[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Beyik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en de inhoudelijke afwijzing daarvan. Eiser heeft op 8 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 3 maart 2026 heeft eiser beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting aangegeven niet te zullen verschijnen. Tegelijkertijd heeft eiser een pleitnota ter aanvulling van zijn gronden ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1977 en heeft de Syrische nationaliteit. In 2014 is eiser door de volkscommissie, een aan het regime gelieerde militie, benaderd om zich bij hen te voegen. Eiser heeft bij hen aangegeven wat bedenktijd te willen en enkele dagen later is eiser vertrokken, omdat hij zich niet bij hen wilde voegen maar vreesde voor hun reactie als hij expliciet zou afwijzen. Daarbij is eiser in zijn jeugd veel en ernstig gepest en vernederd door zijn leraren, leeftijdsgenoten en zijn vader. Ook heeft zijn vader hem eens zo hard geslagen dat hij hechtingen nodig had. Hieraan heeft eiser zeer negatieve herinnering en gevoelens overgehouden. Dit alles zorgt ervoor dat eiser niet naar Syrië terug kan.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft één asielmotief uit het asielrelaas van eiser herleid, te weten zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Deze worden door verweerder geloofwaardig geacht. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat hij de benadering door de volkscommissie niet als asielmotief heeft opgenomen, nu eiser heeft verklaard dat hij geen gevaar meer vanuit de volkscommissie verwacht. Dit omdat het vorige regime is gevallen en eiser vernomen heeft dat het centrum van de volkscommissie niet meer bestaat. Eisers verder opgegeven asielmotieven zijn daarbij niet terug te brengen tot een concrete vrees voor vervolging of ernstige schade, omdat dit enkel strekt tot de psychische belasting die een terugkeer met zich mee zou brengen. Hoe betreurenswaardig dit ook moge zijn. Eiser is daarom geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder neemt daarnaast ook geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM of in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn aan. Er is namelijk sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en van individuele omstandigheden die eisers risico op ernstige schade verhogen is niet gebleken. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet met het bestreden besluit eens en voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte de benadering van eiser door de volkscommissie buiten de kern van de toets geplaatst. Dit vormt immers de directe aanleiding van eisers vlucht in 2014 uit Syrië. Daarbij bepaalt artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn (sinds 12 juni 2026 vervangen door de Kwalificatieverordening) dat een eerdere daad van vervolging of ernstige schade een duidelijke aanwijzing kan vormen voor een gegronde vrees of een reëel risico. Dat eiser heeft vernomen dat de volkscommissie niet meer zou bestaan, neemt daarnaast niet weg dat verweerder dit risico objectief moet beoordelen. Ook kan zijn weigering met de volkscommissie mee te werken gezien worden als een toegedichte politieke overtuiging of gebrek aan loyaliteit.
Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder zijn beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en van artikel 3 van het EVRM ontoereikend heeft gemotiveerd. Verweerder mag deze beoordeling niet reduceren tot een rekensom van incidenten en slachtoffers en ook in een minder uitzonderlijke situatie moeten de algemene veiligheidssituatie, de individuele omstandigheden en de persoonlijke kwetsbaarheid in onderlinge samenhang worden beoordeeld. De humanitaire omstandigheden die direct of indirect voortvloeien uit het handelen of nalaten van conflictpartijen moet daar ook bij betrokken worden. Dit heeft verweerder niet juist gedaan nu ook uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) van januari 2026 volgt dat sprake is van een fragile en gewelddadige situatie, zo ook in [regio] waar eiser vandaan komt. Terugkeer wordt daarbij door verschillende factoren belemmerd, naar schatting hebben 16,5 miljoen Syriërs behoeft aan humanitaire hulp, leefde ongeveer 90% van de bevolking onder de armoedegrens en had meer dan de helft te maken met voedselonzekerheid. Recente internationale bronnen zoals een rapport van de VN onderzoekscommissie en OCHA bevestigen dit en ook het UNHCR bevordert terugkeer naar Syrië nog niet vanwege de situatie. Voor eisers geval hadden zijn persoonlijke omstandigheden daarbij zwaar moeten wegen en cumulatief beoordeeld moeten worden, nu eiser sinds 2014 niet meer in Syrië verblijft, hij beperkt onderwijs heeft gehad en nog altijd niet goed kan lezen en schrijven, hij een emotioneel zwaar belaste voorgeschiedenis heeft wat bij terugkeer wordt versterkt en eerder is benaderd door een militie. Ook verblijven zijn echtgenote en kinderen niet in Syrië, dus kan hij niet op hun terugvallen. Verder kan verweerder niet volstaan met een verwijzing naar een beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin een “Rule 39” maatregel was opgeheven, omdat dat niet ging om een inhoudelijke toets. Een binnenlands vestigingsalternatief kan eiser daarnaast ook niet worden tegengeworpen vanwege voornoemde problemen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag – NL26.11763
5. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open. Dit beroep is op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb niet aan een termijn gebonden.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw binnen zes maanden op een asielaanvraag moet beslissen. Daarbij is van belang dat eiser uit Syrië komt. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium, wat inhield dat verweerder niet besliste op de asielaanvragen van vreemdelingen uit Syrië. De beslistermijn is tijdens dat moratorium voor lopende en nieuwe asielaanvragen verlengd met één jaar, tot maximaal 21 maanden. Daarbij is gesteld noch gebleken dat eiser onder één van de in het moratorium genoemde uitzonderingscategorieën valt.
Nu gelet op het voorgaande voor de asielaanvraag van eiser een beslistermijn van 18 maanden gold, had verweerder uiterlijk 8 september 2025 een besluit moeten nemen. Eiser heeft verweerder per brief van 12 februari 2026 in gebreke gesteld en daarna meer dan twee weken gewacht voordat hij op 3 maart 2026 beroep in heeft gesteld. Dit betekent dat eiser terecht beroep in heeft gesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder bij het besluit van 16 maart 2026 alsnog opnieuw op de aanvraag van eiser heeft beslist. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk.
Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreven en verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Nu het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard zal de rechtbank het beroep tegen het uiteindelijk genomen besluit verder inhoudelijk behandelen.
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit – NL26.14927
Benadering door de volkscommissie als asielmotief
6. Uit de verklaring van eiser volgt dat hij van zijn broers – die nog in Syrië verblijven – heeft vernomen dat het centrum van de volkscommissie waardoor hij benaderd was, niet meer bestaat. Op de vraag of eiser nog gevaar loopt vanwege de volkscommissie, heeft hij gereageerd met: “Nee, ik denk het niet. Op dit moment bestaan er geen commissies, want die behoren tot het oude regime.” Het feit dat deze commissies tot het oude regime behoorden bevestigt eiser daarna nogmaals. Verweerder heeft dan ook terecht met verwijzing naar de werkinstructie (WI) 2024/6 tegengeworpen dat de benadering door de volkscommissie geen asielmotief is, omdat eiser zelf heeft aangegeven hier niet meer voor te vrezen en dus dat dit niet meer de reden is waarom hij niet terug kan naar Syrië. Dat dit wel voor eiser de directe aanleiding is geweest om uit Syrië te vertrekken, doet aan het voorgaande niet af. Bovendien, zelfs al zou dit als asielmotief worden aangemerkt, dan volgt uit eisers verklaring en het bestreden besluit voldoende dat dit niet tot toewijzing van een asielvergunning kan leiden.
Evenmin kan gevolgd worden dat sprake zou kunnen zijn van een toegedichte politieke overtuiging of gebrek aan loyaliteit. Zoals eerder genoemd bestaat de volkscommissie volgens eiser niet meer. Wie hem dit dan (nu nog) zou toedichten en waarom is niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat ook uit eisers verklaring niet blijkt dat de volkscommissie hem dit op enig moment heeft toegedicht. Eiser is eenmalig benaderd om zich bij de volkscommissie te voegen wat tot zijn vertrek heeft geleid. Na zijn vertrek is de volkscommissie één keer bij zijn familie langs geweest waarop de familie heeft aangegeven dat eiser naar Libanon is gegaan. Dit heeft zich in 2014 heeft voorgedaan en eiser en zijn familie hebben sindsdien niets meer van de volkscommissie vernomen. Anders dan wat eiser stelt is de enkele mogelijkheid dat hem iets werd of wordt toegedicht, niet voldoende om dit aannemelijk te achten.
Vluchtelingenschap
7. Verweerder heeft eiser verder tegen kunnen werpen dat zijn negatieve ervaringen uit zijn jeugd, hoe naar deze ook zijn, geen raakvlakken hebben met de gronden van vervolging zoals volgt uit het Vluchtelingenverdrag. Het probleem betreft in essentie de pijnlijke herinneringen en de emotionele en psychische belasting die een eventuele terugkeer met zich mee zou brengen. Hieruit volgt geen concrete vrees voor vervolging of ernstige schade. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het traumabeleid uit paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser heeft daarnaast zijn gestelde trauma’s dan wel de gestelde impact van terugkeer naar Syrië daarop niet nader onderbouwd, noch heeft hij betoogd waarom hij naar zijn mening wel aan het traumabeleid zou voldoen. Voor zover eiser daarbij stelt dat sprake is van eerdere daden van vervolging die een duidelijke aanwijzing vormen voor een gegronde vrees, heeft eiser niet nader onderbouwd welke eerdere daden van vervolging dit betreffen en waarom verweerder dit ten onrechte niet als eerdere daden van vervolging heeft gezien. Verweerder heeft daarom naar oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld
8. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat de Kwalificatierichtlijn, zoals aan getoetst in het bestreden besluit en enkele van de in deze uitspraak naar verwezen uitspraken, met ingang van 12 juni 2026 is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom voor zover voor deze uitspraak relevant dezelfde uitleg worden gegeven.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw (oud), gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening valt, moeten alle relevante omstandigheden in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting aangegeven dat hij in het bestreden besluit voor voornoemde toets ten onrechte is uitgegaan van [regio] als gebied van terugkeer, en heeft daarom in zijn verweer de situatie van [plaats 1] getoetst. Eiser heeft namelijk feitelijk het langst in de stad gewoond en alleen de laatste drie jaar in [regio] , waarbij hij in die tijd veel naar Libanon reisde. Verweerder is daarom van mening dat aan [plaats 1] getoetst had moeten worden, erkent dat het bestreden besluit daarom een motiveringsgebrek bevat maar verzoekt de rechtbank dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van eiser volgt dat hij vanaf zijn geboorte tot aan 2011 in [plaats 1] heeft gewoond. Toen eiser naar [plaats 2] in [regio] is verhuisd, werkte hij in Libanon waardoor hij steeds twee maanden in Libanon verbleef en daarna tien dagen bij zijn gezin in [plaats 2] . In 2014 is eiser uit Syrië vertrokken. Hoewel eisers gezin feitelijk als laatste in [plaats 2] in [regio] heeft gewoond, heeft eiser zelf in die periode vooral verblijf in Libanon gehad. Naar het oordeel van de rechtbank diende verweerder daarom inderdaad te toetsen aan de situatie in [plaats 1] en het bestreden besluit bevat daarom in zoverre een motiveringsgebrek.
De rechtbank ziet echter geen grond om dit gebrek te passeren. Het motiveringsgebrek betreft immers een cruciaal onderdeel van de beoordeling van eisers risico bij terugkeer. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Naar oordeel van de rechtbank bestaat er evenwel voldoende aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten gelet op het volgende.
Verweerder heeft onder verwijzing naar relevante en actuele landeninformatie in het verweerschrift kunnen concluderen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en ook in [plaats 1] . Verweerder heeft daarbij kunnen verwijzen naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) van januari 2026 waaruit blijkt dat de huidige regering controle heeft over [plaats 1] . Het bevolkingsaantal werd in december 2025 geschat op 1.887.256 personen, van wie 31% binnenlands ontheemden, en tussen 27 november 2024 en 11 december 2025 keerden naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug. Daarbij zijn tussen 1 mei 2025 en 21 december 2025 69 geweldsincidenten in [plaats 1] geregistreerd, waarvan 4 gevechten, 12 gevallen van explosies/geweld op afstand en 53 gevallen van geweld tegen burgers. Het maandelijkse aantal geweldsincidenten fluctueerde tussen de 2 en 17 en er waren in [plaats 1] minstens 25 burgerdoden gedocumenteerd. Ook waren er tussen 1 mei 2025 en 15 oktober 2025 vier incidenten geregistreerd met ontplofbare oorlogsresten en hield het ministerie van Noodhulp en Rampenbestrijding zich bezig het ruimen daarvan.
Omdat verweerder zoals eerder vastgesteld uit mag gaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld voor Syrië, betekent dit dat sprake moet zijn van individuele omstandigheden die alsnog aannemelijk maken dat eiser risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat uit hetgeen eiser heeft verklaard en aangevoerd geen individuele omstandigheden volgen die het risico verhogen. Eiser heeft in beroep gewezen op het feit dat hij al sinds 2014 niet meer in Syrië heeft gewoond, dat hij beperkt onderwijs heeft genoten en niet goed kan lezen en schrijven, dat hij een emotioneel zwaar belaste voorgeschiedenis heeft als gevolg van zijn jeugd in Syrië en dat hij in het verleden door de volkscommissie is benaderd. Eiser heeft echter niet nader onderbouwd waarom deze omstandigheden, hoewel individueel, het risico bij terugkeer verhogen. Daarbij overweegt de rechtbank dat eisers gezin weliswaar in Libanon verblijft, maar dat hij in ieder geval nog enkele broers in Syrië heeft wonen. Daarnaast heeft eiser in zowel Syrië als Libanon gewerkt als tegelzetter waarmee hij in zijn onderhoud heeft kunnen voorzien. Voor zover eiser wijst op de gevolgen van een terugkeer voor zijn psychische gesteldheid heeft eiser deze bijzondere kwetsbaarheid niet met stukken onderbouwd. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat van risicoverhogende individuele omstandigheden niet is gebleken.
Daarnaast heeft verweerder erop kunnen wijzen dat uit de Country Guidance: Syria van de EUAA van december 2025 volgt dat niet is gebleken dat de huidige actoren van geweld, de humanitaire situatie in Syrië veroorzaken of in stand houden. Uit informatie van het UK Home Office van 25 juli 2025 volgt daarbij dat de hoeveelheid mensen in [plaats 1] die humanitaire hulp nodig hebben relatief laag ligt (44%) in verhouding tot de rest van Syrië. Met verweerder leest de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 zo dat, gelet op de informatie uit het AAB van mei 2025 en van januari 2026, de humanitaire situatie in dit geval niet betrokken hoeft te worden bij de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Dit omdat uit de informatie volgt dat hoewel de humanitaire situatie zeer slecht is, deze het gevolg is van de jarenlange oorlog, de economische sancties en de nalatigheid van de regering van Assad. Sinds de val van dat regime zijn zij geen actor meer in het conflict, zoals ook overwogen in de uitspraak van deze rechtbank van 23 februari 2026. Eiser heeft geen andere actuele landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat de huidige conflictparten de humanitaire omstandigheden in Syrië wel veroorzaken of in stand houden. Verweerder heeft in het bestreden besluit in dit kader ook verwezen naar een recente beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 september 2025, waarin een getroffen maatregel (de zogeheten Rule 39) tegen de uitzetting van een Syrische vreemdeling niet is verlengd en zijn uitzetting dus werd toegestaan. Dit betekent dat het EHRM terugkeer naar Syrië ondanks de huidige veiligheidssituatie aldaar, niet in strijd acht met artikel 3 van het EVRM.
Terugkeerbesluit
9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 (zie noot 19) geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan hiervoor niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft eerder al geoordeeld dat de beoordeling van beide artikelen verschillen qua inhoud en dat de uitleg daarvan autonoom moet plaatsvinden. De slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië kunnen een rol spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:
In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
Verweerder heeft voornoemde beoordeling in het kader van artikel 3 van het EVRM in het bestreden besluit niet expliciet gedaan. Wel heeft verweerder zoals eerder genoemd verwezen naar de door het EHRM opgeheven Rule 39 voor een Syrische vreemdeling. Hier blijkt wel uit dat de situatie in Syrië niet meer zodanig was dat uitzetting van vreemdelingen daar naartoe zonder meer strijd met artikel 3 van het EVRM oplevert. De rechtbank constateert dat het EHRM op die datum (23 september 2025) kennelijk ook aan de criteria uit het arrest Sufi en Elmi heeft getoetst en de uitzetting mogelijk achtte. Daarmee heeft verweerder, zij het niet heel expliciet, wel (ook) getoetst aan artikel 3 van het EVRM. In het verweer maakt verweerder deze toets explicieter waarbij verwezen wordt naar het feit dat de huidige humanitaire situatie niet (of nauwelijks) te wijten is aan een (actor die partij is bij een) lopend gewapend conflict. Deze is wel het gevolg van een jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid door het vorige regime van Assad. Van een strijd met artikel 3 van het EVRM is dan slechts sprake in “very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling.” Het is daarbij aan eiser om aannemelijk te maken dat hij een dergelijk risico loopt, hetgeen in dit geval niet aannemelijk is gemaakt.
Door eiser zijn geen stukken ingebracht waaruit moet worden afgeleid dat de humanitaire situatie in Syrië, en specifiek [plaats 1] , sinds de beslissing van het EHRM zodanig is verslechterd dat geoordeeld moet worden dat nu wel de lat van artikel 3 van het EVRM in het kader van Sufi en Elmi wordt gehaald. Uit de stukken waar verweerder in zijn verweer naar heeft verwezen blijkt eerder dat de situatie, hoewel nog steeds fragiel en precair, enigszins verbetert. En hoewel dit geheel geleidelijk gaat en tijd zal kosten, is van een uitzichtloze situatie zoals in Sufi en Elmi evenmin sprake. Daar komt bij dat eiser in dit kader niet op bijzondere individuele omstandigheden heeft gewezen die hierop van invloed kunnen zijn en ziet de rechtbank ook in de onder 8.5 genoemde omstandigheden geen aanleiding voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank verklaart het beroep met zaaknummer NL26.11763 voor zover dat ziet op het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser door verweerder niet-ontvankelijk. Wel veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,- zoals overwogen onder punt 5.4.
Het inhoudelijke beroep tegen het alsnog genomen besluit met zaaknummer NL26.14927 is gegrond. Het bestreden besluit bevat namelijk een motiveringsgebrek in strijd met artikel 3:46 van de Awb en kan daardoor niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op wat is overwogen onder punt 8.1 echter voldoende aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Voor een andere afdoening ziet de rechtbank geen aanleiding.
Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in het beroep met zaaknummer NL26.11763:
De rechtbank, in het beroep met zaaknummer NL26.14927:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.