ECLI:NL:RBDHA:2026:23375

ECLI:NL:RBDHA:2026:23375

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer NL26.44911
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring, artikel 59 Vw 2000, grondslag van de maatregel, algehele motivering van de maatregel, ambtshalve toets, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige van 18 augustus 2026 kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44911

(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),

en

(gemachtigde: mr. E. Özel).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.

Vooraf

4. In de schriftelijke beroepsgronden is door eiser betoogd dat zicht op uitzetting ontbreekt, waardoor de maatregel onrechtmatig is. Deze beroepsgrond is tijdens de zitting ingetrokken door eiser. De rechtbank zal daarover dus geen oordeel over geven.

Berust de maatregel van vreemdelingenbewaring op een juiste grondslag?

5. Eiser betoogt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring een feitelijke grondslag mist, omdat geen geldige uitzettingstitel aan de maatregel ten grondslag ligt. Het aanvullende terugkeerbesluit van 6 augustus 2026 vermeldt niet welke terugkeertermijn voor het aanvullende land, Marokko, geldt. Daarmee kan dit besluit niet aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag liggen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank ligt aan de maatregel een rechtsgeldig terugkeerbesluit ten grondslag, namelijk het besluit van 23 april 2024. In dit besluit is de asielaanvraag van eiser afgewezen en is aan hem een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrekplicht opgelegd. Dat besluit staat in rechte vast en is, ook zonder het aanvullende terugkeerbesluit van 6 augustus 2026, voldoende om aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag te liggen. Dat wat eiser aanvoert over het aanvullende terugkeerbesluit, behoeft daarom geen bespreking.

Is de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd?

6. Eiser betoogt dat de maatregel over het algemeen onvoldoende is gemotiveerd. In het besluit staat namelijk bovenaan op pagina 3 vermeld dat het aanvullende terugkeerbesluit op 6 augustus 2024 is opgelegd, terwijl dat onjuist is. Dat besluit is namelijk op 6 augustus 2026 opgelegd.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de minister tijdens de zitting heeft toegelicht, is hier sprake van een typefout. Dat kan de rechtbank volgen. Deze typefout maakt naar het oordeel van de rechtbank de maatregel niet onrechtmatig of onvoldoende gemotiveerd. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het aanvullende terugkeerbesluit niet aan de maatregel ten grondslag hoeft te liggen, omdat het eerdere besluit van 23 april 2024 voldoende is om de maatregel op te leggen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Kompier

Griffier

  • mr. K.H.M.M. Otten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand