers en zussen. Van de ouders kan daarbij worden verwacht dat zij zo nodig naar Syrië reizen om eiser daar op te vangen. Niet is gebleken dat dat niet mogelijk is. Bovendien is eiser ook bevraagd op overige familieleden waaronder de ouders van zijn neef, met wie hij naar Nederland is gereisd. Ter zitting heeft eiser hierover aangegeven dat de families een goede band met elkaar hebben, dat zij ook in Turkije contact hebben gehouden en redelijk dicht bij elkaar hebben verbleven, en dat eiser en zijn neef elkaars ouders kennen. Niet is gebleken dat eiser niet eventueel door hun opgevangen kan worden, nu zij eerder al zijn teruggekeerd vanuit Turkije naar Syrië en daar ook nu nog verblijven. Verder heeft verweerder hierbij betrokken dat uit de verklaring van eiser blijkt dat zijn vader werk heeft als kleermaker en dus enige financiële middelen heeft om zo nodig een en ander te regelen. Zodoende is evenmin gebleken dat de zorg voor eiser van zijn ouders bij voorbaat kansloos of onmogelijk is. Verweerder heeft hiermee voldoende onderzoek gedaan naar de opvangmogelijkheden en kunnen wijzen op de zorgplicht van de ouders van eiser om adequate opvang voor hem te regelen. Hoe dat er in de praktijk uit ziet, is aan de ouders om te bepalen.
In de briefwisseling van Nidos met Prof. [naam 1] en Prof. [naam 2] zoals door eiser overgelegd en naar verwezen, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. [naam 1] en [naam 2] komen in hun brief aan Nidos tot de conclusie dat het aan de staat – verweerder – is om onderzoek te verrichten zodat vastgesteld kan worden of de zorgplicht zorgvuldig overgedragen kan worden. Dit volgt in zoverre ook uit het arrest TQ van het Hof en de daarop volgende uitspraak van de Afdeling. De rechtbank heeft echter al geoordeeld dat verweerder voldoende onderzoek heeft verricht naar de mogelijkheid op adequate opvang voor eiser bij terugkeer naar Syrië.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat ziet op het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser door verweerder niet-ontvankelijk. Wel veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,- zoals overwogen onder punt 5.4.
Het inhoudelijke beroep tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.