ECLI:NL:RBDHA:2026:23372

ECLI:NL:RBDHA:2026:23372

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer NL26.9928
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel humanitair niet-tijdelijk; machtiging tot voorlopig verblijf; artikel 8 van het EVRM; inreisverbod; hardheidsclausule; hoorplicht; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [v-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie.

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.9928

(gemachtigde: mr. I. Özkara),

en

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 februari 2026 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond en het standpunt van de minister

2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 27 juni 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk: uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 EVRM’. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet voldoet aan de voorwaarden om van het vereiste om een mvv te bezitten te worden vrijgesteld. Het is namelijk niet gebleken dat er in eisers geval sprake is van beschermwaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de minister aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, wat volgens de minister niet in strijd is met het Turks Associatierecht. Ten slotte is er geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en eisers aanvraag alsnog in te willigen.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van beschermwaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM?

3. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat geen sprake is van beschermwaardig privéleven in Nederland. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte volstaan met de constatering dat eiser geen documenten heeft overgelegd, zonder zelfstandig onderzoek te verrichten naar de feitelijke omstandigheden van eiser. Eiser voert aan dat de minister dan ook ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht in het kader van artikel 8 van het EVRM.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat in eisers geval geen sprake is van (beschermwaardig) privéleven. Eiser heeft namelijk op geen enkele wijze onderbouwd dat daarvan sprake zou zijn, ondanks dat hij bij brief van 29 september 2025 door de minister in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen. Ook in bezwaar heeft eiser de mogelijkheid gehad om zijn gesteld in Nederland opgebouwde privéleven toe te lichten, maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Omdat de minister gelet hierop geen beschermenswaardig privéleven heeft hoeven aannemen, heeft hij ook geen belangenafweging hoeven verrichten. De vraag of inmenging in het recht op respect voor privéleven is gerechtvaardigd, waartoe en belangenafweging wordt verricht, is immers pas aan de orde als er sprake is van beschermenswaardig privéleven.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het opgelegde inreisverbod niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of het Turks Associatierecht?

4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het opleggen van het inreisverbod noodzakelijk is. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte geen individuele belangenafweging gemaakt, waarbij zijn persoonlijke omstandigheden, de duur van zijn verblijf in Nederland en zijn toekomstperspectief zijn betrokken. Daarnaast voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het inreisverbod niet in strijd is met de standstill-bepaling van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (Associatieovereenkomst), waaruit volgt dat het invoeren van nieuwe beperkingen voor de vrijheid van vestiging niet is toegestaan.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister op grond van artikel 66a, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 gehouden was om aan eiser een inreisverbod op te leggen. De minister stelt terecht dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven daarvan af te zien. Zoals onder 3.1. overwogen, heeft eiser zijn beroep op artikel 8 van het EVRM in zijn geheel niet onderbouwd. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat het opgelegde inreisverbod niet in strijd is met de standstill-bepaling. Het aan eiser opgelegde inreisverbod is een vreemdelingenrechtelijke handhavingsmaatregel, die gebaseerd is op het feit dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Het is geen maatregel die voorwaarden stelt aan het uitoefenen van economische activiteiten. Het inreisverbod is daarom niet aan te merken als een nieuwe beperking in de zin van de standstill-bepaling. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd waarom het in zijn geval anders zou zijn.

Had de minister eiser moeten vrijstellen van het mvv-vereiste vanwege de hardheidsclausule (artikel 4:84 van de Awb)?

5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het beleid af te wijken. Volgens eiser had de minister moeten beoordelen of toepassing van beleid onevenredige gevolgen voor hem heeft.

De beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten dat eiser niet heeft toegelicht van welke beleidsregel de minister had moeten afwijken, heeft eiser de door hem aangevoerde omstandigheden onvoldoende toegelicht en niet onderbouwd. Reeds om die reden heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule.

Heeft de minister de hoorplicht geschonden?

6. Eiser betoogt dat de minister hem in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord, hetgeen in strijd is met artikel 7:2 van de Awb. Volgens eiser kon, gelet op de aard van de aangevoerde gronden en het beroep op artikel 8 van het EVRM, niet op voorhand worden vastgesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Volgens de Afdeling is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is opgenomen.

De beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank hiervoor onder 3.1. heeft overwogen, heeft eiser nagelaten bij zijn aanvraag en ook in bezwaar zijn beroep op artikel 8 van het EVRM toe te lichten en te onderbouwen. In dat licht bezien heeft de minister geen reden hoeven zien om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand