RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45262
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
(gemachtigde: mr. E. Özel).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en eiser heeft een afstandsverklaring getekend.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) voordoen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt dat de minister aan hem een lichter middel, zoals een meldplicht, had kunnen opleggen. Daarbij is relevant dat eiser pas op 6 augustus 2026 Nederland is ingereisd, en al op 8 augustus 2026 in bewaring is gesteld. De overtreding van de ongewenstverklaring was dus slechts van korte duur. Daarbij komt dat eiser niet wist van zijn ongewenstverklaring omdat de beschikking niet aan hem in persoon is uitgereikt. Ook is hij jarenlang weggebleven uit Nederland en is hij bereid om volledig mee te werken aan zijn vertrek.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de (niet betwiste) gronden van de maatregel blijkt namelijk dat sprake is van een onderduikrisico. Daarom is in beginsel een lichter middel niet aangewezen. De minister heeft dat ook voldoende gemotiveerd in de maatregel. Verder is de ongewenstverklaring op de juiste wijze bekend gemaakt, namelijk door middel van publicatie in de Staatscourant. De verblijfplaats van eiser was namelijk destijds onbekend en hij had geen advocaat. Eiser had op de hoogte moeten zijn van de ongewenstverklaring en het komt voor zijn rekening en risico als hij daarvan niet op de hoogte was. De gestelde korte duur van zijn verblijf in Nederland en dat eiser jarenlang niet in Nederland is geweest, maakt ook niet dat volstaan had moeten worden met een lichter middel. Eiser mocht immers niet in Nederland zijn. De enkele verklaring van eiser dat hij bereid is om mee te werken aan zijn vertrek, heeft de minister, gelet op het onderduikrisico, ook onvoldoende mogen vinden voor het opleggen van een lichter middel. Daarbij heeft de gemachtigde van de minister erop gewezen dat het aan eiser is om zijn wens om te vertrekken te concretiseren, bijvoorbeeld met een vliegticket terug naar Roemenië.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Het identiteitsbewijs van eiser is namelijk voorhanden, waardoor de minister relatief snel een vlucht kan boeken.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op 11 augustus 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en op dezelfde dag is een vlucht voor eiser aangevraagd. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting medegedeeld dat inmiddels ook een vlucht gepland staat, op 17 augustus 2026. De rechtbank acht voorgaande voldoende voor het oordeel dat de minister voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.