RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44687
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 4 mei 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 1 juni 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
De minister heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep en een verzoek om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 12 augustus 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. Uit de uitspraak van 1 juni 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 26 mei 2026 rechtmatig is.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen (inhoudelijke) gronden heeft aangevoerd tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Eiser heeft in reactie op de voortgangsrapportage namelijk alleen laten weten dat hij graag op zitting wil worden gehoord en dat hij dan in persoon wenst te verschijnen (en niet via een telehoorverbinding). De rechtbank wijst erop dat zij in zaken over het voortduren van een maatregel van vreemdelingenbewaring niet altijd gehouden is een zitting te houden en dat zij partijen niet om toestemming hoeft te vragen voor het achterwege laten van die zitting. In dit geval vond de rechtbank een zitting niet nodig. Dat komt niet alleen doordat eiser zelf geen gronden heeft aangevoerd, maar ook omdat de rechtbank in haar ambtshalve toets geen bijzonderheden heeft opgemerkt. Dat licht de rechtbank als volgt toe.
Eiser verblijft sinds 4 mei 2026 op de huidige grondslag in vreemdelingenbewaring. Eiser heeft daarvoor ook een korte periode in vreemdelingenbewaring doorgebracht op een andere grondslag, maar bij elkaar opgeteld bevindt eiser zich nog geen zes maanden in vreemdelingenbewaring. Uit de voortgangsrapportage volgt dat eiser op 30 juni 2026 in persoon is gepresenteerd aan de Gambiaanse autoriteiten en dat zijn nationaliteit ook op die datum is bevestigd. De Gambiaanse consul wilde, zo volgt ook uit de voortgangsrapportage, nog wel weten of eiser een verblijfsrecht had in Italië voordat hij voor eiser een laissez passer zou verstrekken. Dat mogelijke verblijfsrecht had eiser namelijk tijdens de presentatie naar voren gebracht. De minister is dat nagegaan en heeft op 10 juli 2026 een reactie ontvangen van de Italiaanse politie, waaruit volgt dat eiser geen verblijfsrecht (meer) heeft in Italië. De rechtbank ziet in het dossier geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de Gambiaanse autoriteiten nu niet (snel) aan eiser een laissez passer zullen verstrekken waarmee eiser naar Gambia kan worden uitgezet. De rechtbank acht dus zicht op uitzetting aanwezig. Daarnaast volgt uit de hiervoor beschreven stappen en de aan het dossier toegevoegde verslagen van vertrekgesprekken dat de minister steeds voortvarend heeft gewerkt aan die uitzetting. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat is gekeken naar eisers medicijngebruik. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat eiser niet langer in vreemdelingenbewaring kan worden gehouden of dat zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser noch de minister heeft aanleiding gezien om een artikel 64-procedure op te starten.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.