ECLI:NL:RBDHA:2026:23384

ECLI:NL:RBDHA:2026:23384

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer NL26.20611
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

asiel, geloofwaardigheid, Burkina Faso, problemen met GSIM, gegrond, motiveringsgebrek hersteld, in stand laten rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20611

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De geloofwaardigheidsbeoordeling die volgt uit Werkinstructie 2024/6 is niet in strijd met het Unierecht. Daarnaast heeft de minister artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn (Kri) niet onjuist toegepast. Ook heeft de minister voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eisers problemen met de GSIM niet geloofwaardig zijn, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook loopt eiser geen reëel risico op ernstige schade en had de minister zijn asielrelaas niet hoeven toetsen aan het traumabeleid. Tot slot heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom het niet direct indienen van de asielaanvraag in het nadeel van eiser moet worden uitgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij stelt van Burkinese nationaliteit te zijn, te behoren tot de Bambara bevolkingsgroep en te zijn geboren op [geboortedag] 1987. Eiser verklaart dat hij in januari 2021 is meegenomen door de Groupe de soutain d’islam mouslimin (GSIM). Eiser heeft zes á zeven maanden geleefd in het kamp van de GSIM. Hij moest twee keer per maand tramadol voor hen kopen. Eiser is gevlucht nadat hij heeft gezien dat een zwangere vrouw mishandeld werd door de GSIM. Meer dan een jaar na zijn vlucht uit het kamp heeft hij Burkina Faso verlaten. Bij terugkeer vreest hij gedood te worden door GSIM, omdat hij ben hen weg is gegaan en geld heeft meegenomen.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen met de GSIM acht de minister niet geloofwaardig. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw 2000. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet onmiddellijk gedaan zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid onder h, van de Vw 2000. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.

Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?

5. Eiser betoogt dat de door de minister gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht, omdat geen sprake is van een integrale beoordeling van het asielrelaas. De meervoudige kamer van de zittingsplaats Roermond heeft in meerdere uitspraken prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van deze beoordelingssystematiek met het Unierecht. Nu het Hof deze vragen nog niet heeft beantwoord, bestaat er gerede twijfel over de rechtmatigheid van de gehanteerde beoordelingswijze.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraken van 25 juni 2025 en 8 september 2025 tot het oordeel gekomen dat de geloofwaardigheidsbeoordeling die volgt uit Werkinstructie 2024/6 in overeenstemming is met het Unierecht. In wat eiser betoogt ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel.

Artikel 4 van de Kri

6. Eiser betoogt dat de minister artikel 4, vijfde lid, van de Kri onjuist heeft uitgelegd en toegepast. Dit vijfde lid kan niet los worden gezien van het tweede lid, waarin is bepaald dat het moet gaan om documenten waarover de vreemdeling daadwerkelijk beschikt. Uit het voornemen blijkt niet welke documenten eiser volgens de minister had moeten en kunnen overleggen. Daarom is het zesde lid van artikel 31 van de Vw 2000 ten onrechte op eisers asielaanvraag van toepassing verklaard. Hieruit volgt namelijk dat het niet hebben van documenten op voorhand afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het niet hebben van documenten niet op voorhand afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. In het voornemen staat dat wanneer het asielrelaas volledig wordt onderbouwd met documenten dat het dan als geloofwaardig beoordeeld wordt. Wanneer dit niet het geval is wordt het asielrelaas doorgetoetst, onder andere aan de hand van eisers verklaringen. Dit is overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, van de Kri. Bovendien kan niet van de minister worden verwacht dat hij aangeeft welke documenten hij van eiser verlangd. Het is immers aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken door middel van documenten.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader en communicatieve beperkingen?

7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader en communicatieve beperkingen. Eiser is analfabeet en heeft zijn hele leven als veehouder gewerkt. Zijn woordenschat is beperkt en hij kan zich slechts in beperkte mate verstaanbaar maken in de Franse taal. Daar komt bij dat Bambara geen gangbare taal is binnen het Nederlandse tolkenbestand, waardoor geen C1-registertolken beschikbaar zijn. Dit brengt inherent een verhoogd risico op interpretatieverschillen met zich mee. Hierbij is van belang dat Bambara vanuit taalkundig perspectief een complexe taal is, waarbij juist de woordvorming complex en niet contextvrij is. Dit maakt dat nuances en betekenisrelaties binnen woorden moeilijk eenduidig over te brengen zijn in een tolksetting, zeker wanneer geen sprake is van hooggekwalificeerde tolken. Gelet op het voorgaande is het goed mogelijk dat tussen eiser en de tolk communicatieverschillen zijn opgetreden. De minister had daarom de gestelde tegenstrijdigheden op detailniveau niet aan eiser kunnen tegenwerpen. Hier komt nog bij dat de minister ten onrechte het proces-verbaal van het AVIM-gehoor heeft gebruikt in de besluitvorming.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit mag worden gegaan van de professionaliteit van de tolk. Tijdens de zitting en bij het nader gehoor is gebruikgemaakt van dezelfde tolk. Deze heeft bevestigd dat hij een registertolk is. Ten aanzien van eisers verklaringen tijdens het gehoor met de AVIM is door de minister terecht opgemerkt dat eiser deze verklaringen niet heeft gecorrigeerd of aangevuld. Ook in de zienswijze is eiser niet teruggekomen op zijn verklaringen. Daarnaast wijst de minister er terecht op dat eiser niet eerder naar voren heeft gebracht dat hij tijdens het nader gehoor zijn antwoorden niet goed heeft kunnen bewoorden vanwege zijn beperkte beheersing van het Bambara. Ook in zijn correcties en aanvullingen heeft hij dit niet naar voren gebracht, terwijl dit wel in de lijn der verwachtingen had gelegen gezien het feit dat hij expliciet een opmerking heeft gemaakt over zijn beheersing van de Franse taal. Ook tijdens de zitting kon eiser niet aangeven welke verklaringen door zijn communicatieve beperkingen zijn beïnvloed. Daarom mag de minister ervan uitgaan dat eisers antwoorden wel kloppen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser de kans heeft gehad om zijn asielrelaas te onderbouwen, door op zijn eigen manier over te brengen wat er is gebeurd. Hoewel inderdaad minder van eiser verwacht kan worden omdat hij analfabeet en ongeschoold is, betekent dit niet dat niet van hem verwacht mag worden dat hij in zijn algemeenheid kan verklaren. De rechtbank stelt verder vast dat de minister eisers verklaringen uit het AVIM-gehoor niet heeft gebruikt in de besluitvorming. De minister is slechts ingegaan op wat eiser over deze verklaringen naar voren heeft gebracht in de zienswijze. Bovendien heeft minister hierbij terecht betrokken dat eisers verklaringen rondom de tijdslijn en het verkrijgen van het paspoort ongeloofwaardig zijn geacht, omdat deze niet overeenkomen met openbare informatie. Hierna wordt hier verder op ingegaan. Het feit dat eiser niet geschoold en analfabeet is, maakt dit niet anders.

Heeft de minister eisers verklaringen over zijn problemen met de GSIM ten onrechte ongeloofwaardig geacht?

8. Het is niet in geschil dat eiser zijn verklaringen over de problemen met de GSIM niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw 2000. In het voornemen is artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000 ook aan eiser tegengeworpen. De minister heeft dit onderdeel op de zitting laten vallen.

Paspoort

9. Eiser betoogt dat de minister niet zonder nadere motivering kon concluderen dat het paspoort waarmee eiser een visum voor België heeft verkregen authentiek is en dat zijn verklaringen hierover ongeloofwaardig zijn. De motivering dat het visum door de Belgische autoriteiten is afgegeven en dat daarom, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van de echtheid van het paspoort moet worden uitgegaan is onzorgvuldig en onvoldoende dragend. Daarbij is van belang dat op ambassades in de regel geen diepgaand documentenonderzoek plaatsvindt, nu de daarvoor benodigde specialistische apparatuur en expertise op die locaties veelal niet aanwezig zijn. De visumverlening is primair gericht op de beoordeling van de aanvraag en niet op een forensisch-technische verificatie van reisdocumenten zoals die door gespecialiseerde instanties wordt uitgevoerd.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers verklaringen over het aanvragen van zijn paspoort niet met elkaar rijmen. Eisers verklaringen over wanneer hij het paspoort heeft aangevraagd komen niet overeen met bekende informatie. Uit het Europese Visuminformatiesysteem (EU-Vis) is namelijk gebleken dat eisers paspoort op 8 juli 2020 is afgegeven. Dat is ver voor de door eiser gestelde data en ook voordat de door hem gestelde problemen zich hebben voorgedaan. De minister wijst er daarom terecht op dat het niet aannemelijk is dat eisers paspoort, zoals hij stelt, naar aanleiding van de door hem gestelde problemen is aangevraagd. Enkel de stelling dat de man die eiser geholpen heeft bij het aanvragen van zijn paspoort, het paspoort niet op de officiële wijze zal hebben verkregen is onvoldoende om aan te nemen dat het paspoort vals is. De rechtbank is van oordeel dat de minister mag uitgaan van de juistheid van de informatie uit het EU-Vis.

Verklaringen over gevangenneming en verblijf in het GSIM kamp

10. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat van eiser mag worden verwacht dat hij gedetailleerd kan verklaren over het kamp waar bij heeft verbleven. De minister miskent de inhoud en strekking van het medisch advies en de invloed van traumatische ervaringen op het verklaringsvermogen van eiser. Uit het medisch advies volgt dat eiser pijnlijke gebeurtenissen heeft meegemaakt en dat hij kampt met slaapproblemen en vermoeidheidsklachten. Dit zijn juist factoren die, volgens vaste jurisprudentie en algemeen aanvaarde inzichten, van invloed kunnen zijn op het geheugen, de concentratie en het vermogen om consistent en gedetailleerd te verklaren, met name over traumatische gebeurtenissen. Dat in het medisch advies niet expliciet is vermeld dat eiser niet in staat is om te verklaren, betekent niet dat geen sprake is van beperkingen die van invloed zijn op de mate van detaillering en consistentie van de verklaringen. De minister heeft niet beoordeeld in hoeverre eisers medische en psychische klachten invloed hebben op de kwaliteit en uitgebreidheid van zijn verklaringen.

Daarnaast geeft de minister niet concreet aan welke essentiële elementen ontbreken in eisers verklaringen waardoor deze als vaag en summier zijn aangemerkt. Ook wordt niet inzichtelijk gemaakt waarom de door eiser gegeven beschrijving ontoereikend zou zijn. Hier komt nog bij dat sprake is van communicatiebeperkingen door taalproblemen en het ontbreken van hooggekwalificeerde tolken in de Bambara-taal, hetgeen ook van invloed kan zijn geweest op de mate waarin eiser zijn ervaringen nauwkeurig heeft kunnen overbrengen.

De minister stelt zich op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn gevangenneming en het verblijf in het GSIM kamp tegenstrijdig zijn. Ook zijn eisers verklaringen over het kamp volgens de minister vaag en summier. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij tussen januari 2021 en juli 2021 gevangen heeft gezeten in het GSIM kamp, terwijl hij in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij tussen april en mei 2021 voor het laatst heeft gewerkt op de veehouderij van zijn vader. Daarnaast blijft eiser in zijn verklaringen over het kamp oppervlakkig en hij omschrijft het kamp in vage termen zonder verdere details te geven. Uit het medisch advies blijkt dat eiser pijnlijke gebeurtenissen heeft meegemaakt in het verleden en dat hij hierdoor slaapproblemen ervaart en dat rekening gehouden dient te worden met vermoeidheidsklachten. Uit het medisch advies blijkt niet dat eiser niet kan verklaren over hetgeen hij heeft meegemaakt. Eiser heeft ook geen medische documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij vanwege traumaklachten verminderd in staat is om over bepaalde gebeurtenissen te verklaren. Van eiser mag dan ook verwacht worden dat hij meer kan verklaren over het kamp waar hij langere tijd heeft verbleven. Hier komt nog bij dat eiser ook over zijn ontvoering en de vijf uur durende tocht naar het kamp vaag en summier heeft verklaard. Eiser kan hierover alleen verklaren dat hij in zijn broek heeft geplast en gepoept.

De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zijn verblijf in het GSIM kamp. Eiser heeft immers verklaard hoe het kamp er uit zag, hoeveel mensen er aanwezig waren en waar het kamp zich bevond. Ook heeft hij beschreven dat hij moest bidden, dat er naar Koranteksten geluisterd werd, hoe zijn woning ingedeeld was en met hoeveel mensen hij hier verbleef. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze verklaringen niet als ’te summier’ aan eiser kunnen tegenwerpen. Wel is de rechtbank het met de minister eens dat eisers verklaringen in het nader gehoor over de periode waarin hij gevangen heeft gezeten tegenstrijdig zijn met de verklaringen over deze periode in het aanmeldgehoor. Eiser kan niet hebben gewerkt op de veehouderij en tegelijkertijd gevangen hebben gezeten. Hierbij is van belang dat eiser op dit punt ook geen correcties en aanvullingen heeft gedaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser summier heeft verklaard over de gevangenneming zelf en zijn tocht naar het kamp. Eiser verklaart alleen dat hij werd aangevallen, dat ‘ze’ gewapend waren en dat hij moest meelopen. Vervolgens verklaart hij dat ze vijf uur onderweg geweest zijn en dat hij van angst in zijn broek gepoept en geplast heeft. Naar het oordeel van de rechtbank wijst de minister er in dit kader terecht op dat uit het medisch advies niet blijkt dat eiser vanwege eventuele traumatische gebeurtenissen niet in staat is om hierover te verklaren en dat hij ook geen andere medische stukken heeft overgelegd die deze stelling onderbouwen.

Ter zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser naar zijn mening vaag en summier heeft verklaard over zijn verblijf in het GSIM kamp geen dragend argument is voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Zijn verklaringen over gevangenneming, maar met name de datum waarop het paspoort is afgegeven, zijn van groter gewicht. De rechtbank volgt dit. Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat de minister deze vaagheden en ongerijmdheden aan eiser kon tegenwerpen. Dit betekent dat de minister het asielrelaas ook zonder de tegenwerping over het verblijf van eiser in het kamp terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Niet eerder gevlucht

11. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser onvoldoende heeft geconcretiseerd waarom hij niet eerder is gevlucht. Eiser heeft verklaard dat hij niet wilde vluchten omdat hij dan zijn vee in het kamp zou moeten achterlaten en dat hij gedurende enige tijd geloof heeft gehecht aan de belofte dat hij op enig moment het kamp zou mogen verlaten mét zijn koeien. Voor eiser vormen zijn koeien niet alleen een essentieel onderdeel van identiteit en levenswijze, maar vertegenwoordigen zij tevens een aanzienlijke economische waarde. Hier komt nog bij de eiser een aantoonbaar nauwe en persoonlijke band met zijn koeien had. In deze context is het begrijpelijk dat eiser niet lichtvaardig de keuze maakt om zijn koeien achter te laten. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gewicht toegekend aan de psychologische omstandigheden waarin eiser verkeerde. Hij heeft aangegeven dat hij bleef hopen op vrijlating en dat de dreiging en het geweld binnen het kamp een verlammend effect op hem hadden. Dat eiser pas na de brute moord op een medegevangene definitief inzag dat ontsnapping de enige optie was, is niet inconsistent met zijn eerdere verklaringen dat geweld voorkwam, maar het illustreert juist een kantelpunt in zijn beleving en risicoperceptie. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de subjectieve beleving, achtergrond en sociaaleconomische positie van eiser.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft geconcretiseerd waarom hij niet eerder is gevlucht. Hierbij wijst de minister er terecht op dat eiser zes á zeven maanden lang, tweemaal per maand de kans had om te ontsnappen uit het kamp. Hij mocht elke twee weken zelfstandig medicijnen (tramadol) halen in het dorp, kreeg daarvoor naar eigen zeggen een motorfiets ter beschikking gesteld, evenals geld en een telefoon. Dat eiser enige tijd geloof heeft gehad in de belofte dat hij op een gegeven moment mocht vertrekken met zijn koeien maakt dit niet anders. Ook heeft de minister hier terecht bij betrokken dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat er veel mensen naar het kamp zijn gebracht en zijn vermoord. Eiser heeft daarnaast ook verklaard dat hij vreesde zelf vermoord te worden. Met de enkele stelling dat eiser zich pas na de brute moord op een medegevangene realiseerde dat het om een loze belofte ging heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom juist dit een kantelpunt voor hem was.

Het niet direct indienen van de asielaanvraag

12. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het niet onverwijld indienen van de asielaanvraag afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het relaas. Hiermee wordt miskend dat de beoordeling van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000 een individuele en contextuele beoordeling vereist, waarbij rekening gehouden moet worden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Hij heeft verklaard dat hij niet wist dat hij asiel moest aanvragen. Gelet op zijn analfabetisme, beperkte woordenschat, zeer beperkte beheersing van de Franse taal en het ontbreken van kennis van Europese procedures, is dit een plausibele en verschoonbare verklaring. Hier komt nog bij dat eiser afkomstig is uit een rurale context, waar hij als veehouder heeft gewerkt en geen enkele ervaring had met formele (overheids)procedures. Van hem kan niet worden verwacht dat hij direct bekend is met het bestaan en de werking van het asielstelsel in Nederland. De minister heeft deze omstandigheden niet kenbaar betrokken bij de beoordeling. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het tijdsverloop van acht maanden zodanig zwaar zou moeten wegen dat dit afbreuk doet aan zijn geloofwaardigheid. Verder heeft de minister onvoldoende meegewogen dat eiser kampt met medische klachten die samenhangen met traumatische ervaringen die van invloed kunnen zijn op het handelingsvermogen en het vermogen om tijdig hulp te zoeken. Ter onderbouwing wijst eiser op het medisch advies.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat van eiser verwacht mag worden dat hij zich zo snel mogelijk zou melden voor asiel bij aankomst in Nederland. De minister wijst er terecht op dat de omstandigheid dat eiser analfabeet is en zich enkel door het verblijf in Nederland al veilig voelde hier niet aan af doet. Daarnaast heeft de minister hierbij terecht betrokken dat eisers zienswijze tegenstrijdig is met hetgeen hij heeft verklaard in het nader gehoor. In het nader gehoor heeft hij verklaard dat hij niet wist dat hij asiel moest aanvragen maar dat hij ook bang was voor de politie of om opgepakt te worden. In zijn correcties en aanvullingen corrigeert hij dit niet en doet hij ook geen aanvullingen. In de zienswijze geeft eiser aan dat hij niet wist dat hij asiel moest aanvragen en dat hem niet verweten kan worden dat hij niet meteen contact heeft gezocht met de autoriteiten, omdat hij in Burkina Faso geen ervaring met autoriteiten heeft gehad. Eiser geeft geen eenduidige reden voor het late melden, waardoor de minister de redenen die eiser hiervoor heeft gegeven niet als verschoonbaar hoefde aan te merken.

Conclusie

13. De minister stelt zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw 2000. Daarom heeft de minister de problemen die eiser stelt te hebben met GSIM terecht niet geloofwaardig geacht.

Loopt eiser bij terugkeer naar Burkina Faso een reëel risico op ernstige schade?

14. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Burkina Faso een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege de slechte veiligheids- en humanitaire situatie daar. Uit landeninformatie blijkt namelijk dat er op grote schaal gedwongen rekrutering plaatsvindt. Verder blijkt uit een brief van Vluchtelingenwerk Nederland, dat er een ernstige veiligheids- en humanitaire situatie bestaat vanwege op grote schaal gepleegde oorlogsmisdaden en andere mensenrechtenschendingen door de strijdende partijen in dat land. Uit die bronnen blijk ook dat ruim 20.000 mensen om het leven zijn gekomen door het geweld en ruim twee miljoen mensen ontheemd zijn, waarbij militaire groepen meer dan de helft van het land onder controle hebben en zich ook verplaatsen naar de hoofdstad. De minister heeft in dit kader niet kenbaar getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Verder blijkt uit een rapport van het UNHCR dat landen worden opgedragen om personen die afkomstig zijn uit Burkina Faso niet te weigeren, gelet op het feit dat de meeste personen afkomstig uit dat land voldoen aan de vereisten voor vluchtelingschap. De minister heeft geen actuele beoordeling gemaakt van het risico dat eiser loopt bij terugkeer naar Burkina Faso, meer specifiek naar de regio Sahel. Ook heeft er geen beoordeling plaatsgevonden van de glijdende schaal.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit van 8 april 2026 niet is ingegaan op hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over het rapport van het UNHCR. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank verklaart het beroep om die reden gegrond en vernietigt het besluit van 8 april 2026. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De minister heeft zich namelijk in het verweerschrift van 3 juli 2026 terecht op het standpunt gesteld dat in de regio Centre, Ouagadougou, geen sprake is van een gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15, aanheft en onder c, van de Kri. Bij deze beoordeling is gebruik gemaakt van informatie uit 2024 tot en met februari 2026. Deze informatie is dus meer recent dan het rapport van UNHCR waar eiser een beroep op doet. Hierbij is de minister terecht uitgegaan van Ouagadougou als plek waar eiser naar dient terug te keren. Eiser heeft immers voor zijn vertrek meer dan een jaar in deze stad verbleven, waardoor dit op grond van het beleid van de minister kan worden aangemerkt als zijn normale woon- en verblijfplaats. Dat de familie van eiser in de regio Sahel woont, maakt het voorgaande niet anders. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op dat wat eiser in beroep heeft aangevoerd over de situatie in de regio Sahel. Ook bestaat geen aanleiding om de beroepsgrond te bespreken dat Ouagadougou ten onrechte als beschermingsalternatief zou zijn aangemerkt, alleen al omdat de minister een dergelijk beschermingsalternatief niet aan eiser heeft tegengeworpen.

Had de minister het asielrelaas van eiser moeten toetsen aan het traumabeleid?

15. Eiser betoogt dat de minister zijn asielrelaas had moeten toetsen aan het traumabeleid. Het traumabeleid dient namelijk ter bescherming van slachtoffers tegen hernieuwde confrontatie met de daders van ernstige traumatische gebeurtenissen, in het bijzonder in situaties waarin deze daders ongestraft zij gebleven en nog steeds een reëel risico vormen. Hiervan is in dit geval sprake nu eiser heeft verklaard dat hij langdurig van zijn vrijheid is beroofd en getuige is geweest van ernstige geweldsincidenten binnen het kamp zonder dat sprake is van enige vorm van bescherming of berechting. Indien de minister zich op het standpunt stelt dat niet aan alle formele voorwaarden van het traumabeleid is voldaan, had hij gebruik moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat, nu eisers asielrelaas terecht ongeloofwaardig is geacht, deze niet getoetst hoeft te worden aan het traumabeleid. Daarnaast heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 4:84 van de Awb.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Aangezien de minister het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.A. van Hoof

Griffier

  • mr. T.M.T. Brandsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand