RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42991
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
1. Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw (oud), in samenhang met artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw (oud). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden en hetgeen de rechtbank ambtshalve op basis van het dossier ter kennis is gekomen, beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De rechtbank hanteert in deze uitspraak de landsnaam Congo, waarmee bedoeld wordt te verwijzen naar de Democratische Republiek Congo.
2. Procesverloop
Het asielrelaas
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In de maatschappij worden Tutsi zoals eiser niet als Congolezen gezien. Eiser stelt dat hij uit Zuid-Kivu komt en dat hij als typische Munyamulenge makkelijk kan worden herkend door andere groepen. In 2005, 2008 en 2012 is eisers dorp dan ook aangevallen door Mai-Mai rebellen. Eiser is alle drie de keren meegenomen, vastgehouden en mishandeld. In 2008 zijn daarbij zijn vader, moeder en zus omgekomen. Na de laatste aanval is eiser bij toeval ontsnapt en is hij geholpen het land te verlaten.
Achtergrond
Eiser heeft eerder op 12 maart 2013 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 18 december 2013, omdat – samengevat – eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig werden geacht. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 16 december 2014 (Awb 14/613) gegrond verklaard, waarbij de minister is opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen.
Bij besluit van 19 mei 2015 heeft de minister het asielverzoek van eiser opnieuw afgewezen omdat de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig werden geacht. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond bij uitspraak van 29 februari 2016 (Awb 15/11582).
Op 16 mei 2017 heeft eiser wederom een asielverzoek ingediend. Dit asielverzoek is door de minister niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 18 mei 2017. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, bij uitspraak van 7 juni 2017 (NL17.2440) gegrond verklaard met instandhouding van de rechtsgevolgen. Deze uitspraak is bevestigd door de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2017 (nr. 201704819/1/V2).
Op 26 september 2019 heeft eiser de derde asielaanvraag gedaan. De minister heeft bij beschikking van 7 januari 2020 de asielaanvraag afgewezen, maar daarbij op basis van een door eiser overgelegd paspoort wel de identiteit en Congolese nationaliteit geloofwaardig geacht. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle (NL20.940), van 18 september 2020, is het beroep van eiser tegen het besluit van 7 januari 2020 gegrond verklaard en heeft de rechtbank dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat eiser zijn herkomst uit Zuid-Kivu niet met documenten heeft onderbouwd. De minister heeft bij besluit van 16 december 2020 de asielaanvraag van 26 september 2019 opnieuw afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, (NL20.21788) van 8 april 2021, is het beroep van eiser ongegrond verklaard, omdat – kort samengevat – de overgelegde documenten de herkomst van eiser onvoldoende onderbouwen en de herkomst daarom niet aannemelijk is gemaakt. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2022.
Huidige procedure
Op 28 februari 2023 heeft eiser de onderhavige (vierde) aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag vier documenten ten grondslag gelegd, zijnde een verklaring van stichting Inlia, een taalanalyse van Sprakab, een rapport UNHCR Position Paper en een uitspraak van de zittingsplaats Roermond van 17 juni 2022. Eiser persisteert bij de door hem gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst en het asielrelaas zoals dat door hem bij zijn eerste asielverzoek is gepresenteerd. Eiser stelt dat hij behoort tot de Banyamulenge, dat hij afkomstig is uit Zuid-Kivu en problemen heeft gehad met de Mai Mai en dat zijn asielaanvraag op zwaarwegendheid moet worden beoordeeld.
De minister heeft met het bestreden besluit van 28 oktober 2024 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde heeft gesteld die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoekschrift in zaak NL24.42992, op 3 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is er een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting is direct aansluitend in zaak NL24.42992 bij mondelinge uitspraak een voorlopige voorziening toegewezen. De onderhavige zaak is aangehouden in afwachting van een nadere taalanalyse die door eiser zou worden aangevraagd.
Op 31 juli 2025 is een eerste reactie van het taalanalysebureau Verified door eiser ingediend, met conclusies op basis van reeds aanwezige rapporten van Sprakab en TOELT. Eiser heeft vervolgens om een extra termijn gevraagd om Verified een uitgebreidere analyse te laten verrichten. De rechtbank heeft de zaak hierop aangehouden en Verified heeft vervolgens een uitgebreider rapport opgesteld met dagtekening 30 december 2025. Partijen hebben vervolgens de gelegenheid gekregen hun standpunt over dit rapport kenbaar te maken. Op 14 juli 2026 heeft een nieuwe zitting plaatsgevonden.
3. Standpunten van partijen
Het bestreden besluit
De minister heeft zich in het voornemen op het standpunt gesteld dat geen sprake is van relevante nieuwe feiten of bevindingen. De minister heeft daarbij gewezen op een weerwoord van taalanalysebureau TOELT. De rapportage van de UNHCR wordt door de minister terzijde geschoven, omdat eiser niet wordt gevolgd in zijn gestelde herkomst, zodat een rapport van de UNHCR over binnenlandse beschermingsalternatieven niet relevant is. De uitspraak van zittingsplaats Roermond, waar eveneens een ingebrachte taalanalyse aan de orde was, is volgens de minister niet relevant, omdat in die zaak geen weerwoord van TOELT aanwezig was, terwijl die ten aanzien van eiser wel aanwezig is. In het bestreden besluit is verder puntsgewijs op de door eiser ingebrachte zienswijzen ingegaan.
De minister wijst in het bestreden besluit, in aanvulling op het voornemen, er onder meer op dat eiser een Belgisch visum had, waarop de Burundische nationaliteit stond, hetgeen door eiser zou zijn verzwegen. Daarnaast volgt uit de onherroepelijke uitspraak van 2016 dat sprake was summiere verklaringen aangaande de gestelde herkomstomgeving en dat dit ook reden was om de herkomst niet te volgen. Daarbij overlegde eiser weliswaar documenten maar geen identificerende documenten. En er waren ook redenen om aan deze documenten te twijfelen ook al zouden ze echt worden bevonden, dit volgt volgens de minister allemaal uit de uitspraak van 2016. Dat eiser in 2019 een paspoort overlegde, maakt niet dat de twijfels rondom de herkomst niet gegrond bleken. Het maakt enkel dat de minister vanaf toen wel van eisers nationaliteit en identiteit moest uitgaan. Ten aanzien van eerder overgelegde documenten verwijst de minister verder naar de overweging van de uitspraak van de rechtbank uit 2021, waarin werd overwogen:
“Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met een verwijzing naar de verklaring van BD van 9 oktober 2019 kunnen oordelen dat niet kan worden uitgegaan dat de inhoud van de door eiser overlegde geboorteverklaringen en huwelijksverklaring juist is, en daarom ook geen waarde kan worden gehecht aan de omstandigheid dat Zuid-Kivu als geboorteplaats van de kinderen of plaats van huwelijk is opgenomen.”
Ook overige documenten werden volgens de minister niet gezien als dat zij de herkomst van
eiser onderbouwden.
De minister stelt daarbij verder dat een taalanalyse, ook in het geval van de inhoud ervan wordt uitgegaan, de herkomst niet aannemelijk maakt. Eiser kan immers een taal spreken zonder dat hij langere tijd in bepaalde gebieden heeft gewoond.
Gronden van eiser
Eiser wijst erop dat de minister zelf een taalanalyse van belang heeft geacht, zodat de minister om die reden de rapportage van Sprakab niet als irrelevant terzijde kan stellen. Daarbij is ook van belang dat er in de loop van de asielprocedures van eiser een flink aantal
onderdelen van de verklaringen van eiser alsnog zijn komen vast te staan. Gelet op het feit dat de minister de relevantie van de taalanalyse van Sprakab heeft miskend, heeft de minister eveneens het belang van een expertise-inbreng op de reactie van TOELT miskend. Verweerder had eiser derhalve wel degelijk in de gelegenheid moeten stellen om te reageren op de taalanalyse van TOELT middels een expertise-inbreng. Door de zaak niet “VA te sturen” en de resultaten van een expertise af te wachten heeft de minister onzorgvuldig gehandeld. Eiser wijst er verder op dat (reeds in eerdere procedures) de identiteit en nationaliteit zijn komen vast te staan. Eiser begrijpt verder niet waarom de minister stelt dat eiser (reeds in eerdere procedures) zou hebben verzwegen dat er sprake was van een Belgisch visum waarop de Burundische nationaliteit vermeld stond. Eiser is nimmer een terugkeerbesluit gebaseerd op een dergelijke nationaliteit gegeven en bovendien is tussen partijen komen vast te staan dat eiser de Congolese nationaliteit heeft.
De verklaringen die eiser over zijn herkomst heeft gegeven en die aanvankelijk onvoldoende werden geacht, moeten verder worden bezien in het licht van de inmiddels hoeveelheid aan overgelegd bewijsmateriaal, waaronder een paspoort waarop zijn geboorteplaats staat. Met het paspoort is, zoals naar voren gebracht, komen vast te staan dat hij is geboren in [geboorteplaats] , hetgeen eiser ten tijde van de geboorte plaatst in het gebied van zijn herkomst. De geboorteaktes vermelden Zuid-Kivu als geboorteplek voor de kinderen van eiser in 2009 en 2011, hetgeen het aannemelijk maakt dat hij zich ook in die peridode heeft bevonden in dat gebied. Als wordt bedacht dat eiser in 2013 asiel heeft gevraagd in Nederland, betekent het voorgaande dat aannemelijk is dat eiser zich minder dan 2 jaren voor zijn vertrek uit het land van herkomst, Congo, in Zuid-Kivu bevond, het door eiser naar voren gebrachte herkomstgebied. Bovendien is eiser in 2009 gehuwd in Zuid-Kivu, zoals volgt uit de huwelijksakte. Deze aspecten zijn in de loop van de periode tussen 2013 en nu komen vast te staan, waardoor duidelijk is dat eiser erin is geslaagd om een heel groot deel van zijn verklaringen aan te tonen. Onder die omstandigheden volstaat het simpelweg verwijzen naar verklaringen die in het verleden onvoldoende zijn bevonden, niet. Belangrijker, onder die omstandigheden neemt de waarde van een taalanalyse toe.
Eiser wijst er verder op dat uit de uitspraak van de Afdeling in zijn procedure afgeleid kan worden dat hij zijn herkomst wel met documenten heeft onderbouwd, alleen (destijds) nog niet voldoende aannemelijk had gemaakt.
Eiser meent verder dat de reactie van TOELT van 2024 op het rapport van Sprakab voornamelijk gebaseerd is op de TOELT-rapportage van 2013, terwijl die rapportage als gevolg van een eerdere uitspraak van de rechtbank niet bij de besluitvorming mocht worden betrokken.
De minister heeft volgens eiser onzorgvuldig gehandeld en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het rapport van Sprakab niet kan bijdragen aan het aannemelijk maken van de herkomst van eiser. Eiser ziet daarbij niet in wat het belang is van het punt dat de taalanalist van Sprakab geen native speaker is. Immers, onbestreden staat vast dat hij deskundig is op het gebied van het beoordelen van het taalgebruik uit de relevante taalgebieden in de relevante talen. Niet valt in te zien dat het niet zijn van native speaker aan die deskundigheid afbreuk doet. Verder is van belang dat ook voor een leek is vast te stellen dat de duiding van het rapport van Sprakab door TOELT fouten bevat, zoals de benadrukking van de waarschijnlijkheid (likely in plaats van high). Dit doet hoe dan ook afbreuk aan de inzichtelijkheid van het rapport en aan de concludentie ervan, bovendien is het rapport daarmee gedeeltelijk onjuist. De minister heeft daar ten onrechte geen aandacht aan geschonken, ondanks hetgeen bij zienswijze naar voren is gebracht. Dat is onzorgvuldig nu de minister zich van het een en ander had moeten vergewissen, en legt voorts een motiveringsgebrek bloot.
Voor wat betreft de rapportage van Verified wijst eiser erop dat de taalanalist geen stellig oordeel velt, maar dat laat volgens eiser onverlet dat deze taalanalist toch een groot aantal redenen opsomt om eiser te volgen in de door hem gestelde herkomst. Daarbij komt dat de stelling van de minister dat eiser afkomstig zou zijn uit een andere taalgemeenschap of zelfs een ander land, door dit rapport goeddeels wordt weerlegd. Immers, er is kennelijk voor een dergelijke stellige conclusie geen ruimte. Eiser heeft in reactie op het rapport nog gesteld dat hij is opgegroeid in een polyglottische familie en dat veel van zijn docenten en speelmaatjes een andere taalachtergrond hadden. Eiser wijst er verder op dat Verified nog heeft aangegeven een analyse naar de taalbiografie van eiser te kunnen maken.
Gegeven het geheel aan aanwijzingen en bewijs aan de zijde van eiser – eiser wijst daarbij ook op de eerdere bewijsstukken/documentatie uit eerdere procedures – en het ontbreken van overtuigend bewijs voor het tegendeel, is eiser van mening dat hij zijn herkomst afdoende aannemelijk heeft gemaakt en dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet moet worden gevolgd in zijn herkomst. Eiser meent dat er inmiddels voldoende informatie ligt voor de rechtbank om, gelet op de arresten Quotal en Ebilum, nu zelf een oordeel te geven, de herkomst van eiser geloofwaardig te achten en aan eiser internationale bescherming te verlenen. Subsidiair verzoekt eiser de rechtbank nader onderzoek te gelasten naar de taalbiografie van eiser. Meest subsidiair verzoekt de eiser de rechtbank het bestreden besluit te vernietigen met een opdracht aan de minister om een nieuw besluit te nemen.
Verweer van de minister
De minister heeft in reactie op het rapport van Verified een reactie van TOELT ingebracht. Volgens TOELT geeft het rapport van Verified geen eenduidige conclusie. De taalanalyse kan de hypothese dat betrokkene Kinyamulenge spreekt bevestigen noch ontkennen. De rapportage van Verified is daardoor niet concludent.
De bevindingen van de taalanalist zijn dat betrokkene een vorm van Rwanda-Rundi op moedertaalniveau spreekt, maar dat de variant van betrokkene op het gebied van vormleer en woordenschat op meerdere punten afwijkt van het Kinyamulenge zoals dat gesproken wordt in Congo. Volgens TOELT kunnen deze bevindingen gezien worden als een ontkenning van de hypothese van Verified dat betrokkene authentiek Kinyamulenge spreekt. Overigens blijkt uit de voorbeelden aangaande de uitspraak niet dat de spraak van betrokkene specifiek Kinyamulenge is. Veel voorbeelden aangaande de uitspraak laten zien dat de uitspraak Kinyamulenge kan zijn, maar dat deze uitspraak ook voorkomt in een andere variant van Rwanda-Rundi.
Betrokkene voert enkele gestelde omstandigheden aan (zoals gesteld contact met familieleden, leraren en speelkameraadjes uit Rwanda en Burundi) die zouden verklaren waarom volgens het rapport taalanalyse van Verified niet vastgesteld kan worden dat betrokkene Kinyamulenge spreekt. Het is uiteraard mogelijk dat iemand in contact kan komen met sprekers van het Kirundi en Kinyarwanda, in zijn gestelde herkomstgebied in Congo. Het is echter niet zo dat het hierdoor voor betrokkene niet meer mogelijk is om op authentieke wijze zijn moedertaal Kinyamulenge te spreken.
Tot slot stelt de minister dat het beter zou zijn geweest als het rapport taalanalyse van Verified ook de overige talenkennis van betrokkene (met name het Swahili en Frans) had betrokken bij het formuleren van een conclusie over de aannemelijkheid van het gestelde herkomstgebied. De consultant 1732 uit Congo spreekt zelf Kinyamulenge en Swahili op moedertaalniveau en had in zijn rapport eenvoudig vast kunnen stellen of betrokkene Kinyamulenge en Swahili spreekt, zoals verwacht mag worden van een Munyamulenge die geboren en opgegroeid is in Zuid-Kivu (Congo).
De minister stelt verder dat onduidelijk is hoe de consultant 1732 bij de totstandkoming van het rapport van Verified is betrokken, zodat het rapport in zoverre ook niet inzichtelijk is.
4. Het oordeel van de rechtbank
Is er sprake van relevante nieuwe elementen?
Inleiding
Kern van de zaak is of de minister de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. Daarbij staat de vraag centraal of de door eiser aan zijn nieuwe aanvraag ten grondslag gelegde elementen, in samenhang bezien met de overige informatie in het dossier, inclusief die uit vorige procedures, als relevante nieuwe elementen in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 (oud) moeten worden gezien.
Juridisch kader
In beginsel kan worden afgegaan op een door een partij ingebracht deskundigenadvies, zoals een taalanalyse, als dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Partijen kunnen concrete aanknopingspunten naar voren brengen die leiden tot twijfel over de zorgvuldigheid van de totstandkoming, de begrijpelijkheid van de redenering en het aansluiten daarop van de conclusies. Als dergelijke aanknopingspunten naar voren zijn gebracht, mag niet zonder nadere motivering op het deskundigenadvies worden afgaan. De rechtbank kan zo nodig zelf een onafhankelijk deskundige benoemen.
De rechtbank is verder verplicht om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van het bestreden besluit volledig en ex nunc te onderzoeken op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van de zaak, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, ongeacht of al deze elementen waren opgenomen in de middelen van het beroep waarmee het verzoek om rechterlijke toetsing werd ingeleid. Een dergelijk ambtshalve onderzoek moet een beoordeling omvatten van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en van de eerbiediging van het beginsel van nonrefoulement.
Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld of waarvan de bron niet objectief verifieerbaar is, niet om die reden buiten beschouwing mogen worden gelaten. De minister is (juist) verplicht om samen te werken met een verzoeker bij de beoordeling van de relevante elementen van diens verzoek, als de verzoeker ter staving van dat verzoek documenten overlegt waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld.
Daarnaast vormt elk arrest van het Hof, daaronder begrepen een arrest waarin enkel een bepaling van het Unierecht wordt uitgelegd die reeds van kracht was op het tijdstip waarop op een vorig verzoek werd beslist, een nieuw element in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 (oud), ongeacht het tijdstip waarop het arrest is gewezen, indien het de kans aanzienlijk groter maakt dat de verzoeker in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.
Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de omstandigheid dat een element ter staving van een volgend verzoek reeds is beoordeeld in het kader van de behandeling van een eerder verzoek om internationale bescherming dat heeft geleid tot een definitief geworden afwijzende beslissing, er niet aan in de weg staat dat de autoriteit die uitspraak doet over het volgende verzoek, een dergelijk element opnieuw onderzoekt in het licht van de omstandigheden die naar voren zijn gebracht door de nieuwe elementen of bevindingen. Zowel de minister als de rechtbank is gehouden, wanneer zij uitspraak doet over de gegrondheid van een volgend verzoek om internationale bescherming, de ter staving van het verzoek om internationale bescherming aangevoerde feitelijke elementen te onderzoeken, ook wanneer deze feiten reeds zijn beoordeeld door de autoriteit die een eerste verzoek om internationale bescherming definitief heeft afgewezen.
In artikel 4 van Verordening (EU) 2024/1347 is tot slot, voor zover relevant, het volgende geregeld:
“5. Wanneer een of meer specifieke aspecten van de verklaringen van de verzoeker niet met documenten of ander bewijsmateriaal worden gestaafd, wordt geen aanvullend bewijsmateriaal verlangd met betrekking tot deze specifieke aspecten wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:
a. a) de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn of haar verzoek om internationale bescherming te staven;
b) alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;
c) de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn of haar verzoek;
d) vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.”
Samengevat komt het voorgaande erop neer dat voor zover een verzoeker verklaringen heeft afgelegd die niet aan de criteria van artikel 4 lid 5 van Verordening (EU) 2024/1347 voldoen, hij bewijs moet aanleveren die de daardoor ontstane twijfels over diens relaas doen wegnemen. Hoe sterk dat bewijs moet zijn, zal afhangen van de mate waarin de verklaringen onder de grens van voornoemde bepaling zijn. In een opvolgende aanvraag als de onderhavige dient de rechtbank daarbij niet alleen acht te slaan op de aan de nieuwe aanvraag ten grondslag gelegde bewijsstukken, maar dient zij ook ambtshalve het dossier te beoordelen en eventueel bewijs dat daarin wordt gevonden bij de beoordeling te betrekken. Daarbij moet de rechtbank ook bewijsmateriaal uit eerdere procedures betrekken, ongeacht of die procedures reeds met een beschikking met formele rechtskracht van de minister of onherroepelijk oordeel van een rechterlijke instantie zijn afgedaan. Bij ieder nieuw verzoek dient de rechtbank de nieuw overgelegde elementen te onderzoeken in samenhang met het gehele dossier, waaronder dus elementen die reeds eerder zijn onderzocht, omdat de aan het nieuwe verzoek ten grondslag gelegde elementen juist een nieuw licht op de zaak kunnen werpen. De rechtbank is daarbij bovendien verplicht om rechtspraak van het Hof, in het bijzonder wanneer deze is gewezen na eerder afgesloten procedures, als nieuw element in een opvolgende procedure te betrekken indien het de kans aanzienlijk groter maakt dat de verzoeker in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.
Toegepast op de zaak
Eiser heeft in deze procedure twee taalanalyses overgelegd, een die concludeert dat zijn taal overeenkomt met Kinyamulenge (Sprakab), de in Zuid-Kivu dominante taal van de Banyamulenge, en een die er geen eenduidige conclusie over geeft (Verified), maar waar uit de motivering wel naar voren komt dat de taal die eiser spreekt overeenkomsten vertoont met Kinyamulenge. Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze taalanalyses als relevante nieuwe elementen te worden gekwalificeerd en had de minister reeds om die reden de aanvraag niet als niet-ontvankelijk mogen afwijzen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Eiser heeft in reactie op het rapport van Verified gesteld dat hij diffuser is gaan praten door verschillende taalmaatjes c.q. polyglottisch is opgegroeid. De rechtbank overweegt in dit verband dat het opgroeien in een polyglottische omgeving er blijkens wetenschappelijke literatuur inderdaad toe kan leiden dat een persoon minder vloeiend wordt in zijn primaire taal. Het is een bekend fenomeen bij kinderen die meertalig opgroeien. Dit wordt ook ondersteund door het deskundigenrapport zelf, nu Verified op het voorblad en op pagina 5, onder paragraaf 4, van diens deskundigenbericht aangeeft dat in de morfologie sprake is van “mixed realisations”, maar dat dit verklaard kan worden door “socialisation in more than one linguistic community”. Dit wordt ook bevestigd door de bijlage bij het rapport met de titel “LOID – Method and Limitations”.
Aangezien het rapport van Verified verder ook niet expliciet ontkent dat eiser Kinyamulenge spreekt, en uit de motivering van dat rapport blijkt dat eiser op onderdelen wel taalgebruik hanteert dat met Kinyamulenge overeenkomt, is de rechtbank van oordeel dat het rapport van Verified, in combinatie gezien met het rapport van Sprakab en tegen de achtergrond van eisers verklaringen over zijn opgroeiomgeving, beter in het scenario past dat eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is en tot de Banyamulenge behoort, dan dat hij een andere herkomst heeft. Dit wordt nog verder ondersteund door het gegeven dat tussen partijen niet in geschil is, en door de minister ter zitting ook expliciet is erkend, dat eiser een taal spreekt die behoort tot het continuüm van Rwanda-Rundi, waar Kinyamulenge deel van uitmaakt. Uit het rapport van Verified, in paragraaf 1.3, staat daarover vermeld:
“Kinyamulenge is spoken in South Kivu province, eastern Democratic Republic of the Congo (Kimenyi, 2006, p. 217) by the Banyamulenge ethnic group (Language Connections, 2024). Kinyamulenge belongs to group J of the central Bantu languages and more specifically to the JD60 continuum of Rwanda-Rundi (Lewis, Simons, & Fennig, 2015; Nassenstein, 2019, p. 11). Other languages and dialects within this continuum include Kirundi, the official language of Burundi; Kinyarwanda, the official language of Rwanda; Kinyabwisha, which is spoken in North Kivu province, eastern Democratic Republic of the Congo and Rufumbira, which is spoken in Kisoro district, southwestern Uganda (Kimenyi, 2006, p. 217; Lewis, Simons, & Fennig, 2015; Nassenstein, 2019, p. 1).”
Aangezien tussen partijen voorts niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Congo, kan worden vastgesteld dat de taal die eiser spreekt hem plaatst in Noord- dan wel Zuid-Kivu. De overige geografische gebieden die in dit citaat worden genoemd bevinden zich immers buiten Congo. Aangezien verder Kinyabwisha de taal uit het continuüm van Rwanda-Rundi is dat wordt geassocieerd met Noord-Kivu en in geen van de overgelegde rapporten, ook niet uit die van TOELT, blijkt dat eiser taalgebruik heeft gehanteerd dat met Kinyabwisha overeenkomt, ondersteunt het rapport van Verified in combinatie met de Congolese nationaliteit van eiser aldus de stelling van eiser dat hij tot de Banyamulenge behoort en uit Zuid-Kivu afkomstig is. Aldus had de minister de taalanalyses moeten kwalificeren als relevante nieuwe elementen, nu deze, beschouwd tegen de achtergrond van eisers vastgestelde Congolese nationaliteit, de gestelde herkomst uit Zuid-Kivu aanzienlijk aannemelijker maakt. Aangezien een herkomst uit Zuid-Kivu, en overigens ook een herkomst uit Noord-Kivu, volgens het eigen beleid van de minister moet leiden tot het verlenen van internationale bescherming, maken de taalanalyses de kans aanzienlijk groter dat eiser voor internationale bescherming in aanmerking komt.
Dat de minister onder verwijzing naar een rapport van TOELT nog stelt dat de rapportage van Sprakab niet concludent zou zijn, doet aan het voorgaande geen afbreuk. TOELT baseert zich daarbij namelijk deels op de KIR1-rapportage, die evenwel als gevolg van de uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Roermond van 16 december 2014 niet in de besluitvorming mag worden betrokken. Dat eiser, blijkens de conclusies van TOELT, woorden gebruikt die in meerdere talen voorkomen, waaronder ook Kinyarwanda en Kirundi, doet verder evenmin afbreuk aan de conclusies van Sprakab. Niet is betwist immers dat de gestelde woorden ook voorkomen in Kinyamulenge, zodat niet valt in te zien dat Sprakab diens conclusies niet mede op de door eiser getoonde woordenschat mocht baseren. Dat verder geen analyse van de beheersing van Swahili is gemaakt, doet aan het voorgaande evenmin afbreuk. Niet wordt betwijfeld dat Kinyamulenge de spreektaal is van Banyamulenge in Zuid-Kivu, zodat het de rechtbank ook niet inconcludent voorkomt dat een analyse aan de hand van Kinyamulenge wordt verricht om de herkomst van eiser te onderbouwen. Dit klemt temeer nu de nationaliteit van eiser (Congolees) op basis van zijn paspoort reeds vaststaat, en de taalanalyse dus slechts dient ter onderbouwing uit welk deel van Congo eiser dan afkomstig is. Dat de analist van Sprakab verder geen native speaker zou zijn, is evenmin relevant. Dat een taalanalist geen native speaker is, betekent immers nog niet zonder meer dat deze analist niet gespecialiseerd zou kunnen zijn ten aanzien van de taalovereenkomsten die hij analyseert. Anders gezegd: het zijn van een native speaker is niet zonder meer een voorwaarde om taalanalist ten aanzien van een specifieke taal te kunnen zijn.
De kritiek van de minister op het rapport van Verified wordt door de rechtbank eveneens verworpen. Volgens de minister zijn bij het Verified rapport een analist en een consultant betrokken, terwijl onduidelijk is welke inbreng de consultant heeft gehad en of hij de opnames überhaupt heeft beluisterd. Daarmee is volgens de minister dat rapport niet inzichtelijk. Dit standpunt wordt door de rechtbank niet gevolgd. Hoewel de minister terecht stelt dat de inbreng van de consultant onduidelijk is, bevat het rapport in de bijlage wel een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksopzet, terwijl uit de inhoud van het rapport blijkt welke analyses de analist heeft uitgevoerd en – door ondertekening van de linguïst – blijkt dat het rapport uiteindelijk door en onder verantwoordelijkheid van de linguïst op basis van de bevindingen van de analist is opgesteld. Aldus is duidelijk dat de conclusies afkomstig zijn van de linguïst op basis van de bevindingen van de analist, en is het rapport in zoverre voldoende inzichtelijk.
Kan de rechtbank zelf de behoefte aan internationale bescherming vaststellen?
Juridisch kader
Blijkens de arresten Quotal en Ebilim komt de rechtbank de bevoegdheid toe om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Dit houdt in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen. Indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens heeft de rechtbank de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
De rechtbank zal in haar beoordeling van de feiten verder landeninformatie moeten betrekken waarvan zij niet onkundig mag zijn. Aangezien ook de minister geacht mag worden van die landeninformatie op de hoogte te zijn, dient het gegeven dat de minister zich over dergelijke landeninformatie in een concreet besluit of elders in de procedure niet volledig heeft uitgelaten voor diens rekening en risico te blijven, indien en voor zover het gaat om landeninformatie die ten tijde van het bestreden besluit al bekend was. Het gaat in die gevallen immers niet om nieuwe elementen die pas in beroep naar voren zijn gekomen, als bedoeld in onder meer punten 47, 48 en 52 van het arrest Ebilum, maar om elementen waarmee de beslissingsautoriteit rekening had kunnen houden, als bedoeld in punt 44 van dat arrest.
Toegepast op de zaak – de herkomst van eiser
De minister heeft in alle opvolgende aanvragen en ook in de onderhavige procedure, mede gezien de door rechtbank aan partijen medegedeelde agenda, de gelegenheid gehad om zich over alle in het dossier bevindende verklaringen en bewijsstukken uit te laten, zodat het beginsel van hoor- en wederhoor is geëerbiedigd. Gelet op voornoemd kader betekent dit dat de rechtbank mede op basis van deze feiten een eigen uitputtende en geactualiseerde beoordeling mag verrichten. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.
De rechtbank wijst er allereerst op dat de oorspronkelijke afwijzing van de aanvraag van eiser met name gelegen was in het feit dat hij summiere en vage verklaringen zou hebben afgelegd over zijn herkomst. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 16 december 2014, werd daarover overwogen:
“12. Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat eiser over onvoldoende
kennis beschikt ten aanzien van zijn leefomgeving en bevolkingsgroep. Eiser weet niet in
welke richting [plaats 1] ligt vanuit [geboorteplaats] en hij kan geen nationale parken of
natuurreservaten noemen. Eiser is slechts in staat twee van de acht territoires in Zuid-Kivu
te noemen, hij is niet bekend met de naam van de grote weg die recht door [geboorteplaats] loopt en hij benoemt de naam van de provinciehoofdstad onjuist. Eiser is in staat slechts twee namen
van substammen binnen zijn stam te noemen, terwijl er tientallen zijn en hij stelt ten
onrechte als Banyamulenge alles te mogen eten. Ten aanzien van kennis over stamgebonden
traditionele muziek, instrumenten en traditionele kleding blijft eiser eveneens in gebreke.
Gelet op de twijfel over de door eiser gestelde herkomst heeft verweerder besloten een
taalkundig onderzoek uit te voeren.
[…]
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen
concluderen dat eiser weinig gedetailleerde en vage verklaringen heeft afgelegd over zijn
leefomgeving en bevolkingsgroep. Aan eiser zijn veel vragen gesteld over zijn
herkomstgebied en hij was niet in staat deze vragen te beantwoorden, noch heeft hij tijdens
de gehoren een verklaring hiervoor gegeven. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft
verweerder dan ook voldoende inzichtelijk gemaakt waarom een taalanalyse is verricht.”
Hoewel de rechtbank vervolgens om andere redenen het besluit vernietigde – zo moest er nog onderzoek worden gedaan naar overgelegde documenten en was er ten aanzien van het TOELT-rapport niet voldaan aan de vergewisplicht – bleven de vage en summiere verklaringen staan en werden deze ook in het nieuwe besluit van 2015 aan eiser tegengeworpen, welk besluit bij uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Roermond van 29 februari 2016 in stand werd gelaten. In die uitspraak overwoog de rechtbank over de verklaringen van eiser onder meer het volgende:
“6. In geding is de vraag of verweerder op goede gronden de door eiser ingediende
asielaanvraag heeft afgewezen. Bij beantwoording van die vraag geldt de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2014 als uitgangspunt.
In deze uitspraak heeft de rechtbank - samengevat weergegeven - geoordeeld dat
verweerder in redelijkheid het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de
Vw 2000 aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft
verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat eiser weinig gedetailleerde en vage verklaringen heeft afgelegd over zijn leefomgeving en bevolkingsgroep. Aan eiser zijn veel vragen gesteld over zijn herkomstgebied, maar hij was niet in staat deze te beantwoorden noch heeft hij tijdens de gehoren hiervoor een verklaring gegeven. […]”
Het betoog van eiser dat de rechtbank in de uitspraak van 16 december 2014 slechts een marginaal oordeel heeft gegeven vanwege het toen nog geldende toetsingskader van de positieve overtuigingskracht, doet hier niet aan af. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1201 en ECLLNL:RVS:2015:1203). In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WBV 2014/36 en werkinstructie 2014/10, geen wijziging is van beleid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, en dus geen wijziging van het recht is. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om op dit punt tot een ander oordeel te komen.”
Deze overwegingen van de rechtbank in diens uitspraken van 2014 en 2016 zijn aldus geschreven onder het – destijds – geldende beoordelingskader van de positieve overtuigingskracht die, gelet op het bepaalde in artikel 4 lid 5 van Verordening (EU) 2024/1347 en de uitleg die daaraan onder invloed van de rechtspraak van het Hof is gegeven, thans geen stand meer kan houden. De verklaringen van eiser dienen immers steeds, samen met de door hem overgelegde bewijsstukken, in samenhang te worden beoordeeld. De rechtbank dient dit kader van artikel 4 lid 5 van Verordening (EU) 2024/1347, gelet op de ex-nunc beoordeling van de juridische gronden, bij de onderhavige beoordeling te betrekken. Dat deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in 2016 nog oordeelde dat “de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WBV 2014/36 en werkinstructie 2014/10, geen wijziging is van beleid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000” doet hieraan geen afbreuk. De rechtbank is immers, gelet op het arrest van het Hof van 13 juni 2024, verplicht om de verklaringen van eiser in het licht van de thans overgelegde taalanalyses opnieuw te beoordelen en dient in dat verband die verklaringen dus ook opnieuw tegen de achtergrond van het beoordelingskader van artikel 4 lid 5 Verordening (EU) 2024/1347 en de daaraan gegeven uitleg van het Hof te beoordelen.
Inmiddels staat blijkens de rechtspraak van het Hof bovendien vast dat de rechtbank bij die beoordeling ambtshalve een eigen en uitputtend onderzoek naar de feiten dient te verrichten, en zich niet mag beperken tot een terughoudende toets, zoals destijds in de uitspraak van de zittingsplaats Roermond is verricht. Aangezien de rechtbank de door eiser overgelegde nieuwe elementen in samenhang met de eerder beoordeelde elementen moet beschouwen, betekent dit dat de uitspraak uit 2014 van de zittingsplaats Roermond ook niet meer tot uitgangspunt in de beoordeling mag worden betrokken, zoals tot nu wel steeds is gebeurd, en dat de rechtbank een uitputtend onderzoek naar de nieuwe elementen (de taalanalyses), in samenhang met eerder beoordeelde elementen (waaronder het asielrelaas van eiser), zal dienen te verrichten.
Tegen die achtergrond bezien stelt de rechtbank voorop dat de tegenwerpingen in de besluitvorming, zoals deze hiervoor in voornoemde uitspraken zijn aangehaald, van relatief gering gewicht zijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser destijds met name is tegengeworpen dat hij slechts twee substammen zou kennen, ten onrechte zou stellen dat er geen traditionele kleding voor Banyamulenge is en dat Banyamulenge alles zouden mogen eten. Verder wordt hem een gebrek aan topografische kennis tegengeworpen.
De rechtbank overweegt in dit verband evenwel dat hoewel uit algemene landeninformatie kan worden afgeleid dat het dieet van Banyamulenge vooral gebaseerd is op melk, vlees en koeproducten, er door de rechtbank geen recente bronnen gevonden werden die een taboe op bepaalde voedselproducten beschreven. Er kon door de rechtbank slechts een auteur worden gevonden die stelt dat varkens als onrein werden beschouwd en, in een verder verleden, het eten van kip als beschamend werd ervaren. Die auteur baseert zich hiervoor echter voornamelijk op informatie die hij van ouderen van de stam in de periode 1999 t/m 2002 c.q. 2004 heeft verkregen en diezelfde auteur erkent dat veel gebruiken van de Banyamulenge in onbruik zijn geraakt. Bovendien memoreert die auteur dat jongere generaties (destijds al) niet de kans hadden om de geschiedenis van de stam te leren, en dat de huidige generatie van destijds al de verbinding met hun culturele ‘roots’ was verloren. Waarom eiser dan kennis zou moeten hebben over traditioneel ‘verboden’ voedingsmiddelen, valt niet zonder meer in te zien. Ook de minister heeft geen bronnen aangehaald waaruit dit zou kunnen blijken.
Eiser heeft verder wel verklaringen afgelegd over zijn dieet, die volgens hem bestaat uit bonen, melk en maïs, en die verklaringen komen overeen met algemene landeninformatie over Banyamulenge in Zuid-Kivu.
Hoewel verder Banyamulenge traditionele kleding hadden, geldt ook hier dat veel gebruiken in onbruik zijn geraakt. In hoeverre van een persoon afkomstig uit de Banyamulenge stam dan kennis over die traditionele kleding kan worden verwacht, is niet door de minister onderbouwd, en kan de rechtbank evenmin uit openbare informatie afleiden.
Tot slot kan er weliswaar sprake zijn van meerdere substammen, maar de minister heeft destijds niet uitgevraagd waarom eiser er ‘slechts’ twee kent. Bovendien is ook niet onderbouwd welke kennis van muziek, instrumenten en traditionele kleding eiser zou moeten hebben, terwijl uit de verklaringen die eiser destijds in het nader gehoor had gegeven, wel degelijk kennis over deze onderwerpen blijkt, zo verklaart eiser onder meer over het dieet, het spelen van muziek op gitaar en andere instrumenten en het zingen van kerkliederen, terwijl eiser hier ook niet meer verder op is bevraagd.
Ten aanzien van de topografische kennis heeft de minister destijds niet onderbouwd waarom eiser deze kennis, tegen de achtergrond van zijn referentiekader, zou moeten hebben. Uit recente ontwikkelingen in de psychologische wetenschap kan daarbij worden afgeleid dat afhankelijk van de cultuur en regio waarin men opgroeit, maar ook doorgemaakt trauma, een verschil kan ontstaan in elementen die personen onthouden. De rechtbank ziet daarom niet direct in waarom eiser, nu hij stelt afkomstig te zijn uit een door oorlog geteisterd gebied en stelt te behoren tot de Banyamulenge, die voornamelijk uit veehouders bestaat, de topografische kennis zou moeten hebben die hem in de besluitvorming, als samengevat in voornoemde overwegingen van de zittingsplaats Roermond, wordt tegengeworpen. Dat eiser, zoals in het besluit van 16 december 2013 is tegengeworpen, enkele jaren naar school is gegaan maakt dit niet anders, nu daarmee nog niet is onderbouwd waarom dat tot de tegengeworpen topografische kennis zou moeten leiden. De rechtbank betrekt hierbij ook dat uit het nader gehoor van 2013 juist kan worden afgeleid dat eiser bepaalde kennis over zijn leefomgeving wel degelijk heeft, zo beschrijft hij verschillende rivieren en een meer bij [geboorteplaats] , bergen en een grote weg die langs [locatie 1] loopt. De bergen benoemt hij als het [gebied] -gebied. Verder beschrijft hij de [locatie 2] en de [locatie 3] . Eiser beschrijft ook de ligging van [geboorteplaats] . Op de vraag: “Zijn er grenzen met andere landen bij [geboorteplaats] in de buurt?” antwoord eiser: “Aan de overkant van het [locatie 4] ligt [land 1] . Er is ook een weg, als je die volgt kom je uit in [plaats 3] in [land 1] . Maar bij de grens ligt er ook een rivier die [locatie 5] heet. Even daarboven, dus naar het noorden ligt de grens met [land 2] ”. Deze beschrijving komt overeen met de ligging van [geboorteplaats] zoals deze in openbare informatie (Google Maps) kan worden gevonden.
Verder geeft eiser op de vraag “Kunt u nationale parken daar in de buurt noemen?” het antwoord: “Er is daar niet echt een park, maar wel een soort oerwoud.” Dit wordt eiser vervolgens tegengeworpen met de stelling dat hij geen nationale parken zou kunnen benoemen. Dit kan evenwel niet zonder meer worden gesteld, eiser benoemt immers het bestaan van een oerwoud. Hoewel dit oerwoud wellicht door de overheid van Congo, en internationaal, als een nationaal park is bestempeld, is niet onvoorstelbaar dat een inwoner dit beschrijft als wat het feitelijk is: een oerwoud. Bovendien verklaart eiser in datzelfde gehoor ook zijn gebrek aan kennis over nationale parken, hij stelt immers: “Ik ken geen namen van dat soort parken, maar ik weet wel dat er een soort waterval in Congo is waar een heleboel toeristen komen. Ik weet niet of dat [locatie 6] heet of iets anders. Maar ik ken dat dus verder niet. Ik ben er nooit geweest.”
Aldus kan worden vastgesteld dat de vaagheden en de summiere verklaringen die aan eiser zijn tegengeworpen in 2013 en 2015, van relatief beperkt gewicht zijn. Dit betekent dat er ook maar weinig indicatief bewijs nodig is om deze vaagheden en summiere verklaringen te compenseren. Tegen die achtergrond bezien leggen de taalanalyses van Sprakab en Verified groot gewicht in de schaal nu deze documenten, tegen de achtergrond bezien van eisers vastgestelde Congolese nationaliteit, hem in het herkomstgebied Zuid-Kivu plaatsen. Deze combinatie van bewijsstukken bevestigt de herkomst van eiser naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het relatief beperkte gewicht van de vaagheden en summiere verklaringen, in voldoende mate. Dit klemt temeer indien deze taalanalyses worden beschouwd tegen de achtergrond van eerder overgelegd bewijsmateriaal. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Hoewel de eerder door eiser overgelegde geboorte- en huwelijksaktes volgens Bureau Documenten geen juridische waarde hebben, overweegt de rechtbank dat deze wel zijn afgegeven te [geboorteplaats] . Die afgifteplaats geeft in ieder geval een indicatie dat eiser met de autoriteiten in [geboorteplaats] contact heeft gehad. De afgifte van die documenten past daarmee beter in het scenario dat hij uit (de omgeving van) [geboorteplaats] afkomstig is, dan dat dit past in het scenario dat eiser niet uit [geboorteplaats] afkomstig is (het is namelijk onwaarschijnlijker dat hij de route naar de autoriteiten in [geboorteplaats] kent als hij niet uit dat gebied afkomstig zou zijn, dan dat hij de route naar die autoriteiten zou kennen als hij wel uit dat gebied afkomstig is).
De rechtbank overweegt verder dat het paspoort van eiser echt is bevonden en dat deze is afgegeven op basis van een echt bevonden kiezerspas. Hoewel dit paspoort op zichzelf beschouwd enkel zijn identiteit bewijst, is het gegeven dat daarin [geboorteplaats] als geboorteplaats staat vermeld wel een indicatie dat eiser uit [geboorteplaats] afkomstig is. Met dit paspoort is immers in ieder geval komen vast te staan dat eiser in [geboorteplaats] is geboren. Het feit dat eiser in [geboorteplaats] is geboren past vervolgens weer beter in het scenario dat hij daar ook uit afkomstig is, dan dat het past in het scenario dat hij uit een willekeurige andere plaats afkomstig is.
De rechtbank stelt verder vast dat de zittingsplaats Groningen in diens uitspraak van 8 juli 2021, in hoger beroep bevestigd door de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2022, ten onrechte de kopieën van registratiedocumenten van eisers echtgenote en kinderen, waaruit blijkt dat zij als vluchteling in Oeganda zijn geregistreerd en de Congolese nationaliteit hebben, buiten beschouwing heeft gelaten omdat het ‘slechts’ kopieën zouden betreffen. Het Hof heeft in diens arrest van 10 juni 2021 immers geoordeeld dat documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld of waarvan de bron niet objectief verifieerbaar is, niet om die reden buiten beschouwing mogen worden gelaten. Gelet op het arrest van het Hof van 8 februari 2024, en de verplichting van de rechtbank om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van het bestreden besluit volledig en ex nunc te onderzoeken, dient het arrest van 10 juni 2021 ook bij de beoordeling in deze procedure te worden betrokken, zodat de rechtbank deze kopieën alsnog in de beoordeling moet betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank passen ook deze kopieën beter in het scenario van eisers gestelde herkomst, dan dat hij elders van afkomstig is. Die kopieën passen immers beter in het scenario dat de gezinsleden van eiser Congolese vluchtelingen zijn, dan dat zij geen Congolese vluchtelingen zijn. Mutatis mutandis passen die documenten dan weer beter in het scenario dat het gezin – en dus ook eiser – uit Zuid-Kivu afkomstig is, dan uit een ander deel van Congo, omdat Zuid-Kivu (en overigens ook Noord-Kivu en Ituri) onveiliger is dan de rest van Congo.
De rechtbank is aldus van oordeel dat de taalanalyses van Sprakab en Verified op zich, maar ook al het bewijsmateriaal in onderlinge samenhang bezien, inmiddels sterker in de richting wijst dat eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is en tot de Banyamulenge behoort, dan dat hij niet uit Zuid-Kivu afkomstig is. Kort gezegd acht de rechtbank het gegeven dat eiser:
op zijn paspoort als geboorteplaats [geboorteplaats] heeft staan;
onder meer de huwelijksakte en geboorteakten van de kinderen, hoewel qua inhoud volgens Bureau Documenten zonder juridische waarde, van de autoriteiten in [geboorteplaats] heeft verkregen (dat volgt uit het document en wordt door de minister, noch Bureau Documenten betwist, het gaat hier immers om de afgiftegegevens van de betreffende documenten), en dus weet hoe hij met de lokale autoriteiten van zijn gestelde herkomstregio in contact moet komen;
hij in het bezit is van kopieën van vluchtelingenregistraties van zijn kinderen en echtgenote, waarop de Congolese nationaliteit vermeld staat, en;
hij een taal spreekt die op zijn minst genomen overeenkomsten vertoont met de taal Kinyamulenge uit Zuid-Kivu, terwijl voor de afwijkingen die zijn geconstateerd in de Verified analyse door eiser een plausibele verklaring is gegeven en, in combinatie gezien met zijn vastgestelde nationaliteit, eiser eveneens in Zuid-Kivu plaatsen;
beter in het scenario passen dat eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is en tot de Banyamulenge behoort, dan dat hij elders uit Congo afkomstig is.
Dit brengt met zich dat met de nieuwe overgelegde taalanalyses – op zichzelf beschouwd, maar zeker als deze in samenhang worden bezien met eerder overgelegd bewijsmateriaal – de vaagheden en summiere verklaringen uit 2013 naar het oordeel van de rechtbank afdoende zijn gecompenseerd. De rechtbank stelt daarmee vast dat inmiddels geloofwaardig moet worden geacht dat eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is en tot de Banyamulenge behoort.
Dat eiser verder nog wordt tegengeworpen in het bezit te zijn (geweest) van een visum met daarop de Burundische nationaliteit, acht de rechtbank in dit verband niet relevant, nu tussen partijen niet in geschil is dat eiser de Congolese nationaliteit heeft en uit Congo afkomstig is, zodat het visum aan het voorgaande in zoverre geen afbreuk doet.
Toegepast op de zaak – behoefte aan internationale bescherming?
De minister heeft in artikel C11.4.2 Vc vastgesteld dat ten aanzien van de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiser in ieder geval in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de subsidiaire beschermingsstatus als bedoeld in artikel 18 jo hoofdstukken II en V van Verordening (EU) 2024/1347. Daarbij betrekt de rechtbank dat, gelet op de aan de onderhavige aanvraag mede ten grondslag gelegde UNHCR position paper, in redelijkheid niet kan worden gesteld dat eiser over een binnenlands beschermingsalternatief beschikt. Ook de meer recente position paper van de UNHCR van april 2025 werpt in dit opzicht geen wezenlijk ander licht op de zaak.
Eiser heeft evenwel ook gesteld tot de Banyamulenge te horen en uit zijn asielrelaas van 2013 komt naar voren dat eiser ook stelt om die reden te vrezen voor aanvallen van andere stammen (in het bijzonder van de Mai Mai rebellen). De minister heeft hiernaar nog geen nader onderzoek verricht. Indien die verklaringen geloofwaardig moeten worden geacht, dan komt eiser mogelijk in aanmerking voor de vluchtelingenstatus, omdat eiser dan mogelijk een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Banyamulenge achtergrond. De rechtbank zal om die reden volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit met de opdracht aan de minister om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, zodat nog een nader onderzoek door de minister kan worden verricht naar de vraag of eiser voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt.
5. Conclusies en gevolgen
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 Awb. De minister had de taalanalyses als relevante nieuwe elementen moeten kwalificeren en inhoudelijk, in samenhang met het overige bewijsmateriaal en asielrelaas van eiser, integraal opnieuw moeten beoordelen. De rechtbank heeft, gelet op de aan hem toekomende bevoegdheid zoals door het Hof uiteen is gezet in de arresten Quotal en Ebilum, die integrale afweging inmiddels in deze uitspraak zelf gemaakt. Op basis van die afweging stelt de rechtbank thans vast dat geloofwaardig moet worden geacht dat eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is tot de Banyamulenge behoort en in ieder geval voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt. De minister zal nog wel nader onderzoek moeten verrichten naar de vluchtelingenstatus.
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het bestreden besluit vernietigen en de minister opdragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Mocht de minister in dat nieuwe besluit tot de conclusie komen dat eiser niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, dan zal aan eiser, gelet op de vastgestelde herkomst van eiser (Banyamulenge uit Zuid-Kivu), in ieder geval de subsidiaire beschermingsstatus moeten worden verleend. De rechtbank geeft de minister een termijn van acht weken om een nieuw besluit te nemen.
De rechtbank treft met inachtneming van artikel 8:72, vijfde lid van de Awb ambtshalve de voorlopige voorziening dat eiser niet mag worden uitgezet en hij rechtmatig verblijf en overige rechten, waaronder opvang, geniet, gelijk zoals die gelden ten tijde van een eerste asielaanvraag, totdat een nieuw besluit op de aanvraag van eiser is genomen.
Proceskosten
De rechtbank zal een proceskostenveroordeling uitspreken omdat het beroep gegrond is en de minister veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage bij dit Besluit. De rechtbank stelt de proceskosten als volgt vast:
Beroepschrift 1 punt
Reactie n.a.v. rapporten Verified en TOELT 0,5 punt
Zittingen rechtbank op 3 april 2025 en 14 juli 2026 2 punten
Totaal: 3,5 punten
De waarde per punt is bij een wegingsfactor 1 gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht, bijlage B1 € 934,-. Dit betekent dat de totale proceskostenvergoeding moet worden bepaald op 3,5 x 934 = € 3.269,-.
6. Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.