RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [x], eiseres
de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44343
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiseres heeft allereerst in de schriftelijke beroepsgronden naar voren gebracht dat uit de omstandigheid dat zij een loungemaatregel opgelegd heeft gekregen, blijkt dat met een lichter middel had kunnen volstaan. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres echter naar voren gebracht dat niet wordt aangevoerd dat de minister had kunnen en moeten volstaan met een lichter middel. De rechtbank zal hierover daarom geen oordeel geven.
Kan de maatregel van grensdetentie samengaan met de screening op grond van de Screeningsverordening?
4. Eiseres betoogt dat zij niet op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, in grensdetentie kon worden gesteld. Daarbij voert eiseres aan dat dit artikel geen grondslag biedt voor grensdetentie tijdens de screeningsfase. Volgens eiseres zijn de screening en de inhoudelijke behandeling van haar asielaanvraag namelijk strikt gescheiden fasen en is er geen wettelijke grondslag voor de grensdetentie tijdens de screeningsfase die voldoet aan artikel 6 van de Screeningsverordening. Daarnaast wijst eiseres erop dat onduidelijk is wanneer de screening is geëindigd en de inhoudelijke asielprocedure is aangevangen, terwijl in de Screeningsverordening duidelijk staat wanneer de screeningsfase begint en eindigt. In dat kader wijst eiseres ook op verschillende taalversies van de Opvangrichtlijn, Procedureverordening en Screeningsverordening. De Nederlandse vertaling daarvan is volgens eiseres onjuist. Ook wijst eiseres erop dat de voorlopige medische controle zoals vereist in de Screeningsverordening, niet is uitgevoerd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De ambtenaar heeft de bevoegdheid om eiseres, nadat zij aan de grens om asiel heeft verzocht, een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 en ook uit artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.5 van de uitspraak van 30 juli 2026 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem en neemt deze overwegingen over. De screening kan dus, anders dan eiseres veronderstelt, samengaan met een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De rechtbank voegt hieraan toe dat bewaring ter fine van het afronden van de screeningsprocedure aan de orde is zolang een vreemdeling nog géén toegang is verstrekt tot de asiel(grens)procedure. Dit volgt in zekere zin ook uit artikel 10, tweede lid, van de Screeningsverordening, waarin is neergelegd dat tijdens de screening er op moet worden toegezien dat een effectieve toegang tot de asielprocedure niet wordt gefrustreerd. Die situatie doet zich in het geval van eiseres niet voor. Zij was ten tijde van het opleggen van de maatregel al toegelaten tot de asielgrensprocedure. De ambtenaar was dan ook bevoegd om over te gaan tot bewaring in verband met de uitgestelde toegang tijdens de grensprocedure.
Verder is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure volgens de regels van de Screeningsverordening is doorlopen. Daarom zal de rechtbank niet nader ingaan op het betoog van eiseres dat de Nederlandse versie van de Screeningsverordening onjuist is en dat de voorlopige medische controle, volgens eiseres, niet is uitgevoerd. Van belang is uiteraard wel dat de ambtenaar voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, adequaat heeft beoordeeld of eiseres detentiegeschikt is en of een lichter middel in dit geval op zijn plaats is. Beide aspecten moet de ambtenaar vervolgens ook in zijn afweging betrekken. Dat heeft de ambtenaar naar het oordeel van de rechtbank ook gedaan en eiseres heeft daartegen geen gronden ingediend.
Had de minister het onderduikrisico moeten motiveren in de maatregel?
5. Eiseres voert aan dat de ambtenaar in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een risico op onderduiken en dat daarvan in haar geval ook geen sprake is.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Een risico op onderduiken is namelijk geen wettelijk vereiste voor het opleggen van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Daarvoor is namelijk slechts vereist dat eiseres aan de grens een asielaanvraag heeft gedaan en de ambtenaar heeft besloten om deze asielaanvraag in de asielgrensprocedure te behandelen.
Kan de lounge worden aangemerkt als geschikte locatie?
6. Eiseres voert aan dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat de internationale lounge geen adequate opvangfaciliteiten heeft en daarom geen geschikte screeningslocatie is in de zin van de Screeningsverordening.
Eiseres is op 23 juli 2026 op Schiphol aangekomen en toen is haar de toegang tot Nederland geweigerd. Eiseres heeft daarna tot 4 augustus 2026 in de [PI] gezeten. Op 4 augustus 2026 heeft eiseres haar asielwens geuit tijdens een zitting in het Justitieel Complex Schiphol (JCS). Om deze reden is eiseres overgebracht naar luchthaven Schiphol en is op die dag aan haar een loungemaatregel op grond van artikel 4.6 van het Vb 2000 opgelegd, durend van 4 augustus 2026 om 20.30 uur tot 5 augustus 2026 om 7.00 uur. Daarna is de screeningsfase gestart, die om 10.59 uur is afgerond. Toen is ook de vrijheidsontnemende maatregel aan eiseres opgelegd en is eiseres om 14.00 uur overgebracht naar het JCS.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018 volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. Uit het voorgaande blijkt dat eiseres slechts één nacht is opgehouden in de internationale lounge. Dat acht de rechtbank niet onredelijk lang. Eiseres heeft daarnaast geen relevante omstandigheden aangevoerd waarom dit in haar geval wel onredelijk lang is geweest. De rechtbank ziet daarvoor in het dossier ook geen aanwijzingen. Mede gelet op de duur van het verblijf ziet de rechtbank dus onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de internationale lounge op Schiphol in dit geval niet als een toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiseres verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.