[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.F.M. Schonkeren),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Beyik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 23 april 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is uit Syrië gevlucht vanwege de oorlog en de bombardementen die daarbij plaatsvonden, en omdat hij niet in het leger van het vorige regime wilde dienen. Daarnaast stelt eiser te zijn gevlucht vanwege problemen met zijn ex-zwagers. Eiser is namelijk in 2011 getrouwd met [naam] , maar in 2014 is hij ook met de vrouw van zijn vermoorde broer getrouwd om zo voor de kinderen van zijn broer te kunnen zorgen. Eiser is daarna van [naam] gescheiden en haar broers willen eiser hierom iets aandoen. In 2014 is eiser door hen aangevallen met een wapen en in 2017 heeft hij zijn ex-zwagers nog een keer gezien bij zijn werk. Via anderen verneemt eiser sindsdien dat hij niet terug mag keren naar zijn dorp. Bij terugkeer vreest hij ervoor dat zij hem zullen vermoorden.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit eisers asielrelaas herleid. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Zijn problemen met zijn ex-zwagers worden niet geloofd. Eiser wordt tegengeworpen dat hij dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft kunnen onderbouwen en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser vaag en wisselend verklaard over de incidenten die hij heeft meegemaakt met zijn ex-zwagers en blijkt uit zijn verklaring dat eiser na zijn scheiding niet meer door hun is aangevallen. Eiser is daarnaast geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, nu met het wegvallen van het vorige regime zijn vrees voor dit regime niet aannemelijk is. Daarbij is ook niet aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld, omdat sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld en niet is gebleken van individuele omstandigheden waardoor eiser een verhoogd risico loopt om daar slachtoffer van te worden. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Hij betwist wisselend te hebben verklaard over zijn problemen en verweerder heeft de kwalificatie van ‘vaag en niet eenduidig’ ten onrechte niet verder uitgelegd zodat daar ook geen sprake van kan zijn. Eiser heeft al zijn problemen beschreven en wie daarbij betrokken waren. En hoewel eiser niet kan onderbouwen dat een van zijn ex-zwagers voor de veiligheidsdienst werkt, zegt dit enkel iets over zijn mogelijkheid om van het overheidsapparaat gebruik te maken en maakt dat zijn problemen of de ernst van de negatieve aandacht richting eiser niet ongeloofwaardig. Daar komt bij dat eiser zich steeds heeft verplaatst zodat het moeilijker werd hem op te sporen. De suggestie dat zijn ex-zwagers hem via telefoon of sociale media konden bereiken is hiervoor niet relevant, omdat zij daarmee zijn locatie nog steeds niet konden achterhalen. Verder is erop gewezen dat zij hem eerder ook niet zomaar in het openbaar konden vermoorden vanwege vrees voor problemen met de autoriteiten, maar deze situatie is nu veranderd en van een strakke handhaving en adequaat functionerende politie is momenteel geen sprake in Syrië. Dit maakt de tijd rijp voor het vereffenen van oude vetes, waar het verstrijken van tijd niets aan afdoet.
Voor wat betreft de situatie in Syrië stelt eiser zich op het standpunt dat het nog steeds verre van veilig is. Het aantal slachtoffers is nu wellicht lager dan onder het oude regime, maar er zijn nog voortdurend geweldsuitbarstingen. Deze dreiging maakt de situatie zeer gevaarlijk en onvoorspelbaar, waardoor in beginsel iedereen die daar aanwezig is een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Ten aanzien van de humanitaire situatie in Syrië heeft eiser, anders dan verweerder stelt, wel degelijk individuele factoren aangevoerd. Namelijk dat eiser langdurig buiten Syrië heeft verbleven, hij geen woning meer heeft in [plaats 1] , hij daar geen middelen van bestaan heeft en geen netwerk. Bij terugkeer is eiser dan ook een ontheemde in de zin van het rapport van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) en hij zal verstoken zijn van elektriciteit, sanitaire voorzieningen en beschutting tegen weersomstandigheden, en onvoldoende toegang hebben tot basisbehoeften zoals voedsel en water. Dit maakt dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer en het bestreden besluit van verweerder geen stand kan houden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat eiser niet heeft bestreden dat zijn vrees voor de dienstplicht, wat onderdeel vormde van zijn reden voor vertrek, niet langer een vrees vormt nu het huidige Syrische regime de dienstplicht heeft opgeheven. Dit vormt dan ook geen onderdeel van de verdere toetsing en zal niet worden behandeld. Ditzelfde geldt voor eisers gestelde oppositie tegen het regime van Assad. Eiser heeft zelf verklaard dat het regime van Assad niet meer bestaat en verweerder heeft daarom geen reden gezien om aan te nemen dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging problemen zal ervaren bij terugkeer. Ook dit heeft eiser niet gemotiveerd bestreden en dit zal daarom evenmin verder behandeld worden.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
6. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn gestelde problemen met zijn ex-zwagers geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiertoe werpt verweerder eiser tegen dat hij vaag en wisselend verklaard over de incidenten die hij met zijn ex-zwagers heeft meegemaakt. Zo zou eiser twee dagen na de voltrekking van zijn tweede huwelijk in [plaats 1] zijn aangevallen door een ex-zwager met een wapen. Daarna is hij niet meer aangevallen. Ook heeft eiser verklaard dat hij zijn ex-zwagers in 2017 eenmalig in [plaats 2] heeft gezien bij zijn werkplek. Later verklaarde eiser dat hij tijdens zijn verblijf in [plaats 1] is bekogeld met stenen door kinderen die op hem af zouden zijn gestuurd en zou eiser daarbij na zijn verhuizing binnen [plaats 1] staande zijn gehouden, zouden er stenen naar hem zijn gegooid en zou hij zijn beledigd. Weer later stelt eiser dat hij sinds het incident in 2014 geen problemen meer met zijn ex-zwagers heeft gehad, omdat zij hem in de verschillende wijken van [plaats 1] waarnaar hij verhuisde niet konden bereiken. En weer later stelt eiser dat hij juist in de verschillende wijken werd lastiggevallen en vaak moest omrijden met zijn auto. Hierdoor ontstaat er geen eenduidig en concreet beeld van de problemen die eiser stelt te hebben met zijn ex-zwagers.
Verweerder werpt eiser verder tegen dat hij na zijn scheiding niet meer is aangevallen door zijn ex-zwagers. Twee dagen na het tweede huwelijk is eiser met een wapen aangevallen. Hierna is eiser in 2015 officieel gescheiden van [naam] en heeft hij de bruidsschat teruggegeven. Hij heeft verklaard sinds het incident in 2014 niet meer aangevallen te zijn en ook toen zijn ex-zwagers in 2017 bij zijn werkplek langskwamen heeft eiser geen direct contact met ze gehad, is hij niet bedreigd en niet aangevallen. Eiser is hierna ook niet meer persoonlijk benaderd of bedreigd door zijn ex-schoonfamilie. Hieruit blijkt niet dat de problemen hebben aangehouden. Verweerder ziet niet in waarom zijn ex-zwagers hem via anderen zouden bedreigen en (in de afgelopen 12 jaren) niet rechtstreeks.. Ook heeft eiser geen informatie over het verblijf van zijn ex-zwagers. Zo is niet onderbouwd dat er één in Turkije is en één mogelijk in [plaats 1] , en is niet onderbouwd dat een van hen voor de veiligheidsdienst werkt. Eiser heeft dit enkel gehoord en weet dit zelf ook niet zeker. Het feit dat zij niet zouden willen dat eiser terugkeert naar [plaats 1] is gezien het handelen van eiser, door in het geheim een tweede huwelijk aan te gaan, niet merkwaardig maar leidt ook niet direct tot de conclusie dat de problemen hebben aangehouden. Niet is gebleken dat zij eiser nog zien als doelwit.
De stelling van eiser dat verweerder onvoldoende uitleg heeft gegeven over waarom zijn verklaringen vaag, wisselend en onduidelijk zijn wordt door de rechtbank gelet op het voorgaande niet gevolgd. Verweerder heeft bij iedere tegenwerping voldoende uitleg gegeven door verwijzing naar de verklaringen van eiser in het nader gehoor. Eiser heeft daarbij de tegenwerpingen op inhoud in zoverre niet bestreden noch nader toegelicht waarom deze volgens hem niet vaag, wisselend of onvoldoende concreet zijn. Dat eiser naar eigen zeggen zijn verhaal heeft gedaan over zijn problemen en wie daarbij betrokken zijn geweest, neemt het voorgaande niet weg. Daarnaast kan er niet zonder meer vanuit gegaan worden dat eiser bij zijn ex-zwagers ook nu nog steeds onder de negatieve aandacht zou staan, zeker nu zij sinds lange tijd geen contact meer met hem hebben gezocht. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door eiser gestelde problemen met zijn ex-schoonfamilie dan ook terecht ongeloofwaardig bevonden.
Reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld
7. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat de Kwalificatierichtlijn, zoals aan getoetst in het bestreden besluit en enkele van de in deze uitspraak naar verwezen uitspraken, met ingang van 12 juni 2026 is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom voor zover voor deze uitspraak relevant dezelfde uitleg worden gegeven.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw (oud), gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.
Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank in verwijzing naar relevante en actuele landeninformatie kunnen concluderen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, en dus ook [plaats 1] waar eiser vandaan komt. Hierbij heeft verweerder kunnen verwijzen naar informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) van januari 2026 waaruit blijkt dat de huidige regering de controle heeft over [plaats 1] . Ook zijn tussen 27 november 2024 en 11 december 2025 naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden teruggekeerd naar [plaats 1] en wordt het bevolkingsaantal door IOM in december 2025 op 1.887.256 personen geschat. Daarbij zijn door ACLED tussen 1 mei 2025 en 31 december 2025 69 geweldsincidenten geregistreerd waarbij het in 4 gevallen ging om gevechten, in 12 gevallen om explosies/geweld op afstand en in 53 gevallen om geweld tegen burgers. Het maandelijkse aantal geweldsincidenten fluctueerde tussen 2 en 17. Het SNHR documenteerde in 2025 minstens 3.666 burgerdoden, onder wie minstens 25 burgerdoden in [plaats 1] . Hoewel de veiligheidssituatie daarom fragiel is, is er slechts in lage mate sprake van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict.
Ook is verwezen naar de brief van de minister van Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025, waarin de minister het standpunt inneemt dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daaraan voegt verweerder recentere informatie van de EUAA toe waarin wordt geconcludeerd dat er in [plaats 1] geen reëel risico bestaat dat een burger persoonlijk slachtoffer wordt van willekeurig geweld en dat een beoordeling van eventuele risicoverhogende omstandigheden om slachtoffer te worden van willekeurig geweld niet nodig is, omdat dit niet tot een geslaagd beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening kan leiden. Meer specifiek wijst verweerder erop dat het aantal veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers in [plaats 1] stabiel laag is gebleven en naar schatting van de UNHCR meer dan 1,3 miljoen Syriërs uit buurlanden vrijwillig zijn teruggekeerd. 229.897 mensen daarvan zijn teruggekeerd naar [plaats 1] en van de ruim 1,9 miljoen binnenlands ontheemden is 8,3% naar [plaats 1] en 13,15% naar Rural [plaats 1] teruggekeerd. Verder neemt het aantal slachtoffers vanaf september 2025 af. In de periode van 4 november 2025 tot 9 december 2025 ging het om gemiddeld 22 slachtoffers per week door ontplofbare oorlogsresten in heel Syrië, waar dit in de periode van maart tot september 2025 nog om gemiddeld 56 slachtoffers per week ging.
Omdat verweerder zoals eerder vastgesteld uit mag gaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld voor Syrië, betekent dit dat sprake moet zijn van individuele omstandigheden die alsnog aannemelijk maken dat eiser risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat uit hetgeen eiser heeft verklaard en aangevoerd geen individuele omstandigheden volgen die het risico verhogen. Eiser heeft in beroep erop gewezen dat hij al langere tijd niet meer in Syrië verblijft, dat hij in [plaats 1] geen woning meer heeft omdat de wijk waar hij woonde is verwoest, dat hij in Syrië geen middelen van bestaan heeft en dat hij daar geen netwerk heeft. Niet nader onderbouwd is waarom dit voor eiser een verhoogd risico op ernstige schade door willekeurig geweld bij terugkeer oplevert. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser 43 jaar oud is, hij tot 2017 in Syrië heeft gewoond en de taal spreekt, hij in Syrië en Turkije altijd heeft gewerkt en in zijn onderhoud heeft kunnen voorzien, en dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is medische omstandigheden die een risicoverhogende factor kunnen vormen. Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank dan ook kunnen concluderen dat van risicoverhogende individuele omstandigheden niet is gebleken.
Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de humanitaire situatie, hoewel precair, over het algemeen niet binnen de reikwijdte van het willekeurig geweld in het kader van een lopend conflict valt en daarom niet leidt tot een ander oordeel. Hierbij is verwezen naar het arrest onder noot 10 en de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Groningen en Middelburg. In haar uitspraak van 23 februari 2026 heeft deze rechtbank ook reeds overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat, gelet op de informatie uit het AAB van mei 2025 en van januari 2026, de humanitaire situatie in dit geval niet betrokken hoeft te worden bij de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Dit omdat uit de informatie volgt dat hoewel de humanitaire situatie zeer slecht is, deze het gevolg is van de jarenlange oorlog, de economische sancties en de nalatigheid van de regering van Assad. Sinds de val van dat regime zijn zij geen actor meer in het conflict. Eiser heeft hiertegen ook geen andere actuele landeninformatie overgelegd waaruit wel volgt dat de huidige conflictparten de humanitaire omstandigheden in Syrië veroorzaken of in stand houden. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook verwezen naar een recente beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 september 2025, waarin een getroffen maatregel (de zogeheten Rule 39) tegen de uitzetting van een Syrische vreemdeling niet is verlengd en zijn uitzetting dus werd toegestaan. Overwogen is dat ondanks de huidige veiligheidssituatie in Syrië, zijn terugkeer geen reëel en onmiddellijk risico op onherstelbare schending van zijn rechten oplevert.
Terugkeerbesluit
8. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 (zie noot 12) geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan hiervoor niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft eerder al geoordeeld dat de beoordeling van beide artikelen verschillen qua inhoud en dat de uitleg daarvan autonoom moet plaatsvinden. De slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië kunnen een rol spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:
In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
Verweerder heeft voornoemde beoordeling in het kader van artikel 3 van het EVRM in het bestreden besluit niet expliciet gedaan. Wel heeft verweerder zoals eerder genoemd verwezen naar de door het EHRM opgeheven Rule 39 voor een Syrische vreemdeling. Hier blijkt wel uit dat de situatie in Syrië niet meer zodanig was dat uitzetting van vreemdelingen daar naartoe zonder meer een strijd met artikel 3 van het EVRM oplevert. De rechtbank constateert dat het EHRM op die datum (23 september 2025) kennelijk ook aan de criteria uit het arrest Sufi en Elmi heeft getoetst en de uitzetting mogelijk achtte. Daarmee heeft verweerder, zij het niet heel expliciet, wel (ook) getoetst aan artikel 3 van het EVRM. In het verweer maakt verweerder deze toets explicieter waarbij verwezen wordt naar het feit dat de huidige humanitaire situatie niet (of nauwelijks) te wijten is aan een (actor die partij is bij een) lopend gewapend conflict. Deze is wel het gevolg van een jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid door het vorige regime van Assad. Van een strijd met artikel 3 van het EVRM is dan slechts sprake in “very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling.” Het is daarbij aan eiser om aannemelijk te maken dat hij een dergelijk risico loopt, hetgeen in dit geval niet aannemelijk is gemaakt.
Voor zover het feit dat de beoordeling niet voldoende expliciet in het bestreden besluit is opgenomen en dit pas in verweer eerst meer expliciet is gedaan een motiveringsgebrek oplevert, passeert de rechtbank dit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Door eiser zijn namelijk geen stukken ingebracht waaruit moet worden afgeleid dat de humanitaire situatie in Syrië, en specifiek [plaats 1] , sinds de beslissing van het EHRM zodanig is verslechterd dat geoordeeld moet worden dat nu wel de lat van artikel 3 van het EVRM in het kader van Sufi en Elmi wordt gehaald. In tegendeel, in de stukken waar verweerder in zijn verweer naar heeft verwezen lijkt de situatie, hoewel nog steeds fragiel en precair, enigszins te verbeteren. En hoewel dit geheel geleidelijk gaat en tijd zal kosten, is van een uitzichtloze situatie zoals in Sufi en Elmi evenmin sprake. In de individuele omstandigheden waar eiser in beroep op heeft gewezen en die de rechtbank zelf heeft vastgesteld, zoals ook vermeld onder punt 7.3, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.